A-cyclus derde zondag van de veertigdagentijd

ZONDAG 19 MAART 2017

  • Eerste lezing: Exodus 17,3-7
  • Tweede lezing: Romeinen 5,1-2.5-8
  • Evangelielezing: Johannes 4,5-42
  • Ingesproken lezingen
  • Commentaar: Onze grenzen verleggen

 

Exodus 17,3-7

Uit het boek Exodus

 


In die dagen,
leden de Israëlieten tijdens de woestijntocht hevige dorst.
Zij bleven tegen Mozes morren en zeiden:
“Waarom hebt gij ons weggevoerd uit Egypte
als wij toch met kinderen en vee van dorst moeten sterven?”
Mozes klaagde zijn nood bij de HEER:
“Wat moet ik toch aan met dit volk?
Ze staan op het punt mij te stenigen.”
De HEER gaf Mozes ten antwoord:
“Ga met enkelen van Israëls oudsten voor het volk uit,
neem in uw hand de staf waarmee ge de Nijl geslagen hebt
en begeef u op weg.
Ik zal ginds, voor uw ogen,
op een rots staan, op de Horeb.
Sla op die rots:
er zal water uitstromen zodat de mensen kunnen drinken.”
Mozes deed dat in het bijzijn van Israëls oudsten.
Hij noemde de plaats Massa en Meriba
vanwege de verwijten der Israëlieten
en omdat zij de HEER hadden uitgedaagd
door zich af te vragen: Is de HEER nu bij ons of niet?

 


Romeinen 5,1-2.5-8

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome

 

 


Broeders en zusters,
Gerechtvaardigd door het geloof,
leven wij in vrede met GOD door Jezus Christus onze HEER.
Hij is het,
die ons door het geloof de toegang heeft ontsloten
tot die genade waarin wij staan;
door Hem ook mogen wij ons beroemen
op onze hoop op de heerlijkheid Gods.
En die hoop wordt niet teleurgesteld,
want Gods liefde is in ons hart uitgestort
door de heilige Geest die ons werd geschonken.
Christus is immers voor goddelozen gestorven
op de gestelde tijd,
toen wij zelf nog geheel hulpeloos waren.
Men zal niet licht iemand vinden
die zijn leven geeft voor een rechtvaardige,
al zou misschien iemand
in een bepaald geval dit van zich kunnen verkrijgen.
GOD echter bewijst zijn liefde voor ons juist hierdoor,
dat Christus voor ons is gestorven,
toen wij nog zondaars waren.

 


Johannes 4,5-42

Uit het heilig evangelie van onze HEER Jezus Christus volgens Johannes

 

 


In die tijd kwam Jezus in een stad van Samaria, Sichar genaamd,
dichtbij het stuk grond
dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven.
Daar bevond zich de bron van Jakob
en vermoeid van de tocht
ging Jezus zo maar bij deze bron zitten.
Het was rond het middaguur.
Toen een vrouw uit Samaria water kwam putten
zei Jezus tot haar:
“Geef Mij te drinken.”
De leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan
om levensmiddelen te kopen.
De Samaritaanse zei tot Hem:
“Hoe kunt Gij als Jood nu te drinken vragen aan mij,
een Samaritaanse?”
- Joden namelijk onderhouden geen betrekkingen met de Samaritanen. -
Jezus gaf ten antwoord:
“Als ge enig begrip hadt van de gave Gods
en als ge wist wie het is, die u zegt:
Geef Mij te drinken,
zoudt ge het aan Hem hebben gevraagd
en Hij zou u levend water hebben gegeven.”
Daarop zei de vrouw tot Hem:
“HEER, Ge hebt niet eens een emmer
en de put is diep:
waar haalt Ge dan dat levende water vandaan?
Zijt Ge soms groter dan onze vader Jakob die ons de put gaf
en er met zijn zonen en zijn vee uit dronk?”
Jezus antwoordde haar:
“iedereen die van dit water drinkt,
krijgt weer dorst,
maar wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven,
krijgt in eeuwigheid geen dorst meer;
integendeel, het water dat Ik hem zal geven,
zal in hem een waterbron worden,
opborrelend tot eeuwig leven.”
Hierop zei de vrouw tot Hem:
“HEER, geef mij van dat water,
zodat ik geen dorst meer krijg
en hier niet meer moet komen om te putten.”
Jezus zei haar:
“Ga uw man roepen en kom dan hier terug.”
“Ik heb geen man”,
antwoordde de vrouw.
Jezus zei haar:
“Dat zegt ge terecht: ik heb geen man;
want vijf mannen hebt ge gehad, en die ge nu hebt is uw man niet.
“Wat dit betreft, hebt ge de waarheid gesproken.”
HEER, - zei de vrouw –
ik zie dat Gij een profeet zijt.
Onze vaderen aanbaden op die berg daar,
en gij, Joden, zegt
dat in Jeruzalem de plaats is waar men aanbidden moet.”
“Geloof Mij, vrouw,
- zei Jezus haar, -
er komt een uur dat gij noch op die berg
noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden.
Gij aanbidt wat gij niet kent;
wij aanbidden wat wij kennen,
omdat het heil uit de Joden komt.
“Maar er zal een uur komen,
ja het is er al,
dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden
in geest en waarheid.
“De Vader toch
zoekt mensen die Hem zo aanbidden.
“GOD is geest, en wie Hem aanbidden,
moeten Hem in geest en waarheid aanbidden.”
De vrouw zei Hem:
“Ik weet dat de Messias
- dat wil zeggen: de Gezalfde –
komt, en wanneer Die komt
zal Hij ons alles verkondigen.”
Jezus zei tot haar:
“Dat ben Ik, die met u spreek.”
Juist op dat ogenblik kwamen zijn leerlingen terug
en zij stonden verwonderd
dat Hij in gesprek was met een vrouw.
Geen van hen echter vroeg:
“Wat wilt Ge van haar?” of "Waarom praat Gij met haar?"
De vrouw liet haar waterkruik in de steek,
liep naar de stad terug en zei tot de mensen:
“Komt eens kijken naar een man,
die mij alles heeft verteld wat ik gedaan heb!
“Zou Hij soms de Messias zijn?”
Toen verlieten zij de stad om naar Hem toe te gaan.
Ondertussen drongen de leerlingen bij Hem aan met de woorden:
“Eet toch iets, Rabbi.”
Maar Hij zei hun:
“Ik heb een spijs te eten die gij niet kent.”
De leerlingen zeiden tot elkaar:
“Zou iemand Hem soms te eten gebracht hebben?”
Daarop zei Jezus hun:
“Mijn spijs is,
de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft
en zijn werk te volbrengen.
Zegt gij niet: Nog vier maanden en dan komt de oogst?
Wel nu, Ik zeg u:
slaat uw ogen op en kijkt naar de velden;
ze staan wit, rijp voor de oogst.
Reeds krijgt de maaier zijn loon
en verzamelt vrucht tot eeuwig leven,
zodat zaaier en maaier zich samen verheugen.
Zo is het gezegde waar: de een zaait, de ander maait.
Ik stuurde u uit
om te maaien waarvoor gij niet hebt gezwoegd;
anderen hebben gezwoegd
en gij plukt van hun zwoegen de vruchten.
Vele Samaritanen uit de stad geloofden in Hem
om het woord van de vrouw die getuigde:
“Hij heeft mij alles verteld wat ik gedaan heb.”
Toen dus de Samaritanen bij Hem gekomen waren,
verzochten zij Hem bij hen te blijven.
Hij bleef er dan ook twee dagen
en door zijn woord kwamen er nog veel meer tot het geloof.
Tot de vrouw zeiden ze:
“Niet langer geloven wij om wat gij gezegd hebt,
want wij hebben Hem zelf gehoord
en wij weten, dat Deze werkelijk de redder van de wereld is.

PDF-bestand van deze lezingen

 

 

Ingesproken lezingen

Commentaar

Jean Bastiaens

Onze grenzen verleggen

De derde zondag van de veertigdagentijd heeft een stevig driegangenmenu voor ons in petto. Stevige kost – het gaat dan ook over eten en drinken. Het vraagt van ons enig doorzettingsvermogen om alle teksten recht te doen en niet te zwichten voor het luie oor. In de liturgie hebben we de tijd aan onze kant – haastige liturgie is slechte liturgie.

De lezing van Paulus staat een beetje apart. Maar de tekst is ontroerend mooi. Het is een ‘kleine paulijnse geloofsbelijdenis’. Vader, Zoon en heilige Geest vinden er hun plaats in hun onderlinge communio. Het hart van de belijdenis is de tweevoudig herhaalde zin dat de messias – Christus – voor ons is gestorven. Dat gold voor de christenen in Rome, maar het geldt ook voor ons die leven in deze gewelddadige eenentwintigste eeuw. Ook vandaag wordt Gods liefde in ons hart uitgestort, zodat wij telkens weer open kunnen staan voor het geschenk van Jezus’ leven.

De eerste lezing mag gelden als een opmaat voor het evangelie. We bevinden ons in de woestijn, en we lijden dorst. We komen in opstand tegen Mozes: we waren beter af toen we nog slaven waren! En Mozes neemt, ten einde raad, zijn toevlucht tot GOD. En juist wanneer we denken dat alles naar de vaantjes is, geeft de harde rots haar geheim prijs: stromend, levend water. En we drinken gulzig en verdringen de verwijten en twijfels van ons hart. We laven onze dorst, maar ons geloof is toe aan een opknapbeurt!

Die opknapbeurt valt ons ten deel in het verhaal over de Samaritaanse vrouw. De tekst is opgebouwd rond twee grote verhaallijnen: het gesprek tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw aan de ene kant, en het gesprek tussen Jezus en de leerlingen aan de andere kant. De vrouw en de leerlingen zijn niet betrokken in elkaars gesprekken. Het geheel wordt voorafgegaan door een inleiding: Jezus reist door Samaritaans gebied en komt bij de stad Sichar, dicht bij ‘de put van Jakob’. De put is gegraven boven een bron. Op het heetst van de dag wil Jezus hier een rustpauze nemen. Terwijl de leerlingen op zoek gaan naar eten, raakt Jezus in gesprek met een Samaritaanse vrouw.

Het is Jezus die het gesprek opent, en wel heel vrijmoedig: ‘Geef Mij te drinken!’ De vrouw is verbaasd over deze toenadering en benadrukt wat hen scheidt: Hij is ‘Jood’, zij is ‘Samaritaanse’. Jezus wil echter voorbij komen aan de grenzen die mensen voor zichzelf trekken: ‘Als je nu eens wist wie het is die je om drinken vraagt!?’ De toon is gezet: het gaat over het geheim van de identiteit van Jezus. Wie is Hij? In verhaallijn A wordt die voor de Samaritaanse – en voor ons – verborgen identiteit geleidelijk aan ontvouwd, en wel in vijf stappen: eerst ziet de vrouw in Jezus een Jood, wat ieder gesprek bij voorbaat zou moeten afblokken (1). Daarna, waarna Jezus haar ‘levend water’ aanbiedt, vraagt ze zich af of Hij soms groter is ‘dan onze vader Jakob die ons de put gaf’ (2). Wanneer het gesprek vastloopt, brengt Jezus het plots op een dieper niveau: ‘Ga uw man halen!’, wat de vrouw tot de erkenning brengt dat Jezus een profeet is (3). Nu het gesprek weer is vlotgetrokken, kan Jezus de tegenstelling tussen ‘jullie Joden’ en ‘wij Samaritanen’ overwinnen door te spreken over wat een gemeenschappelijke manier kan worden om de ene GOD te aanbidden: door Hem te aanbidden ‘in geest en waarheid’. Deze nieuwe openheid brengt bij de vrouw het verlangen naar de komst van de messias naar boven. Het eerste hoogtepunt volgt: ‘Dat ben ik, die met u spreek!’ (4)

Hier wordt het verhaal doorkruist door de tweede verhaallijn: de leerlingen komen terug van de stad en bieden Jezus iets te eten aan. De leerlingen zijn verbaasd dat Jezus aan het praten was met een Samaritaanse vrouw, en dat geeft Jezus de kans om het gesprek de wending te geven die Hij wil: Jezus heeft andere spijs om te eten, namelijk ‘de wil te doen van zijn Vader’ en ‘het volbrengen van zijn werk’. Over welk werk gaat het? Over Jezus’ initiatief om de Samaritanen te betrekken bij Gods heilswerk. Hij heeft gezaaid, en spoedig zal blijken welke gevolgen dit heeft: alle inwoners van de stad komen op Jezus af omdat ze, na het verhaal van de Samaritaanse, Hem zelf willen ontmoeten. De velden staan wit van de oogst, en de leerlingen mogen maaien. Ze mogen voltooien wat Jezus begonnen is in het hart van de vrouw. Maar dit vraagt wel om een opknapbeurt van hun geloof, want ze moeten leren openstaan voor een nieuwe fase in het revolutionaire werk van Jezus.

Op het einde komen de twee verhaallijnen samen. De hele stad Sichar loopt uit om Jezus te ontmoeten. Jezus blijft bij hen, twee volle dagen. Die ontmoeting loopt uit op het tweede hoogtepunt, wanneer de Samaritanen belijden: ‘Deze is werkelijk de redder van de wereld!’ (5) Waarvan akte.

PDF-bestand van deze comentaar

volg ons

over deze blog

Deze blog gaat op zoek naar de betekenis van Bijbelteksten.

In onze artikels wijzen we vaak de weg naar meer informatie die te vinden is in het Bijbelhuis.

Hier leest u ook artikels over onze bijzondere programmatie of evenementen.

Breng deze pagina regelmatig een bezoekje. Je vindt hier geregeld nieuwe teksten.

Jean Bastiaens, directeur van Bijbelhuis Zevenkerken.