Vragen en antwoorden bij het Marcusevangelie

Christus en de apostelen

 

Vraag 1

Waarom zouden we het Marcusevangelie lezen? 

 

1.A. Omdat het Marcusevangelie veel rijker is dan het aanvankelijk lijkt. 

1. Dit schijnbaar pretentieloze evangelie blijkt een meeslepend en diepzinnig verhaal te zijn.

Dit geheim betreft eerst de literaire vormgeving van het boek. Bij een eerste kennismaking lijkt het een curieuze verzameling losse anekdoten en spreuken omtrent Jezus van Nazaret. Aandachtige lezing ontdekt een zorgvuldig gecomponeerd verhaal met een goed geordende, spannende ontwikkeling. Raadselachtige paradoxen zorgen voor onverwachte diepgang. De toegepaste ironie laat de lezers aan het slot buiten adem en licht verbijsterd achter. Hier is een meesterverteller aan het werk, die zijn lezers doelbewust meeneemt naar een galgenveld waar ze eigenlijk niet willen zijn, en die hen door het open einde van zijn boek interactief laat meespelen in de ontknoping ervan.

 

2. Het onthult het geheim van Jezus als de gekruisigde dienaar van mensen.

Dit geheim betreft vervolgens Jezus’ ware identiteit. Het Marcusevangelie staat al lang bekend als het evangelie van het zogenoemde messiasgeheim. En inderdaad, in de loop van het verhaal wordt geleidelijk Jezus' ware identiteit als messias en Zoon van God onthuld. Al in de titel van het boek wordt Jezus messias en Zoon van God genoemd. Het verrassende is dat deze veelbelovende titels gaandeweg van alle macht en aanzien worden ontdaan. Uiteindelijk blijken ze te worden toegekend aan een totaal ontluisterde gekruisigde, die zijn leven gegeven heeft om anderen te redden. Alleen wie kijkt met de maatstaf van de dienst, ontdekt diens ware grootheid. Een man uit Galilea die als godslasteraar is veroordeeld en terechtgesteld, blijkt Zoon van God te zijn. Dat is het messiasgeheim dat Marcus voor zijn lezers onthult en toegankelijk maakt.

 

3. God onthult zich als een nabije en solidaire God die oproept tot dienst.

Daaronder steekt het geheim van God. Achter het messiasgeheim ligt een nog dieper geheim verscholen, dat eveneens gaandeweg wordt onthuld: het geheim van God. Marcus begint en eindigt zijn verhaal met God, hoewel hij Hem niet expliciet noemt. Aan het begin komt een stem uit de hemel die Jezus als Zoon van God installeert en uitzendt. In het midden klinkt een stem uit een wolk die Jezus, op weg naar zijn verwerping en executie, als Zoon van God bevestigt. Aan het einde is er een hemelse gezant met de boodschap dat Jezus, de gekruisigde man uit Nazaret, werd opgewekt van de dood. Tijdens zijn optreden opent de Zoon een nieuwe weg: Hij geeft zijn leven om anderen te redden en verkondigt dat de grootste is degene die dient. Dit zegt iets over God, in wiens naam Hij optreedt en door wiens geest Hij wordt geleid en bezield. Die God manifesteert zich niet als een heerser die zijn macht over de mensen laat gelden. Hij blijft integendeel solidair met mensen zonder naam en faam, met de armen, de zieken en de geringen. Hij is kwetsbaar, wordt miskend en afgewezen. Het is raadselachtig en verontrustend op hoeveel verzet Hij stuit. Zijn Zoon wordt als een godslasteraar veroordeeld en vermoord. Dat Jezus uiteindelijk wordt opgewekt uit de dood, betekent niet dat God zich voortaan openbaart met macht en majesteit, en kwaad en onrecht bestrijdt met geweld. In de opstanding bevestigt Hij de weg van Jezus, die getuigt van zijn solidariteit met de zwakken en rechtelozen. Die weg blijft onverkort geldig. Zo lijkt de maatstaf dat de grootste is degene die dient, ook te gelden voor God.

 

Zo onthult het een drievoudig geheim (Joop Smit, 2011).

1.B. Omdat in het Marcusevangelie veel vragen worden gesteld waar wij mee zitten.

  • In het ontdekken wie Jezus is en wat Hij voor mensen (leerlingen in meerdere betekenissen van het woord) kan betekenen, is het Marcusevangelie een goede invalshoek omdat daar juist de vragen worden gesteld waarmee (jonge) mensen zitten aangaande Jezus. In dit evangelie spelen de talrijke vragen (meer dan 100) een belangrijke rol. Het zijn vragen van 'de menigte' (de mensen die Jezus bezig zien en horen), van zijn tegenstanders, van zijn leerlingen en van Jezus zelf. De meeste vragen hebben betrekking op de identiteit van Jezus. ‘Wie is toch deze man?’ Vaak zijn het vragen die ook bij de lezer opkomen. Ze brengen dynamiek in het verhaal. Ze stimuleren de lezer om verder te lezen tot hij het antwoord krijgt.
  • Op een belangrijk moment in het verhaal – halfweg het evangelie - vraagt Jezus dan zelf aan zijn leerlingen wat de mensen over Hem zeggen. Hij krijgt uiteenlopende antwoorden. Dan vraagt Hij hen op de man af: ‘Wie ben Ik volgens jullie?’ – ‘De messias’, antwoordt Petrus zonder aarzelen (8,29). Maar uit het vervolg blijkt dat hij niet goed begrijpt wat hij heeft gezegd. En bij de lezer moet hier de vraag opkomen waarom Jezus zijn leerlingen streng verbiedt daar met iemand over te spreken. Marcus heeft met zijn evangelie inderdaad meer op het oog dan het louter navertellen van het leven van Jezus. Hij wil ermee aantonen wie Jezus is: de messias (eerste deel: 1,1-8,30), maar vooral wat voor een messias die Jezus is (tweede deel: 8,31-16,8). (Jan Lambrecht, 1981)

 

1.C. Omdat Marcus in zijn evangelie zelf actualiseert.

Marcus heeft actuele toestanden van zijn tijd op het oog.

Het zou verkeerd zijn te denken dat Marcus de bedoeling had voorbije gebeurtenissen zo nauwkeurig mogelijk te vertellen. Bij het redigeren van zijn evangelie gebruikte hij traditiemateriaal over Jezus om zijn toenmalige (actuele) lezers te leren en aan te sporen. Want het probleem van Petrus is ook het hunne. Het onbegrip van de leerlingen, hun verkeerd begrijpen en reageren, dit alles is ook hun situatie. Marcus is bijgevolg een auteur die actualiseert. Zijn verhaal heeft een dubbele bodem. Veel woorden, gebeurtenissen en personen uit het Marcusevangelie hebben zonder twijfel een dubbele laag. Marcus bedoelt - door de verhalen uit Jezus’ leven - actuele toestanden te benaderen. De geschiedenis van Jezus is een spiegel voor Marcus’ tijd. Met behulp van zijn verhaal over Jezus moedigt en spoort hij zijn medegelovigen en tijdgenoten aan. Hij waarschuwt en toont de juiste weg. Beide polen, verleden en heden, moeten vastgehouden worden. Marcus speelt zo op twee klavieren. (Jan Lambrecht, 1981)

 

  • Lege formules van toen en nu vragen actualisatie in daden.

‘En Jezus waarschuwde hen tegen niemand dat over Hem te zeggen’ (8,30). Ook het spreekverbod blijft actueel voor de mensen uit Marcus’ tijd en voor onze leerlingen en tijdgenoten nu. Omdat de christelijke titel ‘messias’ of ‘Christus’ verbleekt en afgesleten is door het veelvuldig gebruik. De titel is op zichzelf wel juist, maar hij is veel te veel nietszeggend geworden. Omdat hij reeds toen, rond 70 na Christus, afgesleten, vaag en leeg was geworden, bestond het gevaar dat de christenen van Marcus’ tijd hem met een verkeerde inhoud vullen. Het heeft soms weinig zin, zo oordeelt Marcus, te blijven zeggen dat Jezus de Christus is. Deze belijdenis is juist, maar zonder inhoudelijke vulling wordt ze te nietszeggend en bovendien vatbaar voor een verkeerde, oppervlakkige en triomfalistische interpretatie.

Marcus weet dat zijn lezers, net zoals Petrus, protest aantekenen tegen Jezus’lijdensnoodzaak. Maar met een Jezuswoord veroordeelt hij dit protest als duivels en goddeloos. Om dit oordeel te ontkomen en werkelijk christen te blijven en achter Jezus aan te gaan, zijn woorden (een correcte belijdenis) onvoldoende. Wat er nodig is, zegt Marcus, zijn daden van werkelijke navolging, zelfverloochening en kruisdraging. Op deze wijze commentarieert Marcus, vanuit de concrete actuele situatie van zijn kerkgemeenschap, de overgeleverde correcte maar verbleekte Christustitel. Ook in de hevige reactie van Petrus op Jezus’ lijdensvoorspelling (zie 8,32) heeft Marcus dus actuele reacties van zijn medechristenen gegoten. Het zwijggebod van Jezus is in deze uitleg dus geen bevel door Jezus veertig jaar geleden werkelijk en woordelijk gesproken. Neen, het komt van de evangelist die pastoraal bezorgd is om de kwaliteit van het geloof van zijn medemensen. En die Marcus drukt zijn tijdgenoten op het hart: houd op met het herhalen van formules als ‘Gij zijt de Christus’, hoe onberispelijk juist ze ook mogen zijn. Besef liever wát voor een Christus die Jezus was. Hij was Christus op de wijze van een lijdende, stervende en verrijzende Mensenzoon! (Jan Lambrecht, 1981)

 

1.D. Omdat je in dit evangelie Jezus beter leert kennen.

Marcus ontwikkelt een strategie om de lezer te laten nadenken over wie Jezus is: een driehoek van herkenning tussen Jezus, de leerlingen en de lezers. Lezers en leerlingen stappen hand in hand door het evangelie.

Aanvankelijk is de lezer door de proloog beter geïnformeerd over Jezus dan de leerlingen. Hij kan dan niet anders dan gaandeweg besluiten dat de leerlingen niet erkennen dat Jezus de messias en Zoon van God is. Terwijl de lezer aanvankelijk sympathie voelde voor de leerlingen, is diezelfde lezer nu afstand aan het nemen van de leerlingen omdat ze niet consistent zijn in hun houding tegenover Jezus. De lezer is in de veronderstelling dat hij het antwoord op die vraag wel zou kunnen geven. De lezer zal zich dan de vraag wel moeten stellen waarom de leerlingen Jezus niet herkennen. Wat moesten ze dan wel herkennen? Het onbegrip heeft alles te maken met de identiteit van Jezus.

Het effect van de harde woorden over het onbegrip van de leerlingen is bedoeld voor de lezer. De leerlingen mogen van de verteller nog niet inzien en zeggen dat Jezus de messias is, omdat hij vreest dat de lezer op basis van gedeeltelijke informatie een verkeerd beeld over Jezus zou krijgen. De leerlingen die Jezus van nabij hebben gevolgd, de verkondiging over het Rijk Gods hebben gehoord en grootse wonderen hebben meegemaakt, zijn niet in staat om te zien dat Jezus de messias is. Dan is de lezer, die wél op de hoogte is van deze identiteit, verplicht om zichzelf te bevragen of hij op een correcte manier weet te interpreteren wat Marcus bedoelt met 'Jezus de messias'. Geert Van Oyen heeft dat mooi uitgewerkt. (Geert Van Oyen, 2005)

 

Zoals het leerplan voorstelt, kan je door het lezen van Mc. 1,21-45 een ‘dag uit het leven van Jezus in Kafarnaüm meemaken en zo Jezus beter en op een toegankelijke manier kennen. Je ziet waar Hij verblijf houdt, wat Hij allemaal zegt en doet en waarvan Hij leeft. Dit alles wordt verder uitgewerkt in vraag 4.

1.E. Omdat de lezer in dit evangelie leert wat Jezus navolgen betekent.

Marcus zegt door zijn redactie heen tegen zijn lezers (tijdgenoten, medechristenen): Jezus Christus kan men alleen maar goed begrijpen wanneer Hij gezien wordt als de Mensenzoon die moest lijden, sterven en daarna verrijzen. Zo moeten de christenen hun Christusbeeld concretiseren. En wat betekent dat voor de moderne hedendaagse lezer? Kan hij als christen deze teksten nog beluisteren als een persoonlijke oproep? Wat houdt het in volgeling van Jezus te zijn in deze tijd? ‘Als iemand achter Mij aan wil komen, laat hij dan zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen’ (8,34). De volgeling verliest zijn leven omwille van Jezus en het evangelie en paradoxaal redt hij het op deze wijze (vgl. 8,35). Hij mag zich ten overstaan van de mensen niet schamen over de Mensenzoon en zijn woorden (vgl. 8,38). Dat zijn woorden van actuele, radicale navolging voor christenen nu.

Ieder christen van welke tijd of cultuur dan ook blijft opgeroepen tot een veeleisende navolging. Een echte volgeling van Jezus, thuis, op het werk, op school, op de parochie, in de jeugdbeweging of op reis, zal onvermijdelijk bij de mensen verbazing wekken en vragen doen ontstaan. Hij zal getuigen en, zo voorspelt ons het evangelie, hij zal botsen op ongeloof, onbegrip, onwil en aanstoot bij anderen. En dit hoewel die christen zelf goed beseft en pijnlijk ervaart dat zijn navolging nog aarzelend, onvolmaakt en kwetsbaar is. (Jan Lambrecht, 1981)

 

Dit wordt verder uitgewerkt in vraag 5.

1.F. Omdat er in de leerplannen veel aandacht gaat naar het Marcusevangelie.

In de eerste graad gaat het in het eerste jaar over de betekenis van (Bijbel)verhalen. Verhalen die ons leren vertrouwen en ons doen nadenken over het leven. De vraag wordt gesteld wat verhalen doen met mensen. Aandacht gaat uit naar Jezus als verteller van verhalen, als een man die spreekt in parabels. (1B Verhalen p. 69; 1A Tijd p. 88; 1A Verhalen p. 88)

In de tweede graad wordt in het derde jaar de nadruk gelegd op de rol die (Bijbel)verhalen spelen bij de eigen identiteitsvorming (Wie ben ik?) (3ASO Jezelf worden  p. 104) en bij de ontplooiing van gelovigen en geloofsgemeenschappen (3ASO Bronnen van leven p. 106; 3TSO Bronnen van leven p. 159). Langs het omgaan met Bijbelverhalen kom je op het spoor waar mensen van leven. Waar over kiezen (Waaruit leef ik? Waarvoor ga ik?) wordt gesproken, kunnen roepings- en bekeringsverhalen worden genomen (3ASO Kiezen p. 108-109; 3BSO Identiteit p. 132). Ook daarvoor kunnen wij in het Marcusevangelie terecht. Daar staat immers centraal dat echte vrijheid het zich binden in liefde is.

In de derde graad wordt in het zesde jaar gevraagd het karakteristieke van het leven als christen te verwoorden vanuit het Marcusevangelie (6ASO Leven als christen p. 122 (Wie zeggen jullie dat Ik ben?); Vragen over en aan Jezus; De weg die Jezus gaat (Wie is Jezus?); Geloven als engagement (Wat is geloven?). Doorheen het Marcusevangelie kan men een rijke kern van zingeving aangeven (6BSO Kijk op leven p. 150) (Wat geeft zin aan leven?). Daar kan het Marcusevangelie benaderd worden in kleinere stukken vanuit de opdracht: welke vragen worden gesteld door en aan Jezus (wenken p. 14). Ook daar wordt aandacht gevraagd voor roepings- en bekeringsverhalen.

In het zevende jaar wordt aandacht gevraagd voor Bijbelverhalen als spiegel voor mensen, op zoek naar zichzelf, en binnen een evangelie op zoek naar Jezus' persoonlijke weerbaarheid: (Mc. 8,31-37; 9,33-41; 10,35-45) (wenken p. 19); 7de jaar Groeien naar persoonlijk engagement p. 189; 7de jaar Beginnend levensbeschouwelijk engagement p. 195.

Verder worden - in de inleiding van het leerplan - de leerlingen van de drie graden uitgenodigd Jezus beter te leren kennen door stil te staan bij volgende verzen uit het Marcusevangelie (leerplan p. 21):

  • Mc. 3,35: 'Want wie de wil doet van God, die is mijn broer en mijn zuster en mijn moeder.';
  • Mc. 6,31: 'Ga nu mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en wat uit te rusten.';
  • Mc. 8,33: 'Weg daar, achter Mij, satan, want jouw gedachten zijn niet Gods gedachten, maar die van mensen.';
  • Mc. 8,34: 'Als iemand achter Mij aan wil komen, laat hij dan met zichzelf breken, zijn kruis opnemen en Mij volgen.';
  • Mc. 8,35: 'Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen en wie zijn leven verliest vanwege Mij en de goede boodschap, zal het redden.';
  • Mc. 9,35: 'Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen zijn en de dienaar van allen.';
  • Mc. 10,21: 'Aan één ding ontbreekt het u nog: ga verkopen wat u hebt en geef het aan de armen, en u zult een schat hebben in de hemel. Kom dan terug om Mij te volgen.';
  • Mc. 10,43-45: 'Wie daarentegen groot wil worden onder jullie, moet jullie dienaar zijn; wie onder jullie de eerste wil zijn, moet slaaf van allen zijn. Want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.';
  • Mc. 12,17: 'Geef aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is.';
  • Mc. 12,28-34: '... U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw verstand en met heel uw kracht ... u zult uw naaste liefhebben als uzelf.' (het dubbelgebod van de liefde)

Verder nodigt het Marcusevangelie ons ook uit stil te staan bij ‘Een dag uit het leven van Jezus’ Mc. 1, 21-39 (1A Tijd p. 85). Op p. 3 van de wenken wordt aangegeven dat het hier gaat om de vraag: ‘Waar is het Jezus om te doen en tot welk concreet handelen leidde dit en wat betekende dit voor zijn tijdsbesteding?’. Dit wordt uitgewerkt in vraag 4.

  • In de leerplannen wordt gepleit voor een narratieve benadering van grotere gehelen.

  • En het Marcusevangelie is zo’n groot verhaal.

 

 

Vraag 2

Wat is de concrete aanleiding geweest van het ontstaan van dit evangelie?

2.A. Het Marcusevangelie is het oudste evangelie.

Volgens de klassieke en meest aanvaarde bronnentheorie, is het Marcusevangelie het oudste evangelie. We mogen echter nooit uit het oog verliezen dat er tussen de dood en opstanding van Jezus en het Marcusevangelie in zijn huidige vorm minstens 40 jaren voorbij zijn gegaan. In die tussenperiode is er uiteraard veel gebeurd op vlak van mondelinge en daarna schriftelijke overlevering. De bron Q kent geen passieverhaal, en toch moet juist dit verhaal ook heel oud zijn. Wanneer is er een eerste vorm van het passieverhaal schriftelijk gaan circuleren? Of is Marcus degene geweest die het eerst op deze manier vorm gegeven heeft aan het ‘evangelie’?  

 

2.B. Het is geschreven in Rome voor heiden-christenen.


Dit evangelie is geschreven buiten Palestina, en wel in de stad Rome, het centrum van de imperiale Romeinse macht. De latinismen in het Marcusevangelie zouden dat ondersteunen. In Rome moet reeds in een vroeg stadium een Jezusgemeente zijn ontstaan, getuige de brief die Paulus aan deze gemeente schrijft. Men vermoedt dat het geloof in Jezus als de messias zich verspreid heeft via soldaten, handelaars en slaven. Er was bovendien een heel netwerk van christenen die met elkaar in contact stonden. De gemeente in Rome had al veel moeilijkheden overwonnen, onder andere door de verdrijving van de Joden op bevel van keizer Claudius in de tweede helft van de jaren veertig. Door het wegvallen van de joodse Jezusgelovigen hebben heiden-christenen het heft in handen genomen. Paulus heeft hen later erop moeten wijzen dat zij zich niet moesten gedragen als parvenu’s, en hun gevraagd om de joodse gelovigen opnieuw de hun toekomende plaats te geven. Wat zij geloofden zien we in de oerverkondiging van de apostelen – het Jezuskerygma – zoals we dat terugvinden in de eerste toespraken van Petrus in het boek ‘De Handelingen van de Apostelen’ (hfdst. 2-3). Er moeten ook woorden (logia) van Jezus gecirculeerd hebben, alsmede woorden die opgenomen waren in genezingsverhalen of wonderverhalen van allerlei soort. Paulus gebruikt de term ‘evangelie’ veelvuldig om te verwijzen naar de inhoud van zijn verkondiging, maar hij gebruikt deze term nooit als verwijzing naar een concreet geschrift. Dat komt pas later. 

 

2.C. Het is geschreven naar aanleiding van ‘de grote catastrofe’.

Veel exegeten menen dat er in het Marcusevangelie tal van aanwijzingen zijn die laten zien dat het evangelie geschreven werd na ‘de grote catastrofe’: de verwoesting van Jeruzalem en de verbranding van de heilige tempel.

Deze ‘grote catastrofe’ is de dramatische afloop van de ‘eerste Joodse Oorlog’. Deze begint met een opstand in het jaar 66 en duurt tot 73 n.Chr. De tempel wordt verwoest in het jaar 70 door generaal Titus, later keizer Titus. Het is ongetwijfeld zo dat de verwoesting van stad en tempel wereldschokkend nieuws was, een drama voor Joden en christenen.
In de stad Rome kreeg het verschrikkelijke nieuws van de verwoesting van stad en tempel een extra dimensie door de triomftocht van generaal Titus. Deze triomftocht staat nog steeds afgebeeld op de triomfboog op het Forum Romanum die aan dit feit herinnert.
Geroofde tempelbuit werd meegevoerd, waaronder de zevenarmige kandelaar (de menora) én het voorhangsel. Ook werden (700?) Joden als buitgemaakte slaven meegevoerd, als teken van hun totale onderwerping. De in Rome woonachtige Joden en joden-christenen hebben deze triomftocht allicht met eigen ogen kunnen aanschouwen.

 

Maar is die catastrofe ook het einde van het Jezusverhaal?

Voor de joden-christenen en natuurlijk ook voor de heiden-christenen stelde zich nu de vraag: wat is de betekenis hiervan? Is dit het einde van het Jezusverhaal? Jezus was toch de messias van Israël, en Israël was toch bestemd om een licht te zijn voor de volken? Maar wat als het hart uit dat Israël werd weggesneden, de heilige stad en de tempel? Had Jezus niet beloofd dat Hij spoedig zou terugkeren als de met macht beklede Mensenzoon? Was Jezus’ laatste maaltijd niet een Pesach-maaltijd: feest van vrijheid en bevrijding? En wat moesten de volgelingen van Jezus aan met het feit dat velen van hen de oorlog ontvlucht waren terwijl hun broeders waren gestorven? Ook hier diende een grondige bezinning zich aan.
Het Marcusevangelie – in zijn uiteindelijke vorm – zou het resultaat zijn van deze bezinning. 

 

Een van de belangrijkste momenten waarop de Jezusgemeente in Rome samenkwam, was de Paasnacht, de avond waarop Pesach werd gevierd en waarop ook op een bijzondere manier Jezus die zich geeft voor anderen liturgisch werd gevierd. Het Marcusevangelie heeft alles te maken met het doel van het verhaal. Dit verhaal was volgens Benoît Standaert aanvankelijk bestemd om in één ruk voorgedragen te worden, en wel in de Paasnacht, terwijl op het einde van die nacht de nieuwelingen werden gedoopt en men daarna samen aan tafel ging en het brood brak in Jezus’ naam. Maar na de verwoesting van Jeruzalem en de triomftocht van Titus in Rome kon men Pasen niet meer op dezelfde manier vieren. Op Pasen keek men immers uit naar de komst (parousia) van de Heer! Maar was zijn komst nog wel te verwachten na alles wat er gebeurd was? Het drama moest verwerkt worden en er moest op de een of andere manier toch betekenis aan verleend worden. 

 

In ons taalgebied zijn er recent twee studies verschenen die daar dieper op ingaan.

De eerste studie is van Egbert Rooze, Marcus als tegenevangelie.

Egbert Rooze situeert het Marcusevangelie in zijn huidige vorm tegen de achtergrond van de eerste Joodse Oorlog en hij geeft een opsomming van de gevolgen die deze oorlog had voor de toenmalige wereldwijde joodse gemeenschap. De evangeliën zijn in samenhang met de Joodse Oorlog ontstaan. 

In zijn eerste hoofdstuk gaat Rooze in op de vraag waar de term ‘evangelie’ (euangelion) eigenlijk vandaan komt. Als de keizer een succes heeft behaald, heet dat een euangelion: goed nieuws voor heel het Rijk. Zo is de triomftocht van Titus voor de inwoners van de stad Rome en voor alle inwoners van het Romeinse Rijk een euangelion. Rooze stelt zich voor dat Marcus en andere leden van de Jezusgemeente deze triomftocht met eigen ogen hebben aanschouwd. Daar moet bij Marcus het idee zijn ontstaan om het ‘euangelion tou ´Ièsou Christou’ (‘evangelie van/over Jezus messias’) te schrijven als een ‘tegenevangelie’, als een antwoord op het euangelion van de Romeinse keizer en diens generaals. Rooze heeft zich echter onvoldoende verdiept in de Oudtestamentische achtergrond van de term euangelion en gaat eveneens voorbij aan het gebruik van deze term door Paulus in zijn brieven. Het is duidelijk dat Paulus met euangelion een heel andere kant opgaat. 

 

De tweede, meer wetenschappelijk onderbouwde studie, is van de exegeet Karel Hanhart, De tragedie voorbij. Het subversieve evangelie van Marcus na de verwoesting van Jeruzalem (Jean Bastiaens, Leerhuismap 2017).

 

Volgens Karel Hanhart is het Marcusevangelie geen biografie, maar een terugblik op de betekenis van Jezus’ leven en sterven voor de kerkgemeenschap in Rome kort na het aangrijpende nieuws van de verwoesting van Jeruzalem. Het Marcusevangelie dateert van ca. 72, dus vlak nadat het schokkende nieuws van Jeruzalem Rome bereikte en Titus zijn triomfparade hield op weg naar het forum om de goden te danken. Het reikhalzend uitzien naar de komst van Jezus is plotseling omgeslagen in een sfeer van rouw. De teleurstelling en ontreddering vereisten een nieuwe visie op Jezus' leven en op de verkondiging van het kruis.

Marcus is een paashaggada, een liturgisch geschrift dat antwoord gaf op de vraag: ‘Hoe kan ik vandaag - circa 72 na Christus - Pesach vieren?’ Marcus geeft een actualiserend commentaar op de eigenlijke haggada: het verhaal van de uittocht uit Egypte en de doortocht door de woestijn, alsook over de intocht en de inbezitneming van het land, de verwoesting van de eerste tempel en de daarop volgende Babylonische gevangenschap en de onverwachte terugkeer van de ballingen onder de Perzische heerser Cyrus. Jezus is een tweede Jozua (dezelfde naam in het Grieks) en zal, zoals Jozua, het land binnentrekken en het veroveren op de afgodische machten (zowel de demonen, als ‘legioen’ – Mc. 5,9-7). Hij zal het mogelijk maken dat God – en alleen Hij – regeert over zijn volk in het land. Hij inaugureert het Koninkrijk van God.

 

 

Vraag 3

Hoe is het Marcusevangelie gestructureerd en wat is de rode draad?

3.A. Voor de structuur zijn de geografische aanduidingen belangrijke aanwijzingen.
  • Na een proloog (1,2-13) die Jezus aan de lezers voorstelt, speelt een eerste deel van het verhaal zich af in Galilea en omstreken (1,14-8,26).
  • Een tweede deel vertelt wat er gebeurt op weg naar Jeruzalem (8,27-10,52).
  • Het derde deel speelt zich af in Jeruzalem en wordt afgesloten met de dood van Jezus (11,1-15,47). Maar dit einde is een open einde.
  • Er volgt nog een epiloog, die de lezers terug naar Galilea verwijst (16,1-8).
  • Een structuur of compositie van het Marcusevangelie (Jan Lambrecht, 1981)

HET EERSTE DEEL (1,1-8,30) - JEZUS IN GALILEA

1. BEGIN VAN HET EVANGELIE (1,1)

De blijde boodschap handelt over Jezus Christus, Zoon van God.
Het Marcusevangelie moet in het licht van dit titelvers gelezen worden.

2. DE PROLOOG (1,2-13)

De prediking van de Doper; het doopsel van Jezus; de beproeving van Jezus in de woestijn.

3. EEN EERSTE DRIELEDIG GEDEELTE (1,14-8,26)

In dit gedeelte kunnen drie stukken onderscheiden worden. Elk stuk begint met een korte samenvatting (summarium) van wat Jezus doet. Hierop volgt telkens een bericht over de leerlingen. Elk stuk eindigt met de vermelding van onbegrip:

 

summarium

leerlingen

onbegrip
1,14-15

1,16-20 

3,1-6 (farizeeën e.a.)

3,7-12

3,13-19 

6,1-6a (stadsgenoten, verwanten)

6,6b

6,7-13 

8,14-21 (leerlingen)


Men mag aannemen dat Marcus om inhoudelijke redenen deze 'driemaal drie'-structuur uitgewerkt heeft:

  • Jezus heeft zich met woord en daad ten volle ingezet om de blijde boodschap te brengen (vgl. de summaria en de verhalen)
  • Jezus heeft andere mensen bij zijn werk willen betrekken (vgl. de leerlingen-perikopen: roeping, aanstelling en zending)
  • Jezus stootte bij de farizeeën, stadsgenoten, verwanten en leerlingen op onbegrip.
  • De drievoudige herhaling van deze thema's onderstreept hun belang.

    Marcus 8,22-26 – de genezing van de blinde in twee fasen - vormt een scharnierperikoop

    HET SCHARNIERSTUK: DE BELIJDENIS TE CAESAREA VAN FILIPPUS (8,27-30)

    ‘Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?’ Petrus antwoordt: ‘Gij zijt de messias’. Na alles wat Jezus gezegd en gedaan heeft, lijkt de titel ‘Christus’ hier op de juiste plaats te staan. Petrus spreekt het inzicht van zijn medeleerlingen uit.

    Maar onmiddellijk verbiedt Jezus de leerlingen met iemand erover te spreken. Jezus wijst de titel niet af. Hij vreest echter dat men Hem verkeerd zal verstaan. Deze perikoop is een eindpunt en een hoogtepunt, maar slechts voorlopig. Jezus moet nog aantonen wat voor een Christus Hij is. Met 8,31 begint een tweede deel.

    HET TWEEDE DEEL (8,31-10,52) JEZUS ONDERWEG NAAR JERUZALEM

    EEN TWEEDE DRÍELEDIG GEDEELTE (8,31-10,52)

    Aan het begin van elk stuk staat een lijdens- en opstandingsvoorspelling. De leerlingen reageren telkens met onbegrip. Daarop geeft Jezus onderricht met betrekking tot navolging:

     

lijdensvoorspelling

onbegrip

navolging

8,31

8,32-33 (Petrus)

8,34-35

9,31

9,32-34 (leerlingen)

9,35-37

10,32-34

10,35-37
(Jakobus en Johannes)

10,41 (de tien anderen)

10,38-40

10,42-45

 

Ook in dit gedeelte kan de schikking nauwelijks toevallig zijn. We staan opnieuw voor een thematische herhaling. Hoewel Jezus duidelijk zijn lijdenslot en verrijzenis aankondigt, blijven de leerlingen zonder begrip.

Door zijn oproep laat Jezus verstaan dat alleen navolging tot eigenlijk inzicht zal brengen.

 

HET DERDE DEEL (11,1-16,8) - Jezus in Jeruzalem

1. Jezus' laatste werkzaamheid te Jeruzalem (11,1-13, 37)

Driemaal wordt door Marcus het complot van de overheid vermeld: 11,18 ; 12,12 en 14,1-2. De eerste twee pogingen om Jezus te grijpen - een rechtstreekse en onrechtstreekse - mislukken. Het verraad van Judas doet de derde slagen.

2. Het verhaal van Jezus' lijden en het lege graf (14,1-16,8)

Op verschillende plaatsen treedt Jezus' identiteit nu in het volle licht : 

  • voor het sanhedrin: ‘Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?’ ‘Ik ben het, en ge zult de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Macht en komen op de wolken van de hemel.’ (14,61-62);
  • voor Pilatus: ‘Zijt Gij de Koning van de Joden?’ ‘Gij zegt het.’ (15,2);
  • op het kruis: ‘De Koning van de Joden’ (15,26);
  • spottende hogepriesters en schriftgeleerden: ‘Laat de Christus, de Koning van de Joden, nu van het kruis afkomen opdat we zien en geloven.' (15,32);
  • de honderdman bij het kruis: ’Waarlijk, deze man was de Zoon van God.' (15,39).

(16,9-20 is niet van Marcus maar werd later toegevoegd.)

 

  • Een nog verdere uitwerking van deze compositie (Jan Lambrecht, 1981)

A. HET EERSTE DEEL: MARCUS 1,1-8,30 - Jezus in Galilea

1. BEGIN VAN HET EVANGELIE (1,1)

‘Begin van het evangelie van Jezus Christus, Zoon van God’ (1,1). Volgens dit eerste vers, het titelvers, is Jezus Christus de Zoon van God. Over Hem handelt de blijde boodschap. Wat in het evangelie beschreven zal worden moet dit aantonen. Het Marcusevangelie dient in het licht van deze thematiek gelezen te worden.

2. DE PROLOOG (1,2-13)

Na het titelvers volgt de proloog: de prediking van Johannes de Doper, het doopsel en de beproeving van Jezus (1,2-13). Jezus' plaats in de heilsgeschiedenis wordt nader bepaald tegenover die van de Doper, die zelf de vervulling is van een oudtestamentische profetie. In korte woorden wordt uiteengezet hoe Jezus' optreden begint onder de stuwing van de Heilige Geest.

3. EEN EERSTE DRIELEDIG GEDEELTE (1,14-8,26)

a. Een eerste stuk (1,14-3,6)

  • Het openbaar leven van Jezus begint met 1,14-15: ‘Nadat Johannes was overgeleverd, ging Jezus naar Galilea en verkondigde er het evangelie van God: De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabijgekomen. Bekeer u en geloof in het evangelie’. Deze twee verzen bieden ons een samenvatting, een summarium van Jezus’ activiteit. De sleutel van zijn verkondiging is gegeven. Het Rijks Gods is nabij: bekeer u en geloof het goede nieuws!
  • Onmiddellijk na deze openingsperikoop volgt de roeping van de eerste vier leerlingen: Simon en Andreas, Jakobus en Johannes, vissers die mensenvissers moeten worden (1,16-20). Van de aanvang af is het duidelijk: Jezus heeft medewerkers nodig, helpers. Het prediken van het Rijk Gods zal niet de zaak van Hem alleen zijn; Hij betrekt anderen bij zijn werk.
  • Dan wordt in 5 perikopen Jezus’ activiteit beschreven: de eerste dag te Kafarnaüm met de duiveluitdrijving in de synagoge, de genezing van Simons schoonmoeder in het huis van Simon en Andreas; diezelfde avond geneest Jezus veel andere zieken en drijft tal van boze geesten uit. ’s Anderendaags vertrekt Hij om overal in de synagogen van Galilea te prediken. Hierna wordt de genezing van een melaatse verteld.
  • Hoofdstuk twee bevat – ook in 5 perikopen - twistgesprekken: over het vergeven van zonden (bij de genezing van een lamme), over het eten met zondaars (na de roeping van Levi de tollenaar), over het al dan niet vasten en over het rusten op de sabbat.
  • Weer op een sabbat geneest Jezus in de synagoge een man met een verdorde hand (3,1-6). De farizeeën bespieden Hem om Hem te kunnen aanklagen. Jezus zegt tegen hen: ‘Is het geoorloofd goed te doen op sabbat of kwaad, iemand te redden of te doden?’ Maar ze zwegen. Jezus geneest de verdorde hand. Maar de farizeeën gaan naar buiten en overleggen met de herodianen hoe ze Jezus uit de weg kunnen ruimen. Het moet de lezers van het Marcusevangelie opvallen dat reeds hier, aan het begin van Jezus' openbaar leven, plannen worden gesmeed om Jezus te doden. Als vanzelf rijst dan de vraag: rapporteert Marcus de gebeurtenissen op een strikt historische wijze, dit is, zoals ze zich voordeden op welbepaalde plaatsen en tijden? Wat ook het antwoord op die laatste vraag zal zijn, we kunnen drie elementen aanwijzen in dit eerste stuk van Jezus' openbaar leven: Jezus’ activiteithet betrekken van anderen bij dit werk; het onbegrip en de tegenstand.

b. Een tweede gelijke sequentie (3,7-6,6a)

  • Onmiddellijk na het incident in de synagoge wordt een nieuwe samenvatting van Jezus' activiteit gegeven: 3,7-12. Terwijl een talrijke menigte uit Galilea en elders Hem volgt, geneest Jezus veel zieken. De boze geesten die Hij uitdrijft schreeuwen het uit: ‘Gij zijt de Zoon van God. Met nadruk waarschuwt Jezus hen, Hem niet bekend te maken. Terwijl in het summarium van 1,14-15 de aandacht gevestigd werd op Jezus’ boodschap en oproep, ligt hier in het tweede de nadruk op Jezus’ genezende werkzaamheid.
  • Zoals de eerste samenvatting met een leerlingenperikoop voortgezet werd, zo volgt ook op de tweede een bericht over de leerlingen. In 1,16-2O hadden we de roeping van de eerste vier; hier, in 3,13-19, is het de uitverkiezing, of beter, de aanstelling van de Twaalf (verwijzend naar de twaalf stammen van Israël). ‘Jezus gaat de berg op en roept tot zich die Hij zelf wil, en ze komen naar Hem toe. En Hij stelt er twaalf aan om met Hem te blijven en hen (later) te zenden om te verkondigen en volmacht te geven? de demonen uit te drijven’. Nogmaals wordt aldus beklemtoond dat voor Jezus de vestiging van het Rijk Gods een zaak is van samenwerking. Jezus roept en stelt mensen aan die Hem zullen helpen en zijn werk voortzetten.
  • Opnieuw volgen dan twistgesprekken en onderricht. In hoofdstuk vier houdt Jezus een parabelrede en stilt de storm. Hoofdstuk vijf bevat drie genezingsverhalen. Hij geneest de bezetene in het land der Gerasenen, het dochtertje van Jaïrus en de vrouw die aan bloedvloeiing lijdt.
  • Dit tweede stuk eindigt met de Nazaret-perikoop van 6,1-6a. Jezus predikt in de synagoge van zijn eigen stad. Zijn talrijke toehoorders zijn verbaasd, maar ze nemen aanstoot aan Hem. In zijn eigen stad wordt Jezus niet erkend. ‘Nergens wordt een profeet zo miskend als in zijn eigen stad, onder zijn verwanten en huisgenoten’. Ongeloof en onbegrip komen niet enkel van de kant van de farizeeën, herodianen en schriftgeleerden, maar ook van zijn verwanten en stadsgenoten!
  • In het begin van hoofdstuk zes wordt de voorstelling van Marcus al zeer duidelijk.

Zeker, Jezus brengt Gods boodschap, Hij onderricht en treedt weldoende op, en in dit alles openbaart Hij zijn zending en zichzelf. Maar de evangelist Marcus onderstreept hierbij drie thema's die voor hem blijkbaar belangrijk zijn: de activiteit van Jezus (vgl. de samenvatting); het inschakelen van leerlingen (vgl. roeping en aanstelling); en het onbegrip (vgl. de reacties van de farizeeën en herodianen, van stadsgenoten en verwanten). De structuur van dit tweede stuk (3,7-6,6a) is gelijk aan die van het eerste (1,14-3,6). We vinden er dezelfde sequentie: aan het begin summarium en leerlingenperikoop, aan het einde een verhaal waarin het onbegrip op de voorgrond staat.

 

c. De derde identieke opeenvolging (6,6b-8,21)

  • In 6,6b is er een nieuwe start. Jezus stond verwonderd over het ongeloof te Nazaret. Ten gevolge daarvan gaat Jezus weg. ‘Hij trekt rond door de dorpen in de omtrek, terwijl Hij onderricht geeft’. Weer een samenvatting, al is dit een zeer korte.
  • In 6,7 begint dan een derde verhaal over de leerlingen: ‘En Hij riep de Twaalf tot zich en begon hen twee aan twee uit te zenden, en Hij gaf hun volmacht over de onreine geesten’. Na de roeping van de vier (1,16-20) hadden we de aanstelling van de Twaalf om Hem te vergezellen en later door Hem gezonden te worden (3,13-19). Hier, in 6,7-13, wordt die zending beschreven. We mogen veilig aannemen dat de climax van roeping, aanstelling en zending niet het resultaat van toeval is, maar bedoeld werd door de evangelist.
  • In wat volgt, zien we opnieuw een zeer actieve Jezus. In de hoofdstukken zes en acht staan o.a. de twee broodvermenigvuldigingen. In hoofdstuk zeven hebben we een lange discussie over reinheid en de genezing van de dochter van de Syrofenicische vrouw.
  • Maar in 8,13 verlaat Jezus de farizeeën, stapt in de boot en vaart naar de overkant. De leerlingen hebben vergeten brood mee te nemen. En Jezus waarschuwt hen: ‘Kijk uit, wacht u voor het zuurdeeg van de farizeeën en het zuurdeeg van Herodes’. Ze twisten er met elkaar over: ‘Het is omdat we geen broden hebben’. Jezus merkt dit en vraagt: ‘Waarom twist ge erover dat ge geen brood hebt? Beseft ge en begrijpt ge het niet? Hebt ge dan een verhard hart? Ziet ge niet terwijl ge toch ogen hebt, en hoort ge niet terwijl ge toch oren hebt? En herinnert ge u niet, toen ik de vijf broden brak voor de vijfduizend, hoeveel korven vol met brokken ge opgeraapt hebt?’ En Jezus herinnert hen aan de twee broodvermenigvuldigingen. ‘Begrijpt ge het nog niet?’ Niet enkel farizeeën en herodianen, niet enkel stadsgenoten en verwanten, maar zelfs zijn leerlingen, de Twaalf, zijn vol onbegrip (8, 14-21)! Opnieuw dezelfde schikking: summarium en leerlingenperikoop aan het begin, onbegrip aan het einde. (Jan Lambrecht, 1981)

 

HET SCHARNIERSTUK: De belijdenis te Caesarea van Filippus (8,27-30)

Hier moeten we even halt houden. We zijn reeds halfweg in dit evangelieverhaal. Enkele verzen verder staat de ons vertrouwde belijdenis van Petrus. Wat is de structuur en wat zijn de dragende gedachten van deze eerste helft? We moeten aannemen dat Marcus zijn evangelie-overleveringen op een bepaalde manier ordende op grond van zijn persoonlijk inzicht en bedoeling. Toeval is uitgesloten, want driemaal krijgen we dezelfde opeenvolging van samenvatting, leerlingenperikoop en, op het einde van ieder stuk, onbegrip. Door middel van deze drievoudige herhaling wil Marcus klaarblijkelijk onderstrepen dat Jezus zich met woord en daad ten volle ingezet heeft, dat Hij mensen aan zich bond voor dezelfde taak, en dat Hij onbegrip en tegenstand ondervond bij verschillende groepen. Aan het einde van deze eerste helft is de handeling zo ver gevorderd dat de fundamentele vraag gesteld kan worden: ‘Wie zeggen de mensen dat Ik ben?’ en: ‘Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?’ Petrus antwoordt: ‘Gij zijt de messias’. Zonder het telkens weerkerende onbegrip zouden we zeggen: het doel is bereikt. Jezus is erin geslaagd zijn taak en zijn identiteit te doen kennen. Het is waar, tot nu toe is slechts de kleine groep van zijn leerlingen op de hoogte. En bovendien is er ook het vreemde bevel te zwijgen: ‘En Hij waarschuwde hen tegen niemand dat over Hem te zeggen'. Door dit spreekverbod wordt wat de eindperikoop of climax had kunnen zijn, een scharnier. De belijdenis van Petrus is tegelijkertijd conclusie en nieuw begin. Want we moeten ons afvragen waarom Jezus de Twaalf verbiedt tegen iemand dat over Hem te zeggen. Waarom moet zijn identiteit verborgen blijven? Om een antwoord te vinden op deze uitdagende vraag moeten we verder lezen in het Marcusevangelie.

 

HET TWEEDE DEEL (8,31-10,52) - JEZUS ONDERWEG NAAR JERUZALEM

1. HET LIJDEN VOORSPELD

Alle lezers van het Marcusevangelie kennen de drie lijdensvoorspellingen. ‘En Jezus begon hun te leren dat de Mensenzoon veel moest lijden en verworpen worden door de oudsten en de hogepriesters en de schriftgeleerden en gedood worden, en na drie dagen verrijzen’ (8,31). Ze staan op ongeveer dezelfde afstand van elkaar: 8,31; 9,31 en 10,32-34: en zo beheersen ze de rest van Jezus' openbaar leven.

2. HET ONBEGRIP VAN DE LEERLINGEN

Het zal de lezers opvallen dat iedere lijdensvoorspelling gevolgd wordt door een reactie of een verhaal waaruit het onbegrip van de leerlingen blijkt. Na de eerste voorspelling volgt Petrus’ reactie: 'En Petrus nam Jezus terzijde en begon Hem te berispen' (8,32). Bij de tweede voorspelling schrijft Marcus: ‘Maar de leerlingen begrepen niet wat Jezus zei, en schrokken er zelfs voor terug Hem erover vragen te stellen’ (9,32). Dan volgt het relaas van de discussie onderweg naar Kafarnaüm: ‘En ze kwamen in Kafarnaüm en eenmaal binnenshuis stelde Hij hun de vraag: ‘Waar hebt ge onderweg over gediscussieerd? Maar ze zwegen, want ze hadden er onderweg over gediscussieerd wie de grootste was’ (9,33-34). Jezus kondigt zijn lijden en dood aan. Zijn leerlingen twisten er onder elkaar over wie de grootste is! Ook de derde voorspelling is omringd door onbegrip. Vlak ervoor staat dat degenen die Hem volgen bevreesd zijn. En na de voorspelling komen Jakobus en Johannes naar Hem toe en zeggen: ‘Meester, we willen dat Ge voor ons doet wat we U ook vragen. Hij zegt tegen hen: Wat wilt ge dat Ik voor u doe? Ze antwoorden: Geef ons dat één aan uw rechter- en één aan uw linkerhand mag gaan zitten in uw heerlijkheid’ (10,35-37). Zo zien we dat het lijden driemaal aangekondigd wordt en dat Jezus’ leerlingen ook driemaal reageren op een manier die duidelijk hun onbegrip aantoont, hun afkeer van lijden en vernedering.

3. DRIEVOUDIGE OPROEP TOT NAVOLGING

  • We moeten nu goed toezien welke houding Jezus tegenover dat onbegrip aanneemt. Hij berispt Petrus en zegt zelfs: ‘Ga weg, achter mij, Satan, want ge staat niet aan de kant van God maar aan die van de mensen’ (8,33). Dan laat Hij het volk en zijn leerlingen bij zich komen en zegt tegen hen: ‘Als iemand achter Mij aan wil komen, laat hij dan zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen’ (8,34). In zijn voorspelling maakt Jezus duidelijk welk soort messias Hij zou zijn: een lijdende dienaar. Dat wordt niet zomaar aanvaard. In de reactie van Petrus komt een diep meningsverschil tot uiting. Maar Jezus houdt vol. Hij wijst Petrus terecht en roept allen op tot navolging. Marcus lijkt te suggereren dat Jezus als messias belijden zonder Hem als lijdende dienaar te erkennen verkeerd is; dat de lijdensrealiteit op het onbegrip en de onwil stuit van de leerlingen (toen en nu) en dat Jezus pas door effectieve navolging echt gekend zal worden.
  • Op de tweede voorspelling volgt de discussie van de leerlingen over wie de grootste is. Jezus gaat zitten, roept de Twaalf bij zich en zegt: ‘Indien iemand de eerste wil zijn, moet hij de laatste en de dienaar van allen zijn. En Hij nam een kind, zette het in hun midden, omarmde het en zei tegen hen: 'Wie één van dergelijke kinderen in mijn naam opneemt, neemt Mij op; en wie Mij opneemt, neemt niet Mij op, maar Hem die mij gezonden heeft' (9,35-37). We treffen dezelfde volgorde aan: voorspelling van het lijden, onbegrip en uitnodiging om Christus na te volgen door dienaar van allen te worden. Dit wordt geïllustreerd door het tafereel met het kind. En zo weten we dat navolging van Christus, zelfverloochening en kruisdraging (vgl. 8,34) concreet naastenliefde en dienst aan de kleinen inhouden.
  • De derde lijdensvoorspelling is de langste, een samenvatting van het passieverhaal: ‘Zie, we gaan op naar Jeruzalem, en de Mensenzoon zal daar aan de hogepriesters en de schrift-geleerden overgeleverd worden, en ze zullen Hem ter dood veroordelen en Hem aan de heidenen overleveren, en die zullen Hem bespotten en Hem bespuwen en Hem geselen en doden, en na drie dagen zal Hij verrijzen’ (10,33-34). Hoe brutaal klinkt het onbegrip uit de daarop volgende vraag van de zonen van Zebedeüs! Maar Jezus antwoordt hun: ‘Ge weet niet wat ge vraagt. Zijt ge in staat de beker te drinken die Ik drink en met de lijdensdoop gedoopt te worden’ (vgl. 10,38)? Lijdensvoorspelling, onbegrip, oproep tot navolging. De tien anderen hebben het gehoord en worden kwaad op Jakobus en Johannes. Jezus roept allen bij zich. ‘Ge weet’, zegt Hij, ‘dat zij die als heersers van de volkeren gelden, hen met ijzeren vuist regeren. Ge weet dat de groten misbruik maken van hun macht over hen. Dat mag bij u niet het geval zijn. Wie onder u groot wil worden, moet dienaar zijn en wie onder u de eerste wil zijn, moet slaaf van allen wezen. Want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen’ (vgl. 10,41-45). Onbegrip, oproep tot dienst en navolging van Jezus die al dienende de dood ingaat!

Redactionele nadruk

Zoals in de eerste helft van het evangelie hebben we ook in 8,31-10,45 een drievoudige sequentie. De drie sequenties met telkens de aaneenschakeling van dezelfde drie elementen - lijdensvoorspelling, onbegrip van de leerlingen, oproep tot navolging - zijn duidelijk niet het resultaat van een reportage van de gebeurtenissen zoals ze zich in de historie van Jezus’ optreden hebben voorgedaan. Aangezien bovendien, even evident, toeval bij het redigeren uitgesloten is, moet geconcludeerd worden dat Marcus zeer thematisch, ja theologisch gecomponeerd en geschreven heeft. Op de vraag: wat voor een Christus is Jezus? antwoordt hij: Jezus is Christus op de wijze van een lijdende en verrijzende Mensenzoon! Het koppige onbegrip van de leerlingen toont aan hoe moeilijk een dergelijk Christusbeeld te begrijpen is. Die Christus aanvaarden is blijkbaar geen verstandelijke aangelegenheid, maar een kwestie van navolging. Men weet, men realiseert pas goed wie Jezus is als men diens levensontwerp overneemt voor het eigen leven.

 

DERDE DEEL MC. 11,1-16,8 - JEZUS IN JERUZALEM

Er dient niet veel meer gezegd te worden met betrekking tot de rest van het Marcusevangelie. In hoofdstukken elf tot zestien zien we Jezus gedurende de laatste dagen van zijn leven te Jeruzalem. Er is eerst de triomfantelijke intocht in de stad en zijn optreden in de tempel. Maar de vijandigheid van de Joodse overheid is definitief. Ze trachten Hem te arresteren. Er zijn nog enkele leergesprekken in de tempel (hoofdstukken 11-12); dan volgt de eschatologische rede op de Olijfberg (hoofdstuk 13). Met hoofdstuk 14 begint het passieverhaal. We merken op dat, zodra het lijden begint, er niets meer geheim moet worden gehouden. Dezelfde Jezus die zijn leerlingen beval de Christustitel te verzwijgen, deelt nu expliciet mee wie Hij is. Hij beantwoordt de vraag van de hogepriester: ‘Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?’ met: ‘Ik ben het en ge zult de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Macht en komen op de wolken van de hemel’ (14,61-62). In 15,2 vraagt Pilatus Hem: ‘Zijt Gij de Koning van de Joden?’ En Jezus antwoordt: ‘Gij zegt het’. Ook het opschrift op het kruis is duidelijk: ‘De Koning van de Joden’ (15,26). De hogepriesters en schriftgeleerden bespotten Jezus op het kruis. Ze zeggen tegen elkaar: ‘Anderen heeft Hij gered, zichzelf kan Hij niet redden. Laat de Christus de Koning van de Joden, nu van het kruis afkomen opdat we zien en geloven’ (15,31-32). En er is ten slotte nog het getuigenis van de honderdman die tegenover de stervende Jezus stond, zag wat er gebeurde en verklaarde: ‘Waarlijk deze man was de Zoon van God’ (15,39).

 

3.B. Interne samenhang en rode draad (Jan Lambrecht,1981)
1. Jezus is altijd op weg.

volg ons

over deze blog

Deze blog gaat op zoek naar de betekenis van Bijbelteksten.

In onze artikels wijzen we vaak de weg naar meer informatie die te vinden is in het Bijbelhuis.

Hier leest u ook artikels over onze bijzondere programmatie of evenementen.

Breng deze pagina regelmatig een bezoekje. Je vindt hier geregeld nieuwe teksten.

Jean Bastiaens, directeur van Bijbelhuis Zevenkerken.