A-cyclus vierde zondag van de veertigdagentijd

ZONDAG 26 MAART 2017

  • Eerste lezing: 1 Samuël 16,1b,6-7.10-13a
  • Tweede lezing: Efeziërs 5,8-14
  • Evangelielezing: Johannes 9,1-41
  • Ingesproken lezingen
  • Commentaar: Geloof overwint alles

 

1 Samuël 16,1b,6-7.10-13a

Uit het eerste boek Samuël

 

 

 

In die dagen zei de HEER tot Samuël:
“Vul een hoorn met olie:
Ik zend u naar Isaï, de Betlehemiet,
want een van zijn zonen heb ik voor het koningschap bestemd.”
Toen Samuël daar aankwam, viel zijn blik op Eliab en hij dacht:
Die daar voor de HEER staat is ongetwijfeld zijn gezalfde!
Maar de HEER zei tot Samuël:
“Ga niet af op zijn voorkomen of zijn rijzige gestalte;
hem wil Ik niet.
Want GOD ziet niet zoals een mens ziet;
een mens kijkt naar het uiterlijk,
maar de HEER naar het hart.”
Zo stelde Isaï zeven van zijn zonen aan Samuël voor,
maar Samuël zei tot Isaï:
“Geen van hen heeft de HEER uitverkoren.”
Daarop vroeg hij aan Isaï:
“Zijn dat al uw jongens?”
Hij antwoordde:
“Alleen de jongste ontbreekt; die hoedt de schapen.”
Toen zei Samuël tot Isaï:
“Laat die dan halen, want we gaan niet aan tafel
voordat hij hier is.”
Isaï liet hem dus halen.
De jongen was rossig,
had mooie ogen en een prettig voorkomen.
Nu zei de HEER:
“Hem moet gij zalven: hij is het.”
Samuël nam dus de hoorn met olie
en zalfde hem te midden van zijn broers.
Sedert die dag
was de geest van de HEER vaardig over David.

 

 

Efeziërs 5,8-14

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Efeze

 

 

 

Broeders en zusters,
Eens waart gij duisternis,
nu zijt gij licht door uw gemeenschap met de HEER.
Leeft dan ook als kinderen van het licht.
De vrucht van het licht kan alleen maar zijn:
goedheid, gerechtigheid, waarheid.
Tracht te ontdekken wat de HEER behaagt.
Neemt geen deel aan duistere en onvruchtbare praktijken,
brengt ze liever aan het licht.
Wat die mensen in het geheim doen
is te schandelijk om er ook maar over te spreken.
Alles echter wat aan het licht wordt gebracht,
komt in het licht tot helderheid.
En alles wat verhelderd wordt,
is zelf “licht” geworden.
Zo zegt ook de hymne:
“Ontwaak, slaper,
sta op uit de dood
en Christus’ licht zal over u stralen.”

 

Johannes 9,1-41

Uit het heilig evangelie van onze HEER Jezus Christus volgens Johannes

 

 

 

 

In die tijd zag Jezus in het voorbijgaan een man die blind was van zijn geboorte af.
 Zijn leerlingen vroegen Hem:
“Rabbi,
wie heeft gezondigd,
hijzelf of zijn ouders,
dat hij blind geboren werd?”
Jezus antwoordde:
“Noch hij, noch zijn ouders hebben gezondigd,
maar de werken Gods moeten in hem openbaar worden.
Wij moeten de werken van Hem die Mij gezonden heeft
verrichten zolang het dag is.
Er komt een nacht
en dan kan niemand werken.
Zolang Ik in de wereld ben,
ben Ik het licht der wereld.”
Toen Hij dit gezegd had,
spuwde Hij op de grond,
maakte met het speeksel slijk,
bestreek daarmee de ogen van de man
en zei tot hem:
“Ga u wassen in de vijver van Siloam,”
- wat betekent: gezondene.-
Hij ging ernaar toe, waste zich
en kwam er ziende vandaan.
Zijn buren nu
en degenen die hem vroeger hadden zien bedelen, zeiden:
“is dat niet de man, die zat te bedelen?”
Sommigen zeiden:
“lnderdaad, hij is het.”
Anderen:
“Neen, hij lijkt alleen maar op hem.”
Hijzelf zei:
“Ik ben het.”
Toen vroegen ze hem:
“Hoe zijn dan uw ogen geopend?”
Hij antwoordde:
“De man die Jezus heet, maakte slijk,
bestreek daarmee mijn ogen en zei tot mij:
Ga naar de Siloam en was u.
Ik ben dus gegaan, waste mij en kon zien.”
Ze vroegen hem toen:
“Waar is die man ?”
Hij zei:
“Ik weet het niet.”
Men bracht nu de man die blind geweest was
bij de Farizeeën;
de dag waarop Jezus slijk had gemaakt en zijn ogen geopend,
was namelijk een sabbat.
Ook de Farizeeën vroegen hem dus,
hoe hij het gezicht herkregen had.
Hij zei hun:
“De man die Jezus heet, deed slijk op mijn ogen,
ik waste mij en ik zie.”
Toen zeiden sommige Farizeeën:
“Die man komt niet van GOD,
want Hij onderhoudt de sabbat niet.”
Anderen zeiden:
“Hoe zou een zondig mens zulke tekenen kunnen doen?”
Zo was er verdeeldheid onder hen.
Zij richtten zich opnieuw tot de blinde en vroegen:
“Wat zegt gijzelf van Hem,
daar Hij u toch de ogen geopend heeft?”
Hij antwoordde:
“Het is een profeet.”
De Joden wilden niet van hem aannemen,
dat hij blind was geweest en het gezicht herkregen had,
eer zij de ouders van de genezene hadden laten komen.
Zij stelden hun toen de vraag:
“Is dit uw zoon,
die volgens uw zeggen blind geboren is?
“Hoe kan hij dan nu zien?”
Zijn ouders antwoordden:
“Wij weten, dat dit onze zoon is
en dat hij blind is geboren,
maar hoe hij nu zien kan, weten we niet;
of wie zijn ogen geopend heeft,
wij weten het niet.
“Vraagt het hemzelf,
hij is oud genoeg
en zal zelf zijn woord wel doen.”
Zijn ouders zeiden dit omdat zij bang waren voor de Joden,
want de Joden hadden reeds afgesproken
dat alwie Hem als Messias beleed,
uit de synagoge gebannen zou worden.
Daarom zeiden zijn ouders:
Hij is oud genoeg, vraagt het hemzelf.
Voor de tweede maal
riepen de Farizeeën nu de man die blind was geweest, bij zich
en zeiden hem:
“Geef eer aan GOD.
“Wij weten dat die man die Jezus heet, een zondaar is.”
Hij echter antwoordde:
“Of Hij een zondaar is, weet ik niet.
Eén ding weet ik wel:
dat ik blind was en nu zie.”
Daarop vroegen zij hem wederom:
“Wat heeft Hij met u gedaan?
Hoe heeft Hij uw ogen geopend?”
Hij antwoordde:
“Dat heb ik al verteld, maar gij hebt niet geluisterd.
Waarom wilt gij het opnieuw horen?
Wilt ook gij soms leerlingen van Hem worden?
Toen zeiden zij smalend tot hem:
“Jij bent een leerling van die man,
wij zijn leerlingen van Mozes.
Wij weten dat GOD tot Mozes gesproken heeft,
maar van deze weten we niet waar Hij vandaan is.”
De man gaf hun ten antwoord:
“Dit is toch wel wonderlijk,
dat gij niet weet vanwaar Hij is;
en Hij heeft mij nog wel de ogen geopend.
Wij weten dat GOD niet naar zondaars luistert,
maar als iemand godvrezend is en zijn wil doet,
dan luistert Hij naar zo iemand.
Nooit in der eeuwigheid heeft men gehoord,
dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend.
Als deze man niet van GOD kwam,
had Hij zo iets nooit kunnen doen.”
Zij voegden hem toe:
“in zonden ben je geboren,
zo groot als je bent,
en jij wilt ons de les lezen ?”
Toen wierpen ze hem buiten.
Jezus vernam dat men hem buitengeworpen had
en toen Hij hem aantrof, zei Hij:
“Gelooft ge in de Mensenzoon?”
Hij antwoordde:
“Wie is dat, HEER?
Dan zal ik in Hem geloven.”
Jezus zei hem:
“Gij ziet Hem,
het is Degene die met u spreekt.”
Toen zei hij:
“Ik geloof, HEER.”
En hij wierp zich voor Hem neer.
En Jezus sprak:
“Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen,
opdat de niet-zienden zouden zien
en de zienden blind worden.”
Enkele Farizeeën die bij Hem stonden,
hoorden dit en zeiden tot Hem:
“Zijn ook wij soms blind?”
Jezus antwoordde:
“Als gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben,
maar nu gij zegt: wij zien,
blijft uw zonde.”

PDF-bestand van deze lezingen

 

 

Ingesproken lezingen

 

 

Commentaar

Jean Bastiaens

Geloof overwint alles

De liturgie verrast ons vandaag weer met een rijk aanbod van lezingen. In de veertigdagentijd mag het wat meer zijn: meer aandacht voor het gebed, meer aandacht voor de noden in de wereld, meer aandacht voor het Woord van GOD. En dus zijn de lezingen soms ook wat langer, zoals vandaag. Laten we edelmoedig zijn en ons, zoals Jezus dat deed in de woestijn, open stellen voor de Schriften. Vooral de evangelielezing is een schot in de roos: het verhaal sleept ons mee in een proces tegen een blindgeborene dat eigenlijk het voorschot blijkt te zijn op het proces tegen Jezus zelf. Alleen als we de tekst integraal lezen, komen we de rijke inhoud ervan echt op het spoor. En het zou natuurlijk nog meer helpen, mochten de bisschoppen van Vlaanderen nu eindelijk eens werk maken van een nieuwe uitgave van het lectionarium op basis van de vernieuwde Willibrordvertaling of de interconfessionele Nieuwe Bijbelvertaling. Dan zouden de teksten beter voorleesbaar zijn en nog meer onze aandacht trekken.

De evangelielezing beslaat heel het negende hoofdstuk van het Johannesevangelie. Jezus bevindt zich in Jeruzalem, waar Hij met vele pelgrims het Loofhuttenfeest heeft gevierd (7,2.37). Op de sabbat na dit feest is Jezus nog steeds in de stad. Hij is ternauwernood ontsnapt aan een steniging, nota bene in de tempel zelf (8,59). De sfeer is grimmig. De Joodse leiders voelen zich steeds meer bedreigd door het vrijmoedig en gezagvol optreden van Jezus. ‘Wie denkt u wel dat u bent?’, zeggen ze (8,53).

Op die sabbat ontmoet Jezus een man die vanaf zijn geboorte blind is. Op het Loofhuttenfeest speelt de symboliek van het licht een belangrijke rol, zodat het niet vreemd is dat Jezus nog in deze termen over zichzelf spreekt: ‘Ik ben het licht voor de wereld!’ (9,5) En licht wil Hij ook zijn voor de man die niet kan zien, vanaf zijn geboorte. Ook de leerlingen van Jezus worden getroffen door de aanblik van de blinde man. Voor de gelovige Jood staan ziekten en allerhande fysieke beperkingen niet los van het morele en geestelijke leven dat een mens leidt. En daarom leggen ze Jezus de vraag voor of de man blind is ‘door zijn eigen zonden of door die van zijn ouders’. Jezus verwerpt deze voorstelling van zaken. De man, die door zijn blindheid tot de bedelstaf werd veroordeeld, zal door Jezus uit zijn isolement en uit zijn vernedering worden gehaald. En Jezus zal meer doen dan dat. Hij zal de ogen van de man niet alleen openen voor het zicht op de wereld, maar ook voor het zicht op Jezus zelf, de Mensenzoon die van Godswege gezonden is om te redden en te helen (9,35). En de mensen die van zichzelf denken dat ze zien en een goede kijk hebben op de wereld en wat daarin omgaat, zullen blind blijken te zijn voor de tekenen die Jezus stelt. Jezus ontmaskert de zelfverzekerde eigenwaan van hen die aan anderen hun regels willen opleggen, en die Jezus verwijten dat Hij op sabbat aan ‘genezingswerk’ doet. Wie dacht te zien, is blind, en de verstoten blindgeborene wordt een ziende die in Jezus gelooft als een profeet, als een man van GOD, en ja, als de Mensenzoon.

Omdat Jezus na de genezing afwezig is, wordt het proces niet tegen Jezus, maar tegen de genezen man zelf gevoerd. Eerst wordt hij ondervraagd door zijn omgeving: de buren en al degenen die hem kenden als de blinde bedelaar. Ze willen van hem weten wat er precies is gebeurd. Omdat ze Jezus zelf niet te pakken krijgen, leiden ze de man voor bij de leidinggevende Farizeeën (die later ook ‘de Joden’ worden genoemd). Ook de leiders willen weten wat er precies gebeurd is, en concluderen dat deze Jezus niet ‘van GOD’ kan zijn, omdat Hij de sabbat niet onderhoudt. Maar sommigen twijfelen, zodat ze aan de blinde vragen welke kijk hij zelf op Jezus heeft.

In de volgende etappe van het proces worden de ouders van de blindgeborene ondervraagd. Ze moeten verschijnen voor een ondervraging, maar geven te kennen dat ze buiten de zaak gehouden willen worden. Waarom? Omdat ze vrezen om geëxcommuniceerd te worden, dat wil zeggen uit de synagoge gezet te worden. Want de Joodse leidinggevenden hadden reeds besloten dat al wie Jezus zou belijden als de messias van Israël, uit de synagoge gebannen zou worden. Een harde maatregel, die de ernst van het proces onderstreept. In feite werd deze maatregel genomen in de tijd waarin de lezers van het Johannesevangelie leefden, dat wil zeggen aan het einde van de eerste eeuw.

Daarna volgt opnieuw een ondervraging van de man die blind was geweest. De man bijt van zich af en weerstaat de ondervragingen, met als gevolg dat hij daadwerkelijk wordt geëxcommuniceerd. En dat is het moment waarop Jezus weer verschijnt om zichzelf ten volle aan hem te openbaren. De man komt tot een dieper inzicht in wie Jezus is. Zijn geloof overwint alles, zelfs een excommunicatie!

PDF-bestand van deze commentaar

volg ons

over deze blog

Deze blog gaat op zoek naar de betekenis van Bijbelteksten.

In onze artikels wijzen we vaak de weg naar meer informatie die te vinden is in het Bijbelhuis.

Hier leest u ook artikels over onze bijzondere programmatie of evenementen.

Breng deze pagina regelmatig een bezoekje. Je vindt hier geregeld nieuwe teksten.

Jean Bastiaens, directeur van Bijbelhuis Zevenkerken.