Wonderverhalen

Jezus' wonderverhalen

Vraag 1

Waarom spreken over Jezus' wonderen?

1 A. Omdat er in het evangelie veel 'verhalen' over wonderen te vinden zijn.
Er wordt indirect over Jezus' wonderen getuigenis afgelegd.

Ook al zou het Nieuwe Testament geen enkel concreet wonderverhaal bevatten - dan nog horen we dat Jezus zieken en bezetenen genezen heeft. Wij zouden het overigens ook kunnen afleiden uit het feit dat er na Pasen in de jonge gemeenten genezingen en andere wonderen in toenemende mate voorkwamen. Blijkbaar is er met Jezus iets begonnen wat zich ook naadloos in de jonge kerk doorzette.

Er wordt over Jezus' wonderen verteld.

Niet alleen indirect wordt over Jezus' wonderen gesproken. De evangelies 'vertellen' ze ook. Het is belangrijk te beseffen dat wij niet de wonderen zelf meemaken, maar alleen de teksten lezen die over de wonderen spreken. De evangelies vertellen zelfs buitengewoon veel wonderen. Vooral het Marcusevangelie staat gewoonweg bol van wonderverhalen.

In het Marcusevangelie worden volgende genezingen en duiveluitdrijvingen verteld:

  • de bezetene in de synagoge (1,25-26)
  • de schoonmoeder van Petrus (1,30-34)
  • de melaatse (1,40-45)
  • de lamme (2,1-12)
  • de man met de verschrompelde hand (3,1-6)
  • de bezetene uit Gerasa (5,1-20)
  • de vrouw die aan bloedvloeiingen leed (5,25-34)
  • de dochter van de Syrofenicische vrouw (7,24-30)
  • de doofstomme (7,31-37)
  • de blinde uit Betsaida (8,22-26)
  • de bezeten zoon (9,14-29)
  • de blinde Bartimeus (10,46-52)

Het Marcusevangelie bevat echter ook nog andere wonderen die niet onder het begrip genezingen en duiveluitdrijvingen kunnen geplaatst worden:

  • het stillen van de storm (4,35-41)
  • de opwekking van de dochter van Jairus (5,21-43)
  • Jezus geeft vijfduizend mensen te eten (6,35-44)
  • Jezus loopt over het meer (6,45-52)
  • Jezus geeft vierduizend mensen te eten (8,1-9)
  • de verdorde vijgenboom (11,12-14.20-25)

Hierbij komen dan nog ongeveer tien wonderverhalen die terug te vinden zijn in het Sondergut van Matteüs en Lucas en zeven wonderverhalen uit het Johannesevangelie.

Met dit alles wordt Jezus als een uitgesproken wonderdoener beschreven.

1 B. Omdat de wonderverhalen onlosmakelijk verbonden zijn met Jezus' verkondiging.

De wonderverhalen uit de evangelies roepen heel wat vragen op, bij leerkrachten en leerlingen en ook bij kritische lezers van de Bijbel. Hoe kan Jezus zomaar wind en water aan zijn wil onderwerpen of een hele menigte te eten geven met enkele broden en wat vis? Bovendien wordt er ook nog verteld dat Hij een uitstekende dokter geweest zou zijn. Daarvan getuigen de talrijke berichten over wonderlijke genezingen en het uitdrijven van demonen. Toch zijn die verhalen onlosmakelijk verbonden met de verkondiging van Jezus. Enkel vanuit die achtergrond kunnen ze verstaan worden. De wonderverhalen staan er ook niet op zichzelf. Ze maken deel uit van de Blijde Boodschap. (Luc Devisscher, 2017)

1 C. Omdat wie over Jezus iets wil zeggen, er niet onderuit kan zich met zijn wonderen in te laten.

Bij Jezus speelt het woord werkelijk een grote rol. Hij heeft onderricht gegeven, Hij heeft terechtgewezen en vermaand, Hij heeft gebeurtenissen profetisch geduid, Hij heeft het evangelie van Gods heerschappij verkondigd; meer nog: Hij heeft haar publiek afgekondigd. En toch heeft Jezus niet alleen gesproken. Hij heeft Gods heerschappij niet alleen verkondigd. Het werk dat Hij verrichtte, was niet alleen een 'woordgebeuren'. Geheel zijn publieke optreden wordt van begin tot einde door handelingen gekenmerkt. In het evangelie worden zij 'machtsdaden' (dunameis) en 'tekenen' (semeia) genoemd. De Kerk noemt ze sinds eeuwen 'wonderen'. Wie over Jezus iets wil zeggen, kan er niet onderuit zich grondig met zijn wonderen bezig te houden. (Gerhard Lohfink, 2014)

1 D. Omdat het Rijk Gods zichtbaar wordt in die wonderverhalen.

Als Jezus zieken geneest, demonen uitdrijft, het water aan banden legt en doden opwekt, dan gebeurt in de grond overal hetzelfde: Hij verzet zich tegen de chaotische machten, Hij overwint de demonen, Hij geneest de beschadigde en misvormde wereld, opdat Gods heerschappij zichtbaar zou worden en de schepping de integriteit en de schoonheid zou vinden die God haar toebedacht heeft. (Gerhard Lohfink, 2014)

1 E. Omwille van de vragen in het leerplan.
1. Hoe gaat Jezus met mensen om?

Bij Jezus valt o.a. op dat: (p. 20)

  • Zijn eerste woorden soms zijn: 'Wat zoekt je?' (Joh. 1,38; 20,15) of 'Wat wil je dat Ik voor jullie doe?' (Mc. 10,36-51) om dan zijn boodschap te verkondigen.
  • Hij mensen wil openen voor hun eigen diepe verlangens.
  • Hij altijd aankomt met een aanbod dat leven bevordert. Hij geeft zijn eigen mening, standpunt te kennen maar laat mensen vrij. Hij legt hen iets voor, maar Hij legt hen nooit iets op! Hij stelt mensen voor keuzen, maar daarin laat Hij mensen vrij.
  • Hij vanuit zijn geloof in de grenzeloze liefde van God voor de mens, gelooft in de mogelijkheden van elke mens. Voor God is niets onmogelijk. Voor God zijn er geen 'gevallen waar niets meer aan te doen is': Hij weet het beste te zien in elke mens. Dat is de echte pedagogie van de hoop.

2. Wat is de plaats van de genezingsverhalen? (In de eerste graad, waar het over 'pijn' gaat.)

  • 1A Pijn p. 92: genezingsverhalen
  • 2A Pijn p. 92: Jezus' omgaan met lijden

3. Hoe ontmoet Jezus mensen? (In de tweede graad, wanneer het om ontmoetingen met Jezus gaat.)

4 ASO Ontmoeten p. 111:

  • Jezus' ontmoetingen met mensen bespreken (Bartimeus);
  • Jezus' verbondenheid met wie Hem heeft aangeraakt (Mc. 5,25-34);
  • Jezus' omgaan met kwetsuren (tederheid en barmhartigheid; het gelaat van de ander als het gelaat van de Ander).

4. Hoe omgaan met grenservaringen en lijden? (In de derde graad)

5ASO Omgaan met grenzen p. 116:

  • Hoe gaat Jezus om met lijden? Lc. 7,1-11; Joh. 11,1-45;
  • De impact van grenservaringen op wereld-, mens en godsbeeld
  • Genezingsverhalen; dodenopwekkingen; duiveluitdrijvingen;
  • Aangeven hoe christenen omgaan met lijden (Bijbelse en andere gebedsteksten).

5BSO Grens en eindigheid p. 146:

  • De plaats van lijden en dood in het eigen leven;
  • Het verschillend reageren tegenover lijden en dood;
  • Het omgaan van christenen met lijden en dood typeren.

5TSO Samenlevingsopbouw tussen inspiratie en appel p. 169:

  • Gemeenschappen van nu confronteren met een Bijbelse kijk op samenleven (genezingsverhalen: waarderen en helen als zending voor en bron van een gemeenschap; de jonge Kerk).

5TSO Lijden en hoop p. 171:

  • Jezus' aandacht voor de lijdende mens illustreren met Bijbelfragmenten en terugvinden in de levenshouding en engagementen van hedendaagse christenen (genezingsverhalen, opwekking van Lazarus, medelijden, barmhartigheid).

7 jaar Beginnend levensbeschouwelijk engagement p. 195:
  • Bijbelse verhalen rond lam (Mc. 1,40-45, Mt. 8,14, Lc. 5,12-16), doof/stom (Mc. 8,31-37, Mt. 15,29-31) en blind (Mc. 11,46-52, Mt. 20,29-34, Lc. 18,35-43)

Vraag 2

Wat is de Bijbelse interesse in verband met Jezus' wonderverhalen?

2 A. Onze spontane historische interesse: heeft Jezus wonderen gedaan?

In het Nieuwe Testament wordt er indirect over Jezus' wonderen getuigenis afgelegd en wordt er over Jezus' wonderen verteld. Vaak gaat onze interesse niet direct uit naar wat daarmee bedoeld wordt, maar blijven we steken bij de vraag of die wonderen wel echt gebeurd zijn. Maar alle argumenten zowel voor als tegen de historiciteit van de opgetekende wonderen, berusten op a priori's.

Zowel bij conservatieve apologeten...<201a>

Conservatieve apologeten redeneren als volgt: 'God kan wonderen doen, welnu, Jezus was de mensgeworden God; dus moet Hij bij machte geweest zijn wonderen te doen, en heeft Hij er ook gedaan, zoals de evangelien berichten'. Zoals bij zoveel syllogismen, wordt ook hier de wagen voor het paard gespannen. Want het syllogisme steunt op een aprioristisch oordeel dat een conclusie zou moeten zijn. Dat Jezus de mensgeworden God is, is een besluit van het geloof, waartoe men slechts komt na een confrontatie met Jezus.

... als bij rationalisten

Een even onwetenschappelijk a priori zou het zijn de wonderen van bij het begin uit te schakelen, zoals door de rationalisten gedaan werd. Wonderen, zo zeiden zij, kunnen onmogelijk gebeuren. Ze zijn wetenschappelijk uitgesloten in een wereld die gehoorzaamt aan de ijzeren wetten van oorzaak en gevolg. Derhalve heeft Jezus nooit wonderen gedaan. Slechts twee mogelijkheden zijn er om de 'wonderen' te verklaren volgens hen: ofwel berusten ze op het verkeerd begrijpen door de leerlingen of andere ooggetuigen van de echte feiten, ofwel zijn het vrome legenden. De vroegere rationalisten hadden een voorkeur voor de eerste stelling en zij hielden zich gaarne bezig met het verklaren van dergelijke zogezegde misverstanden. De geschiedenis van de zwijnen bij de Gerasenen (Mc. 5,1-20) bijvoorbeeld zou oorspronkelijk een volkomen natuurlijke gebeurtenis geweest zijn. Het geschreeuw van de bezetene zou de zwijnen verschrikt en onder de dieren paniek veroorzaakt hebben. Het resultaat: enkele stortten in de afgrond; de overige zouden deze eerste gevolgd zijn. Bij de broodvermenigvuldiging zou er niets anders gebeurd zijn, dan dat de leerlingen een jonge man overtuigd hadden zijn proviand met de anderen te delen. Dat voorbeeld werkte aanstekelijk, zodat alle anderen dat ook deden, tot de ganse menigte verzadigd was.

Een even onwetenschappelijk a priori zou het zijn de wonderen van bij het begin uit te schakelen, zoals door de rationalisten gedaan werd. Wonderen, zo zeiden zij, kunnen onmogelijk gebeuren. Ze zijn wetenschappelijk uitgesloten in een wereld die gehoorzaamt aan de ijzeren wetten van oorzaak en gevolg. Derhalve heeft Jezus nooit wonderen gedaan. Slechts twee mogelijkheden zijn er om de 'wonderen' te verklaren volgens hen: ofwel berusten ze op het verkeerd begrijpen door de leerlingen of andere ooggetuigen van de echte feiten, ofwel zijn het vrome legenden. De vroegere rationalisten hadden een voorkeur voor de eerste stelling en zij hielden zich gaarne bezig met het verklaren van dergelijke zogezegde misverstanden. De geschiedenis van de zwijnen bij de Gerasenen (Mc. 5,1-20) bijvoorbeeld zou oorspronkelijk een volkomen natuurlijke gebeurtenis geweest zijn. Het geschreeuw van de bezetene zou de zwijnen verschrikt en onder de dieren paniek veroorzaakt hebben. Het resultaat: enkele stortten in de afgrond; de overige zouden deze eerste gevolgd zijn. Bij de broodvermenigvuldiging zou er niets anders gebeurd zijn, dan dat de leerlingen een jonge man overtuigd hadden zijn proviand met de anderen te delen. Dat voorbeeld werkte aanstekelijk, zodat alle anderen dat ook deden, tot de ganse menigte verzadigd was.

2 B. In de Bijbel willen de wonderverhalen allereerst iets zeggen over het heden en over de toekomst.

Ze willen niet allereerst over het verleden spreken of een historisch verhaal doen, maar vooral - op grond van een gebeuren in het verleden - zicht geven op Gods heilshandelen in heden en toekomst. Hierdoor wordt men ook persoonlijk betrokken bij het verhaal. (Alfons Weisser, 1979)

  • Wanneer ligt de nadruk op het verleden?

Wanneer de evangelist van de lezers verwacht dat zij kennisnemen van de tekst als zakelijke informatie en zich tevreden stellen met het antwoord: Ja, dat heeft Jezus in die tijd gedaan.

Zo heeft men lange tijd de wonderverhalen van de Bijbel opgenomen. Zij golden als teksten die in de eerste plaats historische informatie willen geven over wat eens in het verleden ergens gebeurd is. De lezer reageerde hierop bijna uitsluitend met toestemming of afwijzing. Hoe ontoereikend zo'n manier van begrijpen is, kan een eenvoudige overweging duidelijk maken.

    • Marcus en Matteüs leveren verhalen over hetzelfde gebeuren, maar hun verhalen verschillen. Matteüs heeft wonderverhalen van Marcus bewust omgewerkt en dit niet uit historische belangstelling. Waarschijnlijk bedoelde hij heel iets anders dan louter historisch zakelijke informatie.
    • Hiervoor pleit nog een tweede feit: de historische gegevens in de wonderverhalen zijn volkomen ontoereikend. Wij horen bijna geen namen van personen en plaatsen, geen tijdsopgaven of nadere bijzonderheden over de juiste toedracht van de gebeurtenis. De visie op wonderen in de oudheid kan ook niet de vragen beantwoorden: waarom heeft Jezus zulke bijzondere dingen gedaan? En: waarom gebeuren die ook niet in deze tijd?
  • Wat als de nadruk ligt op het tegenwoordige en de toekomst?

Maar hoe zou het zijn, als de Bijbelse schrijvers met hun teksten in de eerste plaats helemaal niet over het verleden informatie wilden geven, maar vooral zicht wilden bieden op iets volkomen tegenwoordigs en toekomstigs. Hoe zou het zijn, als zij van de lezer niet alleen kennisneming en instemming verwachtten, maar persoonlijke inzet? Zicht geven op het heden en de toekomst, dat zou kunnen betekenen: inzien dat de tekst spreekt over Jezus, die niet alleen zieken genezen heeft, maar die als verrezen Heer leeft en ook nu nog heil brengt en er voor zal zorgen, dat eens alle leed geheeld wordt. Ik kan dan niet meer neutraal en zakelijk stelling nemen, maar ik moet mijn standpunt bepalen. Dan wordt een 'ja' of 'neen' geeist ten opzichte van een persoon en de verwachtingen die hij in mij wekt met betrekking tot mijzelf en de andere mensen. Er wordt mij gevraagd, hoe ik over mijzelf denk, over mijn toekomst en die van mijn medemensen, en hoe ik dienovereenkomstig hiermee mijn handelen en mijn houding bepaal. Kortom, er zou als reactie een groot engagement in het geloven worden verwacht; 'geengageerd' betekent dan: met inzet voor andere mensen en voor een betere toekomst.

Dat de teksten werkelijk deze tendens hebben, is voor het Nieuwe Testament in het algemeen zichtbaar door het feit, dat de evangelien en hiermee de wonderverhalen geschreven zijn vanuit het geloof in de verrezen Heer. Zij hebben tot doel, het appel van de historische Jezus over te brengen van het verleden naar het heden. Zij verkondigen Christus als degene die heil brengt in verleden, heden en toekomst. Zijn heilbrengende aanwezigheid wordt ervaren, waar mensen zich in geloof openen voor het woord van het evangelie, de gemeenschap met de levende Christus zoeken in de tekenen van zijn aanwezigheid (bv. in de eucharistie en de andere sacramenten) en zichzelf beschermend en zorgend in dienst stellen van menselijke behoeftigheid en nood.

Voor het Oude Testament geldt hetzelfde, maar met dit verschil, dat het heilshandelen van God nog niet zo definitief is als in het leven van Jezus. Israël heeft bv. de verhalen over de uittocht uit Egypte ook niet in de eerste plaats gelezen uit belangstelling voor het verleden. In de tijd van de Babylonische gevangenschap in de 6de eeuw v.Chr. horen de Judeeers in Babylon uit deze teksten Gods heilsbelofte voor hun eigen tijd: de bevrijding uit de nieuwe gevangenschap. Met de kleuren van de eerste exodus schildert men de nieuwe, hoopvol verwachte exodus, waarbij de eerste zelfs nog overtroffen wordt.

Als men in de teksten van het Oude en Nieuwe Testament dit appel ziet dat zo sterk gericht is naar heden en toekomst en de lezers helemaal daarbij betrekt, dan wordt de vraag of alles in het verleden wel precies zo gebeurd is, minder relevant. Dan komt meer de vraag of dit appel voor mij geldt en zo ja, of ik mij 'in dienst' laat nemen. Deze vraag is niet met de middelen en methodes van de geschiedeniswetenschap, dus niet historisch te beantwoorden. Zij kan alleen beantwoord worden, indien ik op het appel inga, er mijn handelen naar richt en zo 'ervaar' dat de boodschap werkdadig kan zijn.

2 C. De wonderverhalen in de Bijbel willen geen natuurwetenschappelijke uitspraken doen, maar getuigenis afleggen dat en hoe God heil brengt.

Het getuigenis van een Bijbels wonderverhaal kan nooit concurreren met wetenschappelijke inzichten. Geen enkel wonderverhaal van de Bijbel dwingt aan te nemen, dat er 'natuurwetten doorbroken' zijn. Doordat de interesse om de Bijbelse wonderteksten te vertellen niet zozeer in de nauwkeurigheid van deze gegevens ligt, vormen zij ook geen voldoende zeker argument voor de veronderstelling, dat iets 'tegen de natuur' is gebeurd. De Bijbel is er ook niet in geinteresseerd om op te lossen, of er eigenlijk wel iets 'tegen de natuur' kan gebeuren, maar zij wil er van getuigen dat God aan de mensen zijn heil schenkt. Het Nieuwe Testament antwoordt bijvoorbeeld niet op de vraag, of en hoe water plotseling in wijn kan veranderen; het zegt ook niet dat Jezus 'tegen de natuur' heeft gehandeld, maar het belijdt, dat Christus 'zijn heerlijkheid openbaarde' (Joh. 2,11). Maar dit is een heel ander soort uitspraak. Het is een getuigenis. Het veronderstelt de paaservaringen al en het geloof, dat in Christus aan de mensen werkelijk heil geschonken is. Johannes drukt deze werkelijkheid uit door het verhaal van de bruiloft te Kana. Het getuigt van de werkelijkheid en heeft een zin die onafhankelijk is van de vraag of hier iets 'tegen de natuur' is gebeurd.

Vraag 3

Wat is nu een wonder in de Bijbel?

3 A. Het gaat dus niet om het breken van natuurwetten.

In het Nieuwe en het Oude Testament heeft het begrip 'wonder' een brede, open betekenis. Het gaat er niet over 'natuurwetten' in de moderne betekenis van het woord en het doorbreken ervan. Het Bijbelse begrip 'wonder' valt niet samen met hoe een wonder in een bepaald soort theologie van de 19de en begin 20ste eeuw soms functioneerde: als een argument om te geloven. <31>

Sinds het opkomen van het denken van de nieuwe tijd, geraakte het wonder echter in het zog van de kritiek van de verlichting. De wereld moest wereldlijk verklaard worden, d.w.z. met respect voor zijn eigen wetten en het verloop van de dingen. Ten aanzien van deze paradigmawisseling probeerde de theologie het wonder te beschermen en definieerde het in de lijn van haar apologetisch verzet scherper. Zij definieerde het als 'gebeuren tegen de natuur'. God doorbreekt dus de natuurwetten. Hij grijpt van tijd tot tijd rechtstreeks in, in de oorzakelijke samenhang van de wereld, om zo zijn macht geloofwaardig te bewijzen.

3 B. Het gaat om het onverwachte dat verbazing wekt.

De Bijbel heeft het over het verbazingwekkende, over de teken-waarde, en niet over het op een bepaald moment doorbreken van natuurwetten. Voor de Bijbel is een wonder wat ongewoon, onverklaarbaar, ongrijpbaar, overweldigend is. Het is het onverwachte, wat doet schrikken, verbazing wekt, het alledaagse doorbreekt. Op die wijze wil God de mensen uit hun onverschilligheid halen en bewerken dat zij naar Hem opkijken.

3 C. Alle dankbare verwondering kan een 'wonder' zijn.

Wonderen kunnen ook te midden van het dagelijkse leven gebeuren: bijvoorbeeld in de ervaring dat God de scheppingsorde onophoudelijk draagt en bewaart (Ps. 136,4-9). Het wonder is alleen een bijzondere uiting van Gods voortdurend handelen aan de wereld. Voor de Bijbelse mens spreekt God voortdurend tot zijn volk: daarom kan elke gelukkige afloop, elke redding en zelfs de heerlijkheid van de schepping, als wonder worden ervaren.

In de wereld om Israël heen, werden sterren, leven- en doodbrengende krachten van de natuur, bronnen, rivieren en bomen als godheden beschouwd. Men vereert hen in een uitgebreide sterren- en vruchtbaarheidscultus, want van deze goddelijke machten hangen voor- en tegenspoed van de mensen af. Israël daarentegen vereert geen natuurgodheden en wanneer dit af en toe toch gebeurde, gold het als zondig. Het machtige werken van God ervaart Israël vooral in de leiding en bestiering van de menselijke geschiedenis. Israëls geloof in de machtige daden van JHWH komt tot uiting in de belijdenis dat God zowel voor ieder mensenleven, als voor het hele volk en voor zijn weg door de geschiedenis heen, zorg draagt. Het geloof van Israël, dat de zorg van JHWH zich niet alleen over de enkeling, maar over het hele volk uitstrekt, is heel duidelijk uitgesproken in de wonderverhalen die verbonden zijn met de uittocht uit Egypte, de tocht door de woestijn en de verovering van het nieuwe land: het brandende en toch niet verbrandende braambos (Ex. 3), de tien Egyptische plagen (Ex. 7-12), de doortocht door de Schelfzee (Ex. 14v.), de gave van manna en water (Ex. 16v.), de ineenstorting van de muren van Jericho (Joz. 6) en het 'stilstaan' van de zon gedurende de strijd bij Gibeon (Joz. 10). Deze wonderverhalen staan geheel in dienst van de gelovige kijk op geschiedenis. Door deze verhalen belijdt Israël: dat onze stammen bevrijd en verenigd in een vruchtbaar land wonen, hebben we tenslotte niet aan eigen prestatie of politiek te danken, maar aan Gods leiding en voorzienigheid. Uit deze gelovige verklaring van het verleden groeit bij het volk het vaste vertrouwen, dat God ook nu zijn volk bestuurt en in de toekomst heil zal geven. (Alfons Weiser, 1979)

3 D. Het wonder respecteert de autonomie van natuur en menselijke vrijheid.

Om het wezen van het wonder beter te verstaan, kan wat in de theologie gezegd wordt over het begrip 'genade', ook op de 'wonderen' toegepast worden.

  • Wanneer de mens door God begenadigd wordt, ontmoeten twee vrijheden elkaar - de vrijheid van God en de vrijheid van de mens. God grijpt nooit in zonder de vrijheid en de autonomie van de mens in de wereld te respecteren. Hij vervangt nooit wat een mens te doen staat door zijn eigen handelen. God plaatst zich niet met zijn vrijheid in de plaats van de menselijke vrijheid. De goddelijke genade doet nooit het handelen van de mens teniet, maar maakt het mogelijk en bouwt het op.
  • Tegelijk houdt de genadetheologie in het verlengde van de scheppingstheologie eraan vast dat God niet als 'binnenwereldlijke oorzaak' werkt. Dit betekent dat God niet rechtstreeks in de wereld ingrijpt en de wetmatigheden van de schepping omzeilt. God is wel voortdurend en onophoudelijk werkzaam. Waar God in de geschiedenis zijn werk doet, is dit helemaal en volledig Gods werk - maar tegelijk helemaal en volledig het werk van de mens.
  • Deze inzichten van de genadeleer kunnen wij nu op het wonder toepassen. Want als wij het wonder als deel zien van Gods voortdurend handelen in de wereld, dan kunnen en moeten wij ook gelovig zeggen dat God aan het werk is in wat aan mensen gebeurt, zonder dat God daarbij het doen van mens en natuurwetten uitschakelt. Elk wonder is immers tegelijk tevoorschijn halen wat mens en natuur vermogen. Natuurwetten worden dan niet doorbroken, maar op een hoger niveau getild. Het wonder verheft de natuur, het holt haar niet uit. Wanneer de 'natuurlijke' dimensies van het wonder ernstig genomen worden, wordt Gods handelen juist niet uitgesloten. God handelt steeds doorheen de autonomie van de wereld. Het wonder vernietigt niet de natuurlijke orde, maar brengt haar tot vervulling.

Deze kijk op het wonder heeft in elk geval het voordeel dat natuurwetenschappers niet van meet af aan elke mogelijkheid ontnomen wordt het theologische begrip 'wonder' voor mogelijk te houden. Want zij kunnen niet anders dan van natuurwetten spreken die - statistisch gezien tenminste - niet doorbroken worden. Hun wetenschappelijke vooronderstellingen en voorlopige beslissingen verplichten hen met een homogeen veld van fysische oorzakelijkheden rekening te houden. De theologie heeft in geen geval het recht hun dit uit het hoofd te praten.

3 E. Ze vinden alleen plaats als de mens 'gelooft'.

De autonomie van natuur en mens kan ernstig genomen worden. Bij de genezingswonderen van Jezus blijkt dit heel onmiddellijk: zij vinden alleen plaats, als de mens 'gelooft'. Jezus zegt tot de vrouw die aan bloedvloeiingen leed: 'Uw geloof heeft u gered; ga in vrede en wees genezen van uw kwaal'. (Mc. 5,34) Haar geloof heeft de vrouw dus haar gezondheid teruggeven. Het was het geloof in Jezus als de Redder. Maar het was haar geloof; en als zij dit geloof niet had opgebracht, dan zou zij niet van haar ziekte genezen zijn.

Hier stoten wij binnen de context van de wonderverhalen op een heel eigen opvatting over 'geloof'. Nergens anders in de oudheid komt zij voor. In de wonderverhalen uit de oudheid gaat het alleen hierom of de getuigen of diegenen aan wie zich het wonder voltrekt, zich al dan niet laten overtuigen van de feitelijkheid van het wonder. Hier daarentegen moet de zieke zelf geloven, anders zal hij niet genezen.

Zo vergaat het op veel plaatsen in de evangelies. Telkens weer is geloof in God vereist - in God, die nu in Jezus handelt. Hierbij is het om Gods scheppingsmacht te doen, maar het gaat evenzeer om Jezus, die bij het wonder Gods plaats inneemt. Als dit geloof niet aanwezig is, kan het wonder niet gebeuren. In Nazaret, zegt Marcus heel uitdrukkelijk, kon Jezus geen wonderen verrichten, omdat zij daar niet in Hem geloofden (Mc. 6,5-6). Jezus is dus elementair op geloof aangewezen, wil Hij een wonder kunnen verrichten. Zonder geloof gebeurt gewoon niets. Het valt ook op te merken dat Jezus altijd alleen afzonderlijke personen geneest. Hij heeft nooit groepsgenezingen laten plaatsvinden. Hieruit blijkt ook dat de doorbraak van Gods heerschappij geen massaspektakel is. Gods handelen is gebonden aan het geloof van een concrete mens. Gods heerschappij heeft een gelovige nodig, die zich in vrijheid voor haar openstelt. (Gerhard Lohfink, 2014)

Kortom, in de Bijbel zijn wonderen opvallende gebeurtenissen, die door gelovige mensen als teken van Gods heilshandelen worden verstaan.

Bij wonderen is de dimensie van het geloof iets wezenlijks. De vraag of 'natuurwetten doorbroken' worden, stelt de Bijbel evenmin als de omgeving. Zij kan die vraag helemaal niet stellen, omdat zij het moderne begrip 'natuurwet' niet kent. Anderzijds ziet zij alles wat gebeurt als verbandhoudend met Gods werkzaamheid en zorgende nabijheid. Wel zijn er meer en minder duidelijke tekenen van Gods werking. Het Bijbelse wondergeloof is niet aanwezig in de overtuiging dat 'bij God niets onmogelijk' is, maar het belijdt dat God het heil van de mensen wil, dat Hij het bewerken kan en tot definitieve voltooiing zal brengen. Daarvan zijn de wonderen een teken. (Alfons Weisser, 1979)

Vraag 4

Wat betekent het dat wonderen een 'teken' zijn?

4 A. Jezus verwijst naar zijn 'wonderwerken' als teken van zijn 'messias' zijn.

Daar wij met de wonderen van Jezus niet rechtstreeks in aanraking kunnen komen, maar alleen door middel van de getuigenissen uit het Nieuwe Testament, kijken we allereerst naar het getuigenis van de teksten zelf. Een tekst waarin Jezus op het wonderlijke karakter van zijn activiteit wijst, is zijn antwoord op de vraag van Johannes: 'Blinden zien en lammen lopen, melaatsen genezen en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd. Gelukkig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt'. (Mt. 11,5-6; Lc. 7,22-23). De tekst spreekt over het Rijk Gods als een werkelijkheid die nu aanbreekt.

Er wordt Jezus niet gevraagd, of Hij de 'messias', de 'Heer', de 'Mensenzoon' of de 'Zoon van God' is. Er wordt dus niet naar de titels en waardigheden gevraagd, die in andere, latere overleveringen van het Nieuwe Testament een rol spelen. Er is alleen sprake van Jezus als 'de Komende' en van zijn optreden dat de leerlingen van Johannes kunnen 'horen en zien'. Ook luidt het antwoord van Jezus niet in de geest van 'Ik ben de messias', of iets dergelijks. Jezus zegt niet eens: 'Ja, Ik ben de Komende', maar Hij verwijst alleen naar zijn werken. Het antwoord van Jezus verwijst naar zijn optreden dat men kan zien en naar de boodschap die men kan horen namelijk genezing van blinden, lammen, melaatsen, doven, opwekking van doden en de verkondiging van de heilsboodschap. De vraagsteller moet nu zelf een oordeel vormen. Jezus ontslaat hem er niet van, zelf een keuze te doen. Hier worden gezichtspunten duidelijk, die voor het hele wonderbegrip van het Nieuwe Testament van fundamentele betekenis zijn.

4 B. De wonderen van Jezus worden ook gezien als 'tekenen' van Gods heerschappij.

Een teken is er niet voor zichzelf, maar verwijst naar iets anders. In de zo-even behandelde tekst verwijzen de daden van Jezus als teken naar Hem. Johannes moet door die tekenen tot het inzicht komen, of Jezus de 'Komende' is. Maar tegelijk moeten ze er op wijzen, dat de heilstijd waarover Jesaja gesproken heeft en die het Jodendom sedert eeuwen verwachtte, in het optreden van Jezus aanbreekt. Met Hem begint de oude profetie en het vurig verlangen van Israël in vervulling te gaan, in zijn optreden in de geschiedenis breekt Gods heerschappij aan. Door Hem is eens en voor goed Gods heilsbelofte voor de mensen uitgesproken en in Jezus' heilbrengend optreden is de definitieve verwerkelijking van het menselijk heil door God begonnen. Zo'n zienswijze omtrent het wonder en de wonderdoener treft men nergens buiten het Nieuwe Testament aan.

Als teken verwijzen de wonderen echter niet alleen naar het feit, dat met de persoon van Jezus en met zijn optreden Gods heerschappij aanbreekt, maar ze laten ook zien van welke aard die heerschappij is: waar God zijn heerschappij uitoefent, wordt de mens 'heel'. Maar dit betekent niet alleen 'heel' in geestelijke zin bv. als vergeving van schuld. Jezus was niet alleen 'zielzorger'. Juist de genezingen laten zien hoe de hele mens, ook met zijn lichamelijkheid door Christus wordt aangenomen en 'heel' gemaakt. Dit betekent niet dat Jezus een soort wonderdokter of stichter van nieuwe geneesmethodes was.

4 C. Die tekenen zijn nauw verbonden met Jezus' boodschap.

Tot de leerlingen van de Doper zegt Jezus dat zij moeten melden wat zij horen en zien. Dan wijst Hij hen op zijn daden en de verkondiging van zijn heilsboodschap. De wonderen blijken in dienst te staan van de heilsverkondiging en dezelfde bedoeling te hebben als de prediking van Jezus. Zij roepen op tot bekering en geloof, d.w.z. zij roepen op om op God in te gaan, zoals Hij in Jezus de mensen tegemoet treedt. Zij richten juist die mensen op die in de wereld aan de kant staan: de lijdenden, zwakken, zieken, onbruikbaren, en zij laten zien dat er Een is, die heil kan geven en het ook wil. Met het nauwe verband tussen de wonderen en de boodschap van Jezus hebben de evangelien in hun uitbeelding steeds weer rekening gehouden: zij hebben woorden en daden van Jezus op zinvolle wijze op elkaar betrokken.

Zo volgen bv. bij Matteüs na de twee hoofdstukken van de bergrede (5-7), twee hoofdstukken over de wonderen (8-9). Bij Marcus worden de uitspraken 'de tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij' (1,15) en 'Hij onderrichtte hen als iemand die gezag bezit' (1,22) onmiddellijk bevestigd, doordat Jezus een duivel uitdrijft (1,23-28) en genezingen doet (1,29-34). Ook uit de opdracht aan de leerlingen: 'Geneest de zieken en zegt tot hen: het Rijk Gods is u nabij' (Lc. 10,9) blijkt het nauwe verband tussen werk en woord. Johannes verbindt de genezing van de lamme (hfdst. 5), de wonderbare spijziging (hfdst. 6), de genezing van de blinde (hfdst. 9) en de opwekking van Lazarus (hfdst. 11) telkens met een rede of een dialoog, waarin hij Jezus de diepere, alleen in geloof te begrijpen zin van die tekenen open laat leggen. Dit voert tot een tweede gezichtspunt: de wonderen als teken, eisen geloof.

4 D. En die tekenen vragen geloof.

De wonderen verwijzen naar iets, bewijzen doen ze niets. Ze hadden in de tijd van Jezus niet de zin van bewijzen, maar ze kunnen en willen ook in onze tijd, die een sterk natuurwetenschappelijk stempel draagt, geen dwingend bewijs zijn. In de geest van Jezus mag ik bv. niet als volgt argumenteren: Jezus doet dingen die volgens de ons bekende wetten en krachten van de natuur niet verklaarbaar zijn, ... dientengevolge is Hij de absolute, definitieve brenger van openbaring en bemiddelaar van heil, ja God in persoon - zo noodzakelijk en duidelijk als twee maal twee vier is. Ondanks hun getuigeniskracht vereisen de machtsdaden van Jezus zelf, evenzeer geloof als zijn woord over de aanbrekende Godsheerschappij, dat aan zijn daden voorafgaat en deze uitlegt.

Dit blijkt uit het tekenkarakter en ook uit de teksten van het evangelie: een teken vervult alleen dan zijn zin, wanneer het verstaan wordt. Maar niet elk teken wordt verstaan. Of men het verstaat en als hulpmiddel aanneemt, hangt ervan af, hoe duidelijk de verwijzing is en met welke vooropgezette mening men het beschouwt. Men kan zich door het teken laten leiden tot de bedoelde zaak of persoon. Men kan zich ook afsluiten, weigeren het teken te volgen. Beide houdingen troffen we aan tegenover Jezus en zijn wonderen. Sommigen zeggen: 'Door middel van de vorst der duivels drijft Hij de duivels uit' (Mc. 3,22); anderen zeggen: 'Heer, naar wie zouden we gaan, uw woorden zijn woorden van eeuwig leven' (Joh. 6,68). Beide groepen mensen waren getuige van de gebeurtenissen, maar de zin ervan ontsloot zich voor hen niet als dwingende noodzaak. Deze zin kon slechts in geloof, door in te gaan op Jezus, gevonden worden.

Beschouwen we de betrekking waarin geloof en wonder tot elkaar staan, dan treft ons in de eerste plaats het volgende feit: in vele gevallen wordt het geloof heel duidelijk als voorwaarde gesteld, opdat een wonder kan geschieden. Zo vertelt bv. Marcus: 'Daar Jezus in zijn eigen stad Nazaret geen geloof vond, kon Hij daar geen enkel wonder doen (Mc. 6,5).' Na vele genezingen zegt Jezus: 'Uw geloof heeft u genezen' (bv. Mc. 10,52; Lc. 17,19). In andere gevallen daarentegen voert het wonder pas tot geloof. Zo bv. in het verhaal van Matteüs over Jezus die loopt over het water (Mt.14,33).

Hoe moeten we dit verschil zien? Is het geloof voorwaarde voor het wonder of bewerkt het wonder het geloof? Een zin in het evangelie van Marcus draagt bij tot een oplossing: als Jezus de vader van een epileptische jongen oproept om te geloven, want dan kan zijn zoon geholpen worden, roept de vader: 'Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!' (Mc. 9,24). Hier wordt gezegd, waar het op aankomt: geloof is nooit kant-en-klaar, nooit af. Jezus verwachtte niet dat men in Hem Gods Zoon zag, om hulp te bieden. Hij vorderde alleen dat men zo op Hem inging, dat men zich open stelde om iets groots te kunnen ontvangen - uiteindelijk Gods definitieve heilswerk.

Jezus verwachtte een geloof dat zich door het teken vooruit laat brengen. Zijn tegenstanders hadden die openheid niet. Zij waren innerlijk verstard, ingekapseld in vooropgezette 'kant-en-klaar'-meningen. Voor hen waren de wonderen geen tekenen. Zij wilden bewijzen. Daarom zegt Jezus tot hen: 'In geen geval zal aan dit geslacht een teken gegeven worden' (Mc. 8,12). Natuurlijk kan men aan appel dat ligt in de woorden en wonderdaden van Jezus aanstoot nemen. De oorzaak is gelegen in het teken-karakter van de wonderen, in hun niet strikte bewijsbaarheid en in het feit dat men ze alleen in geloof kan benaderen. Dat er aanstoot wordt genomen, zegt Jezus aan het einde van zijn antwoord aan de Doper: 'Gelukkig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt' (Mt. 11,6).

Vraag 5

Waardoor onderscheiden Jezus' wonderen zich van alle buitenbijbelse wonderen?

5 A. Jezus is niet met magische praktijken te werk gegaan.

Jezus heeft geen amulet of abracadabra gebruikt. Ook zijn bevelen tot de demonen hadden niets met magie van doen. Jezus vaart op gebiedende toon tegen de demonen uit, precies zoals God volgens de Psalmen op gebiedende toon tegen de goddeloze machten uitvaart. Zelfs wanneer Hij zijn vinger in de oren van de dove steekt of bij de blinde speeksel gebruikt, neemt Hij niet zijn toevlucht tot magische praktijken, maar Hij bedient zich van de therapeutische middelen van zijn tijd. Overigens blijkt uit deze gevallen bijzonder duidelijk dat Hij rekening houdt met de hulp van de natuur.

Opvallend aan Jezus' wonderen is ook dat ze zo snel gebeuren. Nooit is er sprake van lange procedures - procedures die voor veel medicijnmannen, sjamanen en genezers zo kenmerkend zijn. We zullen er wel moeten van uitgaan dat de wonderverhalen uit de evangelies vaak een versnelde weergave en ook altijd weer verdichtingen van complexe processen zijn. Nochtans springt het 'meteen' bij de meeste van deze verhalen in het oog. De ooggetuigen spreken ontroerd en diep aangegrepen over Jezus' macht, ja, over zijn gezag.

5 B. Jezus stelt telkens het geloof voorop.

In buitenbijbelse wonderverhalen komen zulke geloofseisen niet voor. De antieke wereld kent zelfs niet eens het begrip geloof, in elk geval niet geloof zoals de Bijbel dit opvat. Het geloof dat Jezus vraagt, is meer dan het zich toevertrouwen van een zieke aan zijn therapeut. Geloof betekent in de Bijbel erop vertrouwen dat Gods beloften tot vervulling komen, dat God vandaag handelt en dat wij er ons mogen op toevertrouwen dat God voor zijn volk handelt. Ook hier situeert zich alweer een groot onderscheid tussen geloof en magie.

5 C. Bij Jezus' wonderen gaat het altijd over de anderen, nooit over Hemzelf.
1. Wanneer Jezus een wonder verricht, dan is dit enkel en alleen een zich toewenden tot de mens in nood. Nooit heeft Jezus zichzelf geholpen.

Interessant om weten is dat men later ook van christelijke zijde in de apocriefe kindsheidevangelies en in romans over de handelingen van de apostelen, zich helemaal niet geremd wist om wonderen te vertellen waarbij Jezus en de apostelen zichzelf hielpen. Dat de canonieke evangelies van iets dergelijks gevrijwaard gebleven zijn, laat zien dat hier iets specifieks over Jezus bewaard gebleven is. In de oudheid en ook in het Jodendom was het blijkbaar evident van een groot wonderdoener te verwachten dat hij ook aan zichzelf een wonder verrichtte. Volgens Marcus bespotten de omstanders Jezus bij zijn terechtstelling: 'Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf redden kan Hij niet; laat die messias, die koning van Israël, nu van het kruis afkomen. Als we dat zien, zullen we geloven! (Mc. 75,37-32) De gedachte dat de messias of de heiland zichzelf moet bewijzen en wel door een specifiek wonder waaruit zijn macht en legitimatie blijkt, was een algemeen verspreide opvatting.

2. Jezus gebruikt geen wonderen om zichzelf te bewijzen.

Ook aan Jezus werd gevraagd zichzelf te bewijzen: 'Om Jezus op de proef te stellen, verlangden de farizeeen van Hem een teken uit de hemel' (Mc. 8,11-15). Maar Jezus slaakte een diepe zucht en zei: 'Waarom verlangt uw soort mensen een teken? Ik verzeker u: aan mensen als u zal zeker geen teken gegeven worden!' Hij liet hen staan waar ze stonden.

Voor Jezus behoort tot het wonder de dimensie van het geloof. Hij verlangt geloof, opdat een wonder uberhaupt zou kunnen gebeuren en Hij stelt voorop dat het gebeurde wonder een verdiept geloof en ommekeer tot gevolg heeft.

Hij moet opgemerkt hebben dat de tekenen die van Hem als pure legitimatie verlangd worden, met het verlangen naar een groter geloof niets van doen hebben. Daarom wees Hij het af ze door God te laten legitimeren; dit is wat in Marcus 8,11 met het 'teken uit de hemel' wordt bedoeld. Hij weigert elk wonder als legitimatiebewijs en als spektakel. Voor Hem zijn dit blijkbaar goddeloze ensceneringen. Jezus heeft dus de heilsdaden die Hij verrichtte niet als geisoleerde legitimatiewonderen aangezien.

5 D. Jezus' wonderen zijn 'tekenen' van de doorbraak van Gods heerschappij en zijn het begin van de nieuwe wereld die God schenkt.
1. God zelf heeft door Jezus gehandeld. Want 'God heeft zich om zijn volk bekommerd.' Wonderen zijn tekenen van de vervulling van de oudtestamentische beloften.

Hiermee citeert Lucas uit de lofzang van Zacharias: 'Geprezen zij de Heer, de God van Israël, Hij heeft zich om zijn volk bekommerd en het verlost. Een reddende kracht heeft Hij voor ons opgewekt uit het huis van David, zijn dienaar, zoals Hij van oudsher heeft beloofd bij monde van zijn heilige profeten (Lc. 1,68-70). God heeft aan Israël, aan zijn volk gehandeld. Deze theologische verklaring van deze gebeurtenis is adembenemend. Zij is allesbehalve vanzelfsprekend. Wat bv. het kleine stadje Naan overkomen is, wat die afzonderlijke weduwe overkomen is, wordt op heel Israël betrokken. Het wonderverhaal opent onze blik voor een lange geschiedenis van beloften en van Gods grote daden aan Israël. Daarom is Jezus' ontferming over de weduwe niet louter menselijk medelijden, maar de weerspiegeling van Gods barmhartigheid jegens zijn volk (Lc. 1,54.72). Vandaar dat de getuigen van het wonder door ontzag gegrepen worden, wat uitmondt in een lofprijzing van God. De machtsdaad aan de jongeman van Naan maakt dus deel uit van een lange geschiedenis - de geschiedenis van Gods machtsdaden aan het volk dat Hem toebehoort. De wonderen gebeuren aan Israël en maken deel uit van een lange reddingsgeschiedenis. Zonder dit verwijzende kader kunnen wij Jezus' wonderen niet begrijpen. Dit 'verwijzen' is de kern van zijn machtsdaden.

2. Zijn wonderen verwijzen naar Gods heerschappij die nu doorbreekt.

Jezus' wonderen vinden hun oorsprong en hun doel niet bij zijn eigen noden, maar in een noodsituatie die overal op Hem afkomt. Zij zijn tekenen van de doorbraak van Gods heerschappij. Ze hebben het karakter van een definitieve heilsbelofte en het begin van haar verwerkelijking. Zij verwijzen naar de herschepping van het Godsvolk dat aan het gebeuren is. Zij staan in dienst van het bijeenbrengen van Israël en in hen licht de komende wereld al op. In elk wonder van Jezus laat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zich al een stuk zien. Zonder deze verwijzing bestaan er geen wonderen in christelijke zin.

Het is dan ook geen toeval dat Jezus' wonderen in de theologische taal van de evangelies niet alleen 'machtsdaden', maar ook 'tekenen' genoemd worden. Het buitengewone, het wonderbare alleen maakt van Jezus' wonderen nog geen wonderen. In het Nieuwe Testament is de verwijzing naar de doorbraak van Gods heerschappij en de eindtijdelijke herschepping van Israël bij elk wonder een gegevenheid. De wonderdoener gelooft in die tekenwaarde en ook diegene aan wie het wonder gebeurt.

Jezus' wonderen worden overduidelijk binnen de context van de nu komende heerschappij van God verricht, die natuurlijk, dit mogen wij niet over het hoofd zien, tegelijk openbaring is van God als Heer van de schepping. Met de komst van Gods heerschappij krijgt de schepping de glans terug die door God bij haar ontstaan in haar gelegd was. Dat alles maakt dat Jezus' genezingswonderen tegen de horizon van de heidense godsdienstgeschiedenis uniek zijn. Jezus' heilsdaden overwinnen elke magie en verlossen en bevrijden.

Vraag 6

Wat is het grote verschil tussen wonderen in het Oude en het Nieuwe Testament?
6 A. In het Nieuwe Testament spelen ze over het geheel genomen een grotere rol.

In verhouding tot de periode van bijna 2000 jaar Israëlitische geschiedenis die verhaald wordt en tot het grote aantal boeken nemen de wonderverhalen in het Oude Testament maar een opvallend kleine plaats in. We vinden in het Nieuwe Testament meer teksten over genezingen, dodenopwekkingen, zogenaamde 'natuurwonderen', wijn- en broodwonderen, stillen van de storm, lopen over het water, rijke visvangst, verdorren van een vijgeboom en bovendien de vele bijkomende wonderen: de gebeurtenissen in verband met ontvangenis, geboorte, doop, verheerlijking, dood, verrijzenis en hemelvaart van Jezus. Speciaal valt op dat duiveluitdrijvingen - in tegenstelling tot het Oude Testament - een centrale plaats hebben in het optreden van Jezus.

6 B. De wonderverhalen in het Nieuwe Testament dienen gezien te worden tegen de achtergrond van het Oude Testament.

De schrijvers van het Oude en het Nieuwe Testament hebben hetzelfde wereldbeeld, dezelfde gelovige kijk op de geschiedenis. Soortgelijke en gedeeltelijk zelfs dezelfde wonderen als de evangelien verhalen ook al de oudtestamentische overleveringen. Bovendien zien we hoe nauw de betrekking is tussen opbouw en getuigenis van de nieuwtestamentische wonderverhalen en de teksten van het Oude Testament.

6 C. Gods handelen tot heil van de mensen wordt definitief duidelijk in Jezus' leven en wonderen.

Vanuit de beschouwing van de gelovige christen krijgen de wonderen van het Nieuwe Testament nog een heel bijzondere karaktertrek tegenover het Oude Testament. En dit is wel het diepste onderscheid tussen de wonderen van het Nieuwe Testament en die van de oudheid in de omringende landen: Gods handelen tot heil van de mensen, zoals het in Jezus' leven en wonderen duidelijk wordt, is beslissend. Het leven, de dood en de verrijzenis van Jezus Christus tonen duidelijk: Gods 'Ja' tegenover de mens. Zijn voltooiing is definitief en onherroepelijk. De beslissende overwinning van alle bedreigende machten, waarvoor Jezus' optreden een teken was, is reeds gebeurd. Deze betekenis van de wonderen heeft alleen het Nieuwe Testament.

Vraag 7

Hoe kunnen we vandaag spreken over wonderen?

7 A. Het spreken over wonderen is in de loop der tijden sterk geevolueerd.

In de loop der tijden evolueert het spreken over wonderen sterk. En hier ligt een probleem. Eeuwen lang behoren wonderen tot het leven. Men 'verwondert' zich erover dat de regen uit de hemel valt, 's morgens de zon opgaat, de seizoenen elkaar opvolgen. Ook een genezing ervaart men vlug als een wonder. Omdat men van de natuur bijna niets begrijpt, zoekt men God achter alles wat men niet kan verklaren.

En dat is het kwetsbare van deze oude zienswijze. Want sinds de opkomst van de moderne wetenschap in de 17de eeuw, begrijpt men steeds beter hoe de natuur in elkaar zit. Zijn er dan sindsdien minder wonderen? Vandaag kan men een aantal wonderen uit de Bijbel verklaren. Zijn die dan niet langer een wonder? Dat zijn nieuwe vragen! We proberen de werkelijkheid te begrijpen binnen een totaal nieuwe horizon. De nieuwe natuurwetenschap verandert fundamenteel de manier waarop we de werkelijkheid waarnemen. Tal van gebeurtenissen in de natuur worden begrijpelijk. Velen leven zelfs in de euforie dat de natuurwetenschap ooit de totale werkelijkheid zal verklaren. Maar zo gaat men, verblind door de successen van de nieuwe natuurkunde, onbewust heel de werkelijkheid reduceren tot wat men met natuurkundige methodes kan bestuderen. Wat de natuurkunde niet in kaart brengt, gaat men ervaren als een illusie. Het bestaat gewoon niet.

De fundamenteel nieuwe visie van de moderne wetenschap op de natuur heeft een grote weerslag op ons denken over genezingswonderen, tot op vandaag. En het is er niet gemakkelijker op geworden! Heel wat gelovigen blijven Gods reddende nabijheid zoeken in het natuurwetenschappelijk onverklaarbare. Ze beseffen echter niet dat zij daardoor op hun beurt de werkelijkheid reduceren tot wat de natuurkunde waarneemt en verklaart. Feitelijk delen ze

volg ons

over deze blog

Deze blog gaat op zoek naar de betekenis van Bijbelteksten.

In onze artikels wijzen we vaak de weg naar meer informatie die te vinden is in het Bijbelhuis.

Hier leest u ook artikels over onze bijzondere programmatie of evenementen.

Breng deze pagina regelmatig een bezoekje. Je vindt hier geregeld nieuwe teksten.

Jean Bastiaens, directeur van Bijbelhuis Zevenkerken.