A-cyclus vijfde zondag van de veertigdagentijd

ZONDAG 2 APRIL 2017

  • Eerste lezing: Ezechiël 37,12-14
  • Tweede lezing: Romeinen 8,8-11
  • Evangelielezing: Johannes 11,1-45
  • Ingesproken lezingen
  • Commentaar: Geloof overwint alles

 

 

Ezechiël 37,12-14

Uit het boek Ezechiël

 

 

 

Zo spreekt GOD de HEER:
“Ik ga uw graven openen;
in massa’s zal Ik u uit uw graven wegvoeren
en u brengen naar de grond van Israël.
En wanneer Ik dan uw graven geopend heb
en u in massa’s zal hebben weggevoerd uit uw graven,
zult gij weten dat Ik de HEER ben.
Mijn geest zal Ik over u uitstorten en gij zult leven;
Ik zal u vestigen op uw eigen grond
en gij zult weten dat Ik de HEER ben:
Wat Ik zeg, dat volbreng Ik!”
Zo luidt de godsspraak van de HEER.

 


Romeinen 8,8-11

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome

 

 


Broeders en zusters,
Zij die zelfzuchtig leven,
kunnen GOD niet behagen.
Maar uw bestaan wordt niet beheerst
door de zelfgenoegzaamheid,
maar door de Geest,
omdat de Geest van GOD in u woont.
Zou iemand de Geest van Christus niet hebben,
dan behoort hij Hem niet toe.
Als Christus in u is,
blijft wel uw lichaam door de zonde
de dood gewijd,
maar uw geest lééft,
En als de Geest
van GOD die Jezus van de doden heeft opgewekt, in u woont,
zal Hij die Christus Jezus van de doden heeft doen opstaan,
ook uw sterfelijk lichaam eenmaal levend maken
door de kracht van zijn Geest, die in u verblijft.

 

 

Johannes 11,1-45

Uit het heilig evangelie van onze HEER Jezus Christus volgens Johannes

 

 

 

In die tijd
was er iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië,
het dorp van Maria en haar zuster Marta.
Maria was de vrouw die de HEER met geurige olie had gezalfd
en zijn voeten met haar haren had afgedroogd.
De zieke Lazarus was haar broer.
De zusters van Lazarus stuurden Jezus de boodschap:
“HEER, hij die Gij liefhebt, is ziek.”
Toen Jezus dit hoorde, zei Hij:
“Deze ziekte voert niet tot de dood,
maar is om Gods glorie,
opdat de Zoon Gods er door verheerlijkt moge worden.”
Jezus hield veel van Marta, haar zuster en Lazarus.
Toen Hij dan ook hoorde dat Lazarus ziek was,
bleef Hij weliswaar nog twee dagen ter plaatse,
maar daarna zei Hij tot zijn leerlingen:
“Laat ons weer naar Judea gaan.”
De leerlingen zeiden:
“Rabbi, nog pas probeerden de Joden U te stenigen
en gaat Gij er nu weer heen?”
Jezus antwoordde:
“Heeft de dag geen twaalf uren?
Overdag kan iemand gaan zonder zich te stoten,
omdat hij het licht van deze wereld ziet.
Maar gaat iemand 's nachts dan stoot hij zich,
omdat het licht niet in hem is.”
Zo sprak Hij.
En Hij voegde er aan toe:
“Onze vriend Lazarus is ingeslapen,
maar Ik ga er heen om hem te wekken.”
Zijn leerlingen merkten op:
“HEER, als hij slaapt, zal hij beter worden.”
Jezus had echter van zijn dood gesproken,
terwijl zij meenden dat Hij over de rust van de slaap sprak.
Daarom zei Jezus hun toen ronduit:
“Lazarus is gestorven,
en omwille van u verheug Ik Mij dat Ik er niet was,
opdat gij moogt geloven.
Maar laat ons naar hem toegaan.”
Toen zei Tomas, bijgenaamd Didymus, tot zijn medeleerlingen:
“Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.”
Bij zijn aankomst bevond Jezus
dat Lazarus al vier dagen in het graf lag.
Betanië nu was dichtbij Jeruzalem,
op een afstand van ongeveer drie kilometer.
Vele Joden waren dan ook naar Marta en Maria gekomen
om hen te troosten over het verlies van hun broer.
Zodra Marta hoorde dat Jezus op komst was,
ging zij Hem tegemoet;
Maria echter bleef thuis.
Marta zei tot Jezus:
“HEER, als Gij hier waart geweest,
zou mijn broer niet gestorven zijn.
Maar zelfs nu weet ik
dat wat Gij ook aan GOD vraagt,
GOD het U zal geven.”
Jezus zei tot haar:
“Uw broer zal verrijzen.”
Marta antwoordde:
“Ik weet dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis op de laatste dag.”
Jezus zei haar:
“Ik ben de verrijzenis en het leven.
Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven,
en ieder die leeft in geloof aan Mij,
zal in eeuwigheid niet sterven.
Gelooft gij dit?”
Zij zei tot Hem:”Ja, HEER, ik geloof vast dat Gij de Messias zijt,
de Zoon Gods, die in de wereld komt.”
Na deze woorden ging zij haar zuster Maria roepen
en zei zachtjes:
“De Meester is er en vraagt naar je.”
Zodra Maria dit hoorde,
stond zij vlug op en ging naar Hem toe.
Jezus was nog niet in het dorp aangekomen,
maar bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem ontmoet had.
Toen de Joden die met Maria in huis waren om haar te troosten,
haar plotseling zagen opstaan en weggaan,
volgden zij haar
in de mening dat zij naar het graf ging om daar te wenen.
Toen Maria op de plaats kwam waar Jezus zich bevond,
viel zij Hem te voet zodra zij Hem zag en zei:
“HEER, als Gij hier waart geweest
zou mijn broer niet gestorven zijn.”
Toen Jezus haar zag wenen,
en eveneens de Joden die met haar waren meegekomen,
doorliep Hem een huivering en diep ontroerd sprak Jezus:
“Waar hebt gij hem neergelegd?”
Zij zeiden Hem:
“Kom en zie, HEER.”
Jezus begon te wenen,
zodat de Joden zeiden:
“Zie eens hoe Hij van hem hield.”
Maar sommigen onder hen zeiden:
“Kon Hij, die de ogen van een blinde opende,
ook niet maken dat deze niet stierf?”
Bij het graf gekomen overviel Jezus opnieuw een huivering.
Het was een rotsgraf en er lag een steen voor.
Jezus zei:
“Neemt de steen weg.”
Marta, de zuster van de gestorvene, zei Hem:
“Hij riekt al, want het is reeds de vierde dag.
Jezus gaf haar ten antwoord:
“Zei Ik u niet dat als gij gelooft
ge Gods heerlijkheid zult zien?”
Toen namen ze de steen weg.
Jezus sloeg de ogen ten hemel en sprak:
“Vader, Ik dank U dat Gij Mij verhoord hebt.
Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort,
maar omwille van het volk rondom Mij
heb Ik dit gezegd,
opdat zij mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.”
Na deze woorden riep Hij met luide stem:
“Lazarus, kom naar buiten!”
De gestorvene kwam naar buiten,
voeten en handen met zwachtels gebonden
en met een zweetdoek om zijn gezicht.
Jezus beval hun:
“Maakt hem los en laat hem gaan.”
Vele Joden, die naar Maria waren gekomen
en zagen wat Hij gedaan had,
geloofden in Hem.

PDF-bestand van deze lezingen

 

Ingesproken lezingen

 

 

Commentaar

Jean Bastiaens

Geloven in Jezus is verrijzen met Jezus

Ook op deze vijfde zondag van de veertigdagentijd biedt de liturgie ons een rijk gevuld menu aan. Want de mens leeft niet van brood alleen, maar van elk woord dat GOD tot ons gesproken heeft. Dat heeft Jezus in zijn eigen ‘veertigdagentijd’, in de woestijn, beleefd (zie Matteüs 4,5). Ook wij mogen het beleven. Laten we daarom ruimhartig zijn en ons hart openen voor de lezingen van deze zondag, ook wanneer ze langer uitvallen dan we gewoon zijn.

De drie lezingen spreken ons over de misleidende gestalte van de dood. De ‘dood’ is niet het eindpunt van ons leven, maar juist het middelpunt. De dood waart overal: in ons leven als ballingen (eerste lezing), in ons zelfzuchtig en zelfgenoegzaam leven (tweede lezing), in onze gelatenheid ten aanzien van de macht van de dood (evangelielezing). Maar GOD verzet zich tegen deze dood: Hij wil dat de ballingen zich herpakken, dat ze weer geloven in een toekomst, dat hun uitgetelde beenderen tot leven komen en zich oriënteren op een nieuw leven ‘op eigen grond’. En Paulus benadrukt dat de Geest van GOD ons doet leven, zelfs wanneer ons lichaam aan de dood gewijd blijft. Dat zijn sterke teksten, die elk fatalistisch levensgevoel in ons in de kiem smoren.

Ook Jezus verzet zich tegen de alomtegenwoordige macht van de dood. Want de dood maakt mensen moedeloos, radeloos, eenzaam en cynisch. Wanneer Jezus voor het graf van zijn geliefde vriend Lazarus staat, ontsteekt Hij in toorn en is Hij verontwaardigd. Hij weent. Moet Hij die gekomen is om mensen in het volle leven te plaatsen, toezien hoe de dood zijn werk teniet doet? Daarom zal Hij de dood ontmaskeren: ‘Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven!’ Dat is de paradox van het evangelie van deze zondag: Jezus kan niet voorkomen dat mensen doodgaan, maar Hij kan wel de macht die de dood over mensen heeft teniet doen.

Wanneer Jezus voor het graf van Lazarus staat, is het alsof we een voorschot krijgen op wat Hem zelf zal overkomen. Lazarus ligt in een rotsgraf, en een steen verspert de toegang. En wanneer Jezus daar verschijnt, zijn er al drie dagen voorbij sinds Lazarus gestorven is. Zoals Jezus door de Vader uit de dood zal worden opgewekt – zoals je iemand uit zijn slaap wekt –, zo zal Jezus ook Lazarus uit zijn doodslaap wekken. Want wie in Jezus gelooft – als een levenswijze, als een bestaan dat zich richt op het doen van de wil van de Vader – die zal ‘in eeuwigheid niet sterven’. Dat is althans de zekerheid die Jezus aan Marta meegeeft.

Het verhaal over de opwekking van Lazarus is niet de zoveelste aflevering van de fabeltjeskrant. Wanneer we de tekst lezen en voorstellen als een miraculeus verhaal, missen we de bal. Het gaat hier niet om een wonderverhaaltje – leuk om te lezen, maar bezijden de realiteit. Waar gaat het dan wel over? Het gaat over de kracht van het geloven in Jezus. Wie Jezus leert kennen en Hem aanvaardt als de gids naar ‘leven in overvloed’ (Johannes 10,10), die wordt ontrukt aan de macht van de dood. Dat betekent niet dat we niet meer sterven. Het betekent dat we de dood anders gaan bekijken, juist omdat we mee opgenomen worden in het leven wekkende leven van Jezus. Ook al blijft de dood het middelpunt van ons leven – mensen blijven sterven, en ook wij zullen eenmaal sterven –, we zijn er niet langer door geobsedeerd omdat we in Jezus de kracht van de opstanding ervaren hebben. Jezus doet mensen opstaan uit alles wat dood is: Hij geneest mensen, Hij doet de kromgebogene recht staan, Hij brengt de bezetene weer bij zichzelf, Hij schenkt de uitgestotene weer een thuis enzovoort. En bovenal: Jezus vergeeft, en heelt daardoor de diepste wonden. Hij vergeeft Simon Petrus die hem verraadt. Hij vergeeft de rijke die alleen voor zichzelf leeft. Hij vergeeft tollenaars, zondaars, hoeren. En die vergeving brengt mensen weer tot leven. Wie Jezus leert kennen en opneemt in zijn leven, zal de ervaring opdoen dat Jezus ons opricht telkens wanneer we gevallen zijn.

Om de tekst niet verkeerd te interpreteren als een miraculeus verhaal, heeft Johannes iets slims bedacht. Want het tot leven wekken van Lazarus gebeurt pas aan het einde. Wat eraan vooraf gaat zijn gesprekken. Eerst is er het gesprek tussen Jezus en zijn leerlingen. Die willen Jezus ervan weerhouden om weer naar de omgeving van Jeruzalem te gaan – veel te gevaarlijk! Maar Jezus wijkt niet voor de macht van de dood. Want wie het licht in zich heeft, hoeft niets te vrezen. Toch begrijpen de leerlingen niet wat Jezus bedoelt wanneer Hij spreekt over de opwekking van Lazarus. Ook zij moeten nog loskomen van een miraculeuze interpretatie. En vervolgens is er het gesprek tussen Jezus en Marta. Het is opvallend dat Marta beter dan de leerlingen begrijpt waar Jezus op aanstuurt. De dood mag de dood zijn, maar Jezus is ‘de verrijzenis en het leven’ – en dat gelooft zij.

PDF-bestand van deze commentaar

volg ons

over deze blog

Deze blog gaat op zoek naar de betekenis van Bijbelteksten.

In onze artikels wijzen we vaak de weg naar meer informatie die te vinden is in het Bijbelhuis.

Hier leest u ook artikels over onze bijzondere programmatie of evenementen.

Breng deze pagina regelmatig een bezoekje. Je vindt hier geregeld nieuwe teksten.

Jean Bastiaens, directeur van Bijbelhuis Zevenkerken.