What's in a name?

Romeinse verklaring over de Naam van God *

 

Op 29 juni 2008 richtte kardinaal Arinze, prefect van de congregatie voor de cultus en de sacramenten, zich in een brief tot de bisschoppenconferenties van de RK-Kerk over ‘de Naam van God’. Het is een brief die gemakkelijk tussen de veelheid van documenten verdwijnt, maar die niettemin theologisch én oecumenisch van groter belang is dan men op het eerste gezicht zou denken. De brief – die niet meer dan drie bladzijden telt – geeft eerst een stand van zaken over de kwestie om te eindigen met een ‘normatief gedeelte’. **

 

Heeft God een Naam?

De brief handelt in feite over de weergave van het Hebreeuwse vierletterwoord voor God, het zogenaamde tetragrammaton: JHWH. Het komt voor in heel de Bijbel, vanaf het boek Genesis, maar de naam wordt expliciet geduid in het roepingsverhaal van Mozes in Exodus 2:23-4:31. Mozes vraagt aan God wat hij tegen de Israëlieten moet antwoorden als ze hem vragen naar de naam van de God (in het Hebreeuws: Elohim) die tot hem gesproken heeft en die hem heeft aangesteld om het geknechte volk uit Egypte te leiden. De naam is als het ware de garantie van echtheid en betrouwbaarheid. Maar Mozes krijgt niet wat hij vraagt: God geeft Mozes geen naam mee waarmee het volk Hem, God, zou kunnen vastleggen. God krijgt hier geen eigennaam.

Het antwoord van God op de vraag van Mozes luidt: ‘Ik ben die er zal zijn. Zeg daarom tegen de Israëlieten: “ik zal er zijn heeft mij naar u toegestuurd.”’ (3:14) En in het volgende vers komen we het tetragrammaton tegen: ‘Zeg tegen hen: JHWH heeft mij gestuurd, de God van uw voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. En Hij heeft gezegd: “Zo wil ik voor altijd heten, met die naam wil ik worden aangeroepen door alle komende generaties.”’ (3:15 – NBV Studiebijbel)

In de brontekst is het duidelijk dat er een relatie wordt gelegd tussen het tetragrammaton JHWH en de naam (die geen eigennaam is): ik zal er zijn: de Hebreeuwse/Aramese stam voor ‘zijn’ (hjh/hwh) vinden we als medeklinkers immers terug in JHWH. Exegeten denken dat JHWH uitgesproken zou kunnen worden als Jahweh (‘hij is’ of ‘hij zal zijn’); het voorvoegsel jah of jahu vinden we immers terug in namen als Elija of Elijahu. Maar de Hebreeuwse brontekst verbiedt een uitspreken van het vierletterwoord: er zijn om dit uitspreken te vermijden, onder de stamletters JHWH klinkers geplaatst die horen bij het woord Adonay, dat ‘mijn Heer’ betekent. Dat betekent dus: er staat JHWH, maar je moet lezen: Adonay, ‘mijn Heer’. Alle latere vertalingen van de Hebreeuwse grondtekst hebben deze leeswijzer gerespecteerd: in de Griekse vertaling van het Oude Testament (Septuagint) vinden we steeds de weergave met kurios (‘Heer’) voor het tetragrammaton, in de Latijnse vertalingen (Vetus Latina, Vulgaat en Neo-Vulgaat) dominus (‘Heer’).

 

Gods Naam is onuitspreekbaar

De traditie om het vierletterwoord JHWH niet uit te spreken, is dus zeer oud. Het is onuitspreekbaar gemaakt. En in het boek Exodus wordt de verbinding gelegd met de garantie van God dat Hij er voor Israël zal zijn, wat er ook gebeurt: ‘ik zal er zijn heeft mij naar u toegestuurd’, horen we God tegen Mozes zeggen (3:14). God trekt mee met zijn volk door de geschiedenis, en Hij maakt geschiedenis met hen, maar zijn Naam blijft een onuitspreekbaar geheim.

In de exegese van de negentiende en de twintigste eeuw, wilde men terug naar de geschiedenis ‘achter de tekst’, men onderzocht de bronnen die ten grondslag zouden liggen aan de Bijbeltekst zoals die ons is overgeleverd. Literaire analyse, analyse van de vormen en analyse van de redactiegeschiedenis van een tekst kregen alle aandacht in de zogenaamde historisch-kritische methoden. In alle commentaren gaf men het vierletterwoord steevast weer met Jahweh, omdat men dacht hiermee het dichtst bij de oorsprong van het tetragrammaton te staan. En zo drong deze weergave ook door in vertalingen, zoals in de Willibrorduitgave van 1975 (totum-editie). En ook in gebeden en gezangen dook de weergave met Jahweh steeds vaker op: zie bijvoorbeeld in de oude editie van Zingt Jubilate het lied Israël trok Egypte uit (nr. 317) waar het volk geacht wordt te zingen: ‘alleen Jahweh, de Heer, Jahweh, de Heer die hen voerde door de woestijn’.

In theologische kringen werd hier en daar al kritisch gereageerd op deze manifeste keuze om de Godsnaam – het vierletterwoord – dan tóch uit te spreken. En toen men in bepaalde kringen meer en meer aandacht kreeg voor de Joodse exegese van Bijbelse teksten, steeg ook de gevoeligheid voor deze materie. Ik herinner mij dat ik in ongeveer 1982 in Amsterdam een gastcollege bijwoonde van Willem Barnard, die vertelde hoe mooi hij de psalmenvertaling van de dames Gerhardt en Van der Zeyde vond, maar dat de weergave Jahweh toch wel een zware smet op dit juweeltje was!

 

Ook Jezus wordt ‘Heer’ genoemd

In de brief gaat kardinaal Arinze echter nog een stap verder door erop te wijzen dat in het Nieuwe Testament Jezus ook ‘Heer’ (in het Grieks: kurios) wordt genoemd. Het gaat hier volgens hem om een titel die, geheel in discontinuïteit met de Joodse verwachtingen, ook wijst op de goddelijkheid van Jezus. En dit was mogelijk omdat de Septuagint het vierletterwoord JHWH consequent met kurios had weergegeven. Dit noopt volgens hem eens te meer tot trouw aan de traditie, die niet wil dat het tetragrammaton wordt vertaald.

 

Nieuwe richtlijnen

En zo komt de kardinaal tot drie nieuwe richtlijnen:

Het tetragrammaton JHWH mag niet worden uitgesproken in liturgische vieringen.
In moderne vertalingen van de Bijbel moet het tetragrammaton worden weergegeven met een equivalent van Adonay, voor het Nederlands kan dat alleen maar ‘Heer’ zijn.
Voor vertalingen die gebruikt worden in de liturgie, geldt de regel dat wanneer Adonay en JHWH vlak na elkaar gebruikt worden, Adonay wordt weergegeven met ‘Heer’ en JHWH met ‘God’.
 

Enkele bemerkingen

Aan het begin van zijn brief, zegt kardinaal Arinze dat hij deze schrijft op aandrang van de paus en met goedkeuring van de congregatie voor de geloofsleer. Het is dus geen vrijblijvend schrijven. Men wil werkelijk komaf maken met een gebruik om de Godsnaam JHWH in de liturgie (lectionaria, gebeden, gezangen) en in Bijbelvertalingen te vertalen met Jahweh. Ik heb de indruk dat de christologie (‘Jezus is [de] Heer’) daarbij het meest zwaar doorweegt. Het is jammer dat hij weinig zegt over het oecumenisch belang van het respecteren van wat reeds in de Hebreeuwse grondtekst wordt aanbevolen. Voor joden is het uitspreken van het tetragrammaton met Jahweh immers een gruwel. In een recente editie van Tanach (een uitgave van de Hebreeuwse tekst + de Nieuwe Bijbelvertaling) wordt het tetragrammaton consequent weergegeven met ‘de eeuwige’.

 

Weergave in de NBV-Studiebijbel

In 2008 verscheen de Studiebijbel van de Nieuwe Bijbelvertaling. Niet alleen de vertaling zelf, maar ook deze Studiebijbel is een breed gedragen oecumenisch project. Omdat deze uitgave de studie van de Bijbelse teksten wil stimuleren en daartoe de nodige hulpmiddelen aanreikt, is het tetragrammaton hier niet weergegeven met heer (in klein kapitaal, zoals in de gewone NBV-edities), maar is ervoor gekozen het vierletterwoord gewoon te laten staan, onvertaald en zonder substituut. Daar wordt in het kaderartikel Godsnaam de volgende commentaar bij gegeven: ‘In deze studiebijbel is ervoor gekozen de godsnaam niet te vertalen, maar weer te geven met het tetragrammaton JHWH. Hoewel men zonder klinkers deze naam niet goed kan (voor)lezen, geven de vier medeklinkers wel de eigenheid weer van de Hebreeuwse brontekst. In plaats van JHWH kan men het meer gebruikelijke heer lezen of een alternatief zoals Eeuwige, Aanwezige, De Naam, He(e)re, God, Onnoembare, Enige, Levende.’ (blz. 102).

 

Bijbels denken

Ervoor kiezen om het tetragrammaton niet uit te spreken met Jahweh, is kiezen voor een Bijbelse benadering van God. Spreken we niet veel te gemakkelijk over God, alsof we weten wie Hij/Zij is, hoe Hij/Zij is en wat Zijn/Haar wil is? De Bijbel zelf laat in allerlei toonaarden horen en zien hoe vermetel het is wanneer mensen denken precies te weten wie God is. God is de Onnoembare. Maar Hij is ook JHWH, ik-zal-er-zijn. De tora brengt het verhaal over het volk van God. De profeten stellen ons geloof permanent onder kritiek. En Jezus? Jezus is beeld van God.

Aan één aspect gaat kardinaal Arinze in zijn brief wel voorbij, en dat is het patriarchale karakter van de weergave van JHWH met heer. Want hoewel het hier dus om een zeer oude Joodse en christelijke traditie gaat, versterkt die weergave wel het patriarchale in de Godsvoorstelling, terwijl dat aspect niet in het tetragrammaton zelf zit opgesloten. Dat is dan weer het voordeel van een weergave met de eeuwige, zoals in Tanach. In de homilie kan de predikant van dienst zelf kiezen voor een weergave van de Godsnaam bij uitstek (JHWH) en zo ook de gelovigen uitnodigen zelf een weergave te kiezen die het dichtst bij het eigen aanvoelen staat.

 

Jean Bastiaens

 



*Deze bijdrage schreef ik in 2009 en verscheen in het tijdschrift Pastoralia. Vanwege het belang van de theologisch juiste omgang met de Naam van God, ook vandaag, blijft deze bijdrage actueel.
**Congregatio de cultu divino et disciplina sacramentorum, Lettre aux Conférences des Evêques sur le ‘Nom de Dieu’ – Francis Card. Arinze, préfet – 29 juin 2008.

volg ons

over deze blog

Deze blog gaat op zoek naar de betekenis van Bijbelteksten.

In onze artikels wijzen we vaak de weg naar meer informatie die te vinden is in het Bijbelhuis.

Hier leest u ook artikels over onze bijzondere programmatie of evenementen.

Breng deze pagina regelmatig een bezoekje. Je vindt hier geregeld nieuwe teksten.

Jean Bastiaens, directeur van Bijbelhuis Zevenkerken.