C-cyclus dertigste zondag door het jaar

ZONDAG 27 OKTOBER 2019

  • Eerste lezing: Wijsheid van Jezus Sirach 35,12-14.16-18
  • Tweede lezing: 2 Timoteüs 4,6-8.16-18
  • Evangelielezing: Lucas 18,9-14
  • Ingesproken lezingen
  • Commentaar: Stilte is de grote openbaring

 

Sirach 35,12-14.16-18

Uit het boek Wijsheid van Jezus Sirach

 

 

 

De Heer is een rechter,
en bij Hem is er geen aanzien des persoons;
Hij neemt geen steekpenningen aan ten koste van de arme,
maar luistert naar het pleit van de verdrukte.
Hij wijst het gezucht van de wezen niet af,
noch van de weduwe wanneer zij blijft klagen.
Wie anderen bijstaat wordt welwillend ontvangen,
en zijn gebed verheft zich tot de wolken toe.
Het gebed van de arme dringt door de wolken heen,
zolang het zijn doel niet bereikt, rust het niet;
het laat niet af, totdat de Allerhoogste zich erbarmt,
en de Rechtvaardige oordeel velt en recht verschaft.

 

2 Timoteüs 4,6-8.16-18

Uit de tweede brief van de heilige apostel Paulus aan Timoteüs

 

 

 

Dierbare,
Wat mij betreft,
mijn bloed wordt weldra geplengd,
het uur van mijn heengaan is nabij.
Ik heb de goede strijd gestreden,
de wedloop voleind,
het geloof bewaard.
Nu wacht mij de krans der gerechtigheid
waarmee de Heer, de rechtvaardige Rechter,
mij zal belonen op de grote dag, en niet alleen mij
maar allen die met liefde uitzien naar zijn komst.
Bij mijn eerste verdediging heeft niemand mij bijgestaan,
allen hebben mij in de steek gelaten.
Moge het hun niet worden aangerekend.
Maar de Heer heeft mij terzijde gestaan en mij kracht gegeven
om mijn ambt als prediker van het evangelie
ten einde toe te vervullen,
zodat alle volken ervan horen.
En ik werd verlost uit de muil van de leeuw.
De Heer zal mij blijven beschermen tegen alle boze aanslagen
en mij behouden overbrengen naar zijn hemels koninkrijk.
Hem zij de heerlijkheid in de eeuwen der eeuwen!
Amen.

 

Lucas 18,9-14

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

 

 

 

In die tijd zei Jezus tot hen die,
- overtuigd van eigen gerechtigheid -
de anderen minachtten,
de volgende gelijkenis:
“Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden;
de een was een Farizeeër en de andere een tollenaar.
De Farizeeër stond met opgeheven hoofd
en bad bij zichzelf als volgt:
God, ik dank U dat ik niet ben als de rest van de mensen,
rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers,
of ook als die tollenaar daar.
Ik vast tweemaal per week
en geef tienden van al mijn inkomsten.
Maar de tollenaar bleef op een afstand
en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel;
maar hij klopte zich op de borst en zei:
God, wees mij zondaar genadig.
Ik zeg u:
deze ging gerechtvaardigd naar huis en niet die andere;
want al wie zich verheft zal vernederd,
maar wie zich vernedert zal verheven worden.”

PDF-bestand van deze lezingen

 

Ingesproken lezingen

 

 

Commentaar

Jean Bastiaens

Stilte is de grote openbaring

De lezingen van deze zondag hebben alle drie iets te maken met bidden. Wie bidt, richt zich tot GOD. Maar GOD is geen mens, dat wil zeggen: Hij reageert niet op onze gebeden zoals wij mensen dat zouden verwachten. GOD is anders. Hij (of Zij) onttrekt zich telkens weer aan onze beelden, voorstellingen, verwachtingen, dromen. Dat is de ene kant. Maar anderzijds komt Hij vaak totaal onverwachts binnen in ons leven, op een manier die we nooit voor mogelijk hadden gehouden. Vaak zeggen we pas achteraf de woorden van onze aartsvader Jakob na: ‘GOD was hier, en ik wist het niet.’ (Genesis 28,16) ‘Niemand heeft ooit GOD gezien’ – zegt Johannes in zijn evangelie (1,18). We moeten dus God GOD laten zijn, zonder Hem te willen vangen in onze vaak al te menselijke verlangens en verwachtingen. Dat we GOD nooit helemaal kennen, wil niet zeggen dat we Hem niet altijd kunnen beminnen. Zeker kunnen we dat, want GOD is trouw en altijd naar mij op zoek. Hij is immers de bron van mijn leven, de kracht van mijn bestaan. Wie zou de maker van zijn leven kunnen afwijzen (Jesaja 29,6)?

Er is dus geen directe lijn tussen het bidden en het verhoord worden zoals wij dat graag zouden zien. En toch kunnen we niet anders dan blijven bidden, vaak met schamele woorden. En als we geen woorden hebben, kunnen we schuilen in de gebeden van de Schrift, met name de Psalmen. Dat laatste is zo gek nog niet, want door te bidden met de woorden van de Schrift geven we meer ademruimte aan ons gebedsleven en wordt het opengetrokken naar een ruimer bidden. We kunnen de Psalmen dan samen met Jezus bidden. Of met de Kerk.

Natuurlijk komen we in het gebed ook onszelf tegen. Dat kan ook niet anders. ‘Stilte is de grote openbaring’, zegt Lau-Tse. In het gebed zeggen we zowel iets over onszelf als over GOD. Dat komt goed tot uitdrukking in de evangelielezing. Jezus vertelt een gelijkenis. Het gaat niet over concrete mensen, maar om twee ‘prototypen’, twee heel verschillende manieren waarop mensen kunnen bidden. De twee prototypen zijn een Farizeeër en een tollenaar. De eerste is iemand die behoort tot de beweging van de Farizeeën, de erfgenamen van de ‘verlichten’ die reeds in het boek Daniël ter sprake komen (hfd. 11-12). De Farizeeën zijn erop uit de Tora van Mozes in al zijn facetten te bestuderen en te beleven. Het is een beweging van vrome Joden die heel het dagelijks leven wil laten doordesemen van de Tora. Daar loert evenwel een gevaar om de hoek: want wie zeer vroom wil leven, heeft de neiging om de aan zichzelf opgelegde verplichtingen ook van anderen te gaan eisen. Vroomheid en hoogmoed komen dan dicht bij elkaar te liggen. Dat gold voor ‘de vromen’ van toen, en het geldt ook voor ‘de vromen’ van vandaag. Het andere prototype is dat van een Joodse tollenaar. Hoe kan een Jood willen samenwerken met de gehate bezetter, de Romeinen? Hoe kan hij zijn kost verdienen door voor de vijand te werken en op de koop toe zijn eigen volksgenoten af te persen door meer te vragen dan is toegestaan? De Farizeeër en de tollenaar zijn zeker geen vrienden van elkaar, integendeel. En toch maken ze allebei deel uit van het Joodse volk.

Het gebed van de Farizeeër is eigenlijk helemaal geen gebed, maar een zelfmanifestatie: door zich te vergelijken met iemand anders, kan de man zichzelf een goed gevoel geven. Hij wil zijn hemel verdienen, of liever: hij denkt zijn hemel al verdiend te hebben. In vergelijking met bandieten van allerlei slag, met mensen die maar huwen en scheiden alsof het niks is enz., voelt hij zich ver verheven boven deze lieden zonder moraal. Hij kan zijn verdiensten zelfs oplijsten: hij vast tweemaal per week, dat wil zeggen méér dan de Tora voorschrijft enz.

Daarnaast horen we het gebed van de tollenaar. Ook hij is naar de tempel gekomen om daar te bidden. Hij valt niet samen met wat de mensen van hem denken. Hij worstelt met zichzelf. In de tempel aangekomen, blijft hij op een afstand staan. Geen grote gebaren bij hem, geen handen ten hemel geheven. Met geloken ogen en zich kloppend op de borst, prevelt hij: ‘GOD, wees mij zondaar genadig.’ Hij vergelijkt niet, maar kijkt alleen naar zichzelf. Hij heeft weet van dingen die niet goed zijn in zijn leven, maar zijn geloof heeft hij niet opgegeven.

En dan komt Jezus met zijn bevrijdende boodschap: het gebed van deze tollenaar, hoewel misprezen door zijn omgeving, wordt door GOD aangenomen. Deze man mag in vrede gaan, en het gebed zal hem tot gids zijn om zijn leven een wending te geven. Maar de man die vooraan stond, en bad met opgeheven hoofd, zal beschaamd worden. Hij zal bij GOD geen vrede vinden. Dat zijn lessen voor ons allemaal – van hoog tot laag!

 PDF-bestand van deze commentaar

 

volg ons

over deze blog

Deze blog gaat op zoek naar de betekenis van Bijbelteksten.

In onze artikels wijzen we vaak de weg naar meer informatie die te vinden is in het Bijbelhuis.

Hier leest u ook artikels over onze bijzondere programmatie of evenementen.

Breng deze pagina regelmatig een bezoekje. Je vindt hier geregeld nieuwe teksten.

Jean Bastiaens, directeur van Bijbelhuis Zevenkerken.