Lectionarium vijfentwintigste zondag door het jaar

ZONDAG 18 SEPTEMBER 2016 VAN DE C-CYCLUS

  • Eerste lezing: Amos 8,4-7
  • Tweede lezing: 1 Timoteüs 2,1-8
  • Evangelielezing: Lucas 16,1-13
  • Ingesproken lezingen
  • Commentaar: In de ban van geld

 

 

Amos 8,4-7

Uit de Profeet Amos

 

 

Hoort toe, gij die de armen verdrukt
en de misdeelden in het land verdelgt,
gij die redeneert: wanneer is de nieuwe maan voorbij?
dan kunnen we ons koren verkopen!
En wanneer de Sabbat?
dan kunnen we ons graan uitstallen.
Dan verkleinen wij de korenmaat,
dan verhogen wij de prijs
en bedriegen wij met een vervalste weegschaal.
Dan kopen wij de kleine man voor geld,
de arme voor een paar schoenen,
en verhandelen wij zelfs de afval van ons koren.
De HEER heeft gezworen bij de heerlijkheid
van Jakob:
Geen van hun daden zal Ik ooit vergeten!

 

1 Timoteüs 2,1-8

Uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan Timoteüs

 

 

Dierbare,
Vóór alles vraag ik u
gebeden, smekingen, voorbeden en dankzeggingen te verrichten
voor alle mensen, voor koningen en alle hooggeplaatsten
opdat wij ongestoord en rustig
een in alle opzichten godvruchtig en waardig leven kunnen leiden.
Dit is goed en welgevallig in het oog van God, onze Heiland
die wil dat alle mensen gered worden
en tot de kennis van de waarheid komen.
Want God is één,
één is ook de middelaar tussen God en de mensen,
de mens Christus Jezus
die zichzelf gegeven heeft als losprijs voor allen:
op de vastgestelde tijd legde Hij zijn getuigenis af.
En ik ben hiervan aangesteld als heraut en apostel
- ik spreek de waarheid, ik lieg niet -
om de volken te onderrichten in het ware geloof.
Ik wil dus
dat op elke plaats waar de gemeente samenkomt om te bidden
de mannen hun handen opheffen in een geest van godsvrucht,
die haat en ruzie uitsluit.

 

Lucas 16,1-13

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

 

 

In die tijd sprak Jezus tot zijn leerlingen:
(“Er was eens een rijk man. Hij had een rentmeester
die bij hem werd aangeklaagd omdat hij zijn bezit verkwistte.
Hij riep hem dus en vroeg:
Wat hoor ik daar van u?
Geef rekenschap van uw beheer,
want gij kunt niet langer rentmeester blijven.
Toen redeneerde de rentmeester bij zichzelf:
Wat zal ik doen nu mijn heer mij het rentmeesterschap afneemt?
Spitten kan ik niet, en bedelen: daarvoor schaam ik mij.
Ik weet al wat ik ga doen,
opdat ik na mijn ontslag als rentmeester, onderdak vind.
Hij ontbood de schuldenaars van zijn heer, één voor één,
en zei tot de eerste:
Hoeveel zijt ge aan mijn meester schuldig?
Deze antwoordde:
Honderd vaten olie.
Maar hij zei:
Hier hebt ge uw schuldbekentenis;
ga gauw zitten en schrijf: vijftig.
Daarop vroeg hij nog aan een tweede:
En hoeveel zijt gij schuldig?
Deze antwoordde:
Honderd maten tarwe.
Hij zei hem:
Hier hebt ge uw schuldbekentenis; schrijf: tachtig.
De heer prees het in de onrechtvaardige rentmeester
dat hij met overleg had gehandeld,
want de kinderen van deze wereld
handelen onderling met meer overleg
dan de kinderen van het licht.
Zo zeg Ik u ook:
Maakt u vrienden door middel van de onrechtvaardige mammon,
opdat zij - wanneer die u komt te ontvallen -
u in de eeuwige tenten opnemen.)
Wie betrouwbaar is in het kleinste
is ook betrouwbaar in het grote;
en wie onrechtvaardig is in het kleinste
is ook onrechtvaardig in het grote.
Zijt ge dus niet betrouwbaar geweest
met betrekking tot de onrechtvaardige mammon,
wie zal u dan het waarachtige goed toevertrouwen?
Als ge niet betrouwbaar zijt geweest
in het beheren van andermans goed,
wie zal u dan geven wat gij het uwe kunt noemen?
Geen knecht kan twee heren dienen,
want hij zal dan de een haten en de ander liefhebben,
ofwel de een aanhangen en de ander verachten.
Gij kunt niet God dienen en de mammon.”

PDF-bestand van deze lezingen

 

Ingesproken lezingen

 

Commentaar

Jean Bastiaens

In de ban van geld

Niets is zo verraderlijk als geld. In de wereld van het geld lijken er heel eigen wetmatigheden te zijn. Wie veel geld heeft, vermeerdert zijn geld ook meestal. Wie weinig geld heeft, ziet zijn geld vaak ook slinken – totdat het de gedaante heeft aangenomen van geldelijke schulden. Van geld lijkt men nooit genoeg te hebben: sommige mensen hebben inkomsten die zo hoog zijn dat ze ze niet ‘te gelde’ kunnen maken. En toch wil men dat geld hebben. Geld vasthouden is zoiets als het krampachtig vasthouden van zijn levensenergie, bang om het in te zetten en het te verliezen. Maar wie het geld vasthoudt, behoudt het voor zichzelf en maakt het niet nuttig. En er is zeker een relatie tussen het vasthouden van geld en het leiden van een door angst beheerst leven. Anderzijds zijn er mensen die het geld graag laten rollen om er zoveel mogelijk van terug te krijgen. Zij worden niet beheerst door angst, maar door een verlangen naar groei. Groei van wat? Groei van welvaart, groei van bezit, groei van macht, of van eer. Is geld dan werkelijk zo iets slechts? Nee, want je kunt er ook goede dingen mee doen: je kunt er mensen mee aan het werk zetten, je kunt vitale projecten uitbouwen, je kunt er de armen mee helpen om uit het slop te geraken.

In de eerste lezing krijgen we een voorbeeld van mensen die het geld graag laten rollen: zij kunnen niet wachten tot de verplichte feestdag of de sabbat voorbij is, ze zijn erop gebrand hun handel te drijven. Maar hun handel is oneerlijk: ze verkleinen de korenmaat, verhogen de prijs, vervalsen de weegschaal. Met geld maken ze de armen tot slaaf, ze kopen de arme op ‘voor de prijs van een paar schoenen’. Ze zijn zo uit op bedrog, dat ze zelfs het afval als koren verkopen. Het is zo herkenbaar. Dergelijke praktijken zijn in een paar duizend jaar niet wezenlijk veranderd. De profeten in Israël hebben zich ten sterkste tegen de hoogmoed van geldzuchtige handelaars verzet. Jesaja en Amos schreven teksten die ook vandaag nog een rechtstreekse aanklacht zijn tegen een corrupte en op geld beluste samenleving.

Wie de profetische literatuur van Israël serieus neemt, belandt onmiddellijk midden in de grote debatten van de samenleving. Elke christelijke gemeenschap zou zich op de een of andere manier daarmee bezig moeten houden. Want het dienen van de GOD van Israël en het deelnemen aan de moderne samenleving zijn geen twee gescheiden circuits.

In het evangelie gaat het ook over geld, dat de gepersonifieerde vorm kan aannemen van een echte afgod: de mammon. Wie zijn leven helemaal in dienst stelt van de mammon, kan onmogelijk tegelijkertijd ook GOD dienen, want de ene ‘dienst’ botst met de andere. De grote vraag is of wij – elk van ons, maar ook wij als gemeenschap – in staat zijn om zo met geld om te gaan dat het geen mammon wordt, dat we er geen slaaf van worden. Hoe kunnen we rentmeester blijven?

Met geld omgaan, vraagt alleszins om grote behoedzaamheid. Onze betrouwbaarheid staat immers op het spel. En Jezus laat ons verstaan hoe nauw het schoentje hier kan knellen: ‘Wie onrechtvaardig is in het kleinste, is ook onrechtvaardig in het grote.’ En omgekeerd: ‘Wie betrouwbaar is in het kleinste, is ook betrouwbaar in het grote.’ Hier is van onze kant grote alertheid vereist. Want we weten zelf ook wel dat in geldkwesties het hemd nader is dan de rok!

Aan het begin van het evangelie vinden we het voorbeeldverhaal van een rentmeester die verkwistend omging met het geld van zijn heer. Het bedrog kwam – zoals zo vaak – uiteindelijk toch aan het licht en de man werd ontslagen. Maar hij is onwillig om ander werk te zoeken – hij zou zijn handen eens vuil moeten maken – en wil zichzelf zeker ook niet vernederen tot de bedelstaf. En dus bedenkt hij hoe hij het geld van zijn heer toch nog kan aanwenden om het eigen vege lijf te redden. De rijke man heeft nogal wat schuldeisers. Hij heeft dus leningen uitstaan. De Tora schrijft voor dat van mensen van de eigen gemeenschap geen rente mag worden gevraagd, om te voorkomen dat men zo iemand de armoede in drijft. Van ‘buitenlanders’ mocht men wel rente vragen (Deuteronomium 23,21). Hoe het ook zij, de rentmeester in kwestie blijkt de schuldpapieren te kunnen aanpassen met een schuldreductie van vijftig tot twintig procent. Dat gaat om een hoop geld! Waarschijnlijk was die hoge rente voor hemzelf bedoeld. Hij deed de rente teniet, die hemzelf toch niet meer ten goede kwam. En bovendien stelde het ook zijn heer (‘de rijke man’) in een gunstig daglicht, zodat deze hem ook prees! Op die manier hoopte de rentmeester vrienden gemaakt te hebben voor de toekomst. Hoe verraderlijk geld ook is en blijft, Jezus lijkt ons te vragen: welke vrienden kunnen jullie je maken met de onrechtvaardige mammon?

 PDF-bestand van deze commentaar

volg ons

over deze blog

Deze blog gaat op zoek naar de betekenis van Bijbelteksten.

In onze artikels wijzen we vaak de weg naar meer informatie die te vinden is in het Bijbelhuis.

Hier leest u ook artikels over onze bijzondere programmatie of evenementen.

Breng deze pagina regelmatig een bezoekje. Je vindt hier geregeld nieuwe teksten.

Jean Bastiaens, directeur van Bijbelhuis Zevenkerken.