Lectionarium achtentwintigste zondag door het jaar

ZONDAG 9 OKTOBER 2016 VAN DE C-CYCLUS

  • Eerste lezing: 2 Koningen 5,14-17
  • Tweede lezing: 2 Timoteüs 2,8-13
  • Evangelielezing: Lucas 17,11-19
  • Ingesproken lezingen
  • Commentaar: Het doopsel van een Syriër

 

2 Koningen 5,14-17

Uit het tweede boek Koningen

 

 

In die dagen ging de Syriër Naäman naar de Jordaan
en dompelde zich zevenmaal onder,
zoals Elisa, de man Gods, gezegd had.
Zijn huid werd weer als die van een klein kind
en hij was gereinigd van zijn melaatsheid.
Hij keerde met heel zijn gevolg naar de man Gods terug,
trad het huis binnen, ging vóór hem staan en zei:
“Nu weet ik dat er in Israël een GOD is,
en nergens anders op aarde.
Wil daarom een huldeblijk van uw dienaar aanvaarden.”
Maar Elisa antwoordde:
“Zowaar de Heer leeft, wiens dienaar ik ben,
ik neem niets van u aan.”
En hoewel Naäman er bij hem op aandrong iets aan te nemen,
bleef hij weigeren.
Toen zei Naäman:
“Geef mij dan tenminste een vracht aarde mee,
zoveel als een koppel muildieren kan dragen,
want uw dienaar wil aan geen andere goden
brand- of slachtoffers meer opdragen,
dan aan de HEER alleen.”

 

2 Timoteüs 2,8-13

Uit de tweede brief van de heilige apostel Paulus aan Timoteüs

 

 

Dierbare,
Houd Jezus Christus in gedachten,
Davids Nazaat, die uit de dood is opgestaan.
Zo luidt de boodschap die ik verkondig
en waarvoor ik zelfs als een misdadiger
gevangenschap heb te lijden.
Maar het woord van GOD laat zich niet in boeien slaan.
Daarom ben ik bereid alles te verdragen,
terwille van de uitverkorenen,
opdat ook zij het heil verwerven in Christus Jezus
en eeuwige heerlijkheid.
Hoe waar is dit woord:
“Als wij met Hem gestorven zijn
zullen wij met Hem leven.
Als wij volharden,
zullen wij met Hem heersen.
Als wij Hém verloochenen
zal Hij óns verloochenen.
Als wij ontrouw zijn
blijft Hij trouw:
zichzelf verloochenen kan Hij niet.”

 

Lucas 17,11-19

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

 

 

Op zijn reis naar Jeruzalem
trok Jezus door het grensgebied van Samaria en Galilea.
Toen Hij een dorp binnenging
kwamen Hem tien melaatsen tegemoet;
zij bleven op een grote afstand staan en riepen luidkeels:
“Jezus, Meester, ontferm U over ons!”
Hij zag hen en sprak:
“Gaat u laten zien aan de priesters.”
En onderweg werden zij gereinigd.
Een van hen keerde terug toen hij zag dat hij genezen was,
en hij verheerlijkte GOD met luide stem.
Vol dankbaarheid wierp hij zich voor Jezus’ voeten neer,
en deze man was een Samaritaan.
Hierop vroeg Jezus:
“Zijn niet alle tien gereinigd?
Waar zijn dan de negen anderen?
Is er niemand teruggekeerd om aan GOD eer te brengen
dan alleen deze vreemdeling?”
En Hij sprak tot hem:
“Sta op en ga heen; uw geloof heeft u gered.”

PDF-bestand van deze lezingen

 

Ingesproken lezingen

volgen later

 

 

Commentaar

Jean Bastiaens

Het doopsel van een Syriër

De Kerk reikt ons voor deze zondag weer mooie lezingen aan. Het is duidelijk dat de eerste lezing en de evangelielezing elkaar over en weer belichten. De lezing uit de pastorale brief aan Timoteüs staat wederom een beetje apart. Het is wel de moeite om toch minstens één prachtige zin uit die lezing te citeren: ‘Het Woord van GOD laat zich niet in boeien slaan.’ Wat er ook gebeurt, of we nu ziek zijn of ons gevangen genomen weten, het Woord van GOD is altijd binnen ons bereik en is een blijvende bron van troost, kracht en bemoediging. Misschien ervaren we dit pas wanneer we ons echt in een moeilijke situatie bevinden?

De eerste lezing gaat over een doopsel, letterlijk: een onderdompeling. We bevinden ons in de tijd van de profeet Elisa (negende eeuw v. Chr.) die onderdak heeft in Samaria, de hoofdstad van het Noordrijk. De faam van Elisa – de opvolger van de grote profeet Elia – is doorgedrongen tot buiten de landsgrenzen van Israël. Het is in feite een Hebreeuwse slavin, in dienst van de echtgenote van de koning van Aram (dat wil zeggen Damascus), die haar meesteres verwijst naar ‘de grote profeet’ die in staat moet zijn om een zwaar zieke generaal van het leger te genezen van een akelige huidziekte (melaatsheid zal het wel niet geweest zijn, want de man kan zich vrijelijk tussen de mensen begeven). De naam van deze generaal is Naäman, hij is de bevelhebber van het leger van Aram.

Wanneer Naäman hoort dat er een grote profeet in Samaria woont die hem zou kunnen genezen, besluit hij daarheen te gaan. Hij heeft wel wat over voor zijn genezing, want hij neemt een ontiegelijke hoeveelheid geld met zich mee. Aangekomen bij Elisa, verwacht hij dat Elisa hem met veel egards zal ontvangen, hem de handen zal opleggen en zal bidden. Niets van dat alles: Elisa komt niet eens naar buiten, en laat de generaal weten dat hij zich ‘zevenmaal moet gaan onderdompelen in de Jordaan om genezen te worden van zijn huidziekte’. De generaal voelt zich beledigd: moet hij zich onderdompelen in dat miezerige riviertje dat de Jordaan is, terwijl Aram zo’n prachtige waterrijke rivieren heeft? Maar zijn bedienden halen hem over om toch te gehoorzamen aan de profeet. Hij doet het en wordt rein: zijn huidziekte is compleet verdwenen.

Nu is er natuurlijk geen doopsel zonder een geloofsbelijdenis. Naäman gaat van de Jordaan terug naar Elisa en verklaart dat er voor hem nog maar één GOD op de hele aarde bestaat: de GOD van Israël! Voortaan wil hij niemand anders meer dienen dan alleen deze GOD. Toch heeft Naäman nog niet goed begrepen wie deze GOD is: hij is dan ook nog maar een beginneling in het geloof. Hij wil Elisa namelijk overladen met de rijkdommen (geld en kostbare gewaden) die hij heeft meegebracht. Maar Elisa – die optreedt als een profeet! – maakt hem duidelijk dat men de GOD van Israël niet kan ‘betalen’ voor bewezen diensten, en zijn dienaars evenmin. Alleen geloof en dankbaarheid zijn de juiste antwoorden op het machtig woord dat de profeet namens GOD gesproken heeft. Om een steuntje te geven aan zijn nog wankel geloof, vraagt Naäman dan een karrenvracht aarde te mogen meenemen naar zijn eigen land, om een altaar te bouwen dat alleen aan de GOD van Israël gewijd zal zijn.

De eerste lezing biedt een zeer toepasselijk kader voor het in reliëf zetten van de evangelielezing. Jezus is bezig aan zijn grote reis, zijn ‘levensreis’, die naar Jeruzalem voert. Op het grensgebied van Galilea en Samaria (de provincie) ontmoet hij tien melaatsen. Ze houden de gepaste afstand om besmetting te voorkomen. Met ferme stem roepen ze Jezus aan: ‘Jezus, Meester, ontferm U over ons!’ In feite is dat het kortste en meest kernachtige gebed waarmee men Jezus kan aanroepen. Zoals het geval was bij de genezing van Naäman, stuurt Jezus de tien melaatsen weg zonder hen aan te raken en zonder een verder woord. Hij zegt alleen: ‘Ga u laten zien aan de priesters’. Het meervoud, ‘priesters’, duidt erop dat sommigen zich aan Joodse, en anderen zich aan Samaritaanse priesters moeten gaan laten zien. Het zijn deze priesters die een melaatse officieel voor genezen moeten verklaren.

Alle tien worden ze genezen van hun besmettelijke ziekte. Alle tien kunnen weer als volwaardige mensen deelnemen aan de samenleving en aan de cultus. Het moet hun een onbeschrijflijk gevoel gegeven hebben. Alleen: ze nemen niet de moeite om terug te keren en Jezus opnieuw op te zoeken, om Hem hulde te brengen. Behalve die ene: en die ene is nog wel een Samaritaan. De Samaritaan keert terug en werpt zich aan de voeten van Jezus neer. Hij uit voor Jezus zijn diepe dankbaarheid (in het Grieks: eucharisteô). En deze uiting van geloof doet hem nu niet alleen genezen, maar ook gered zijn.

PDF-bestand van deze commentaar

volg ons

over deze blog

Deze blog gaat op zoek naar de betekenis van Bijbelteksten.

In onze artikels wijzen we vaak de weg naar meer informatie die te vinden is in het Bijbelhuis.

Hier leest u ook artikels over onze bijzondere programmatie of evenementen.

Breng deze pagina regelmatig een bezoekje. Je vindt hier geregeld nieuwe teksten.

Jean Bastiaens, directeur van Bijbelhuis Zevenkerken.