Een tekst voor de Veertigdagentijd.


Een vader had twee zonen...(Lucas 15,11-32)

De evangelielezing van vandaag is van een ongekende schoonheid en diepgang. We kennen het doorgaans als het verhaal van de verloren zoon – maar eigenlijk is dat maar de halve waarheid. Er zijn immers twee zonen, en aan het einde vraag je je af wie nu eigenlijk die 'verloren zoon' is!
Laten we beginnen bij de oudste zoon. Hij is een hardwerkende man, plichtsgetrouw. Hij heeft een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Wat horen we hem zeggen tegen zijn vader? 'Al zoveel jaren ben ik in uw dienst en nooit heb ik uw geboden overtreden.' Ja, hij is een man die vasthoudt aan de geboden, vol overtuiging, heel scrupuleus. Dienen en zich houden aan de geboden liggen voor hem dicht bij elkaar. Maar – en daar wringt het schoentje – wat hij voor zichzelf aanhoudt als regel en als principe, wil hij ook aan anderen opleggen. Iedereen moet zo zijn: iedereen plichtsgetrouw, hardwerkend, altijd erop uit om zich aan de wet te houden. Wie dat niet doet, zal zelf de consequenties daarvan moeten dragen. En zo kijkt hij ook naar zijn jongste broer: 'vader', zegt hij', die zoon van u (ja, zo staat het er!) is thuisgekomen, arm en berooid, omdat hij al uw geld over de balk heeft gesmeten, omdat hij het aanhield met vrouwen die zich lieten betalen, omdat hij losbandig leefde – en zo iemand onthaalt u op een feest en voor zo iemand slacht u het gemeste kalf?' Vol ongeloof en ingehouden woede kijkt hij zijn vader aan. Maar... er zit ook teleurstelling onder, zoals we horen: 'Nooit hebt u mij eens een bokje gegeven om feest te vieren met mijn vrienden.' Wat blijkt: hij heeft er blijkbaar ook nooit om gevraagd (!), zo vast als hij zat in zijn opvatting van plichtsgetrouw dienen. De oudste zoon is niet in staat om met de ogen van zijn vader, met barmhartigheid, naar zijn jongere broer te kijken. Hij kan het gewoon niet.

Laten we nu kijken naar de jongste zoon. Dat is een heel ander type! Iemand die houdt van feestvieren, van de teugels laten vieren, van ontspanning en jolijt. Dat is iemand die grenzen wil verleggen, nieuwe dingen wil meemaken en beleven. Een avonturier, grote reizen maken, andere mensen leren kennen. Verantwoordelijkheid? Dat is iets voor later! Dat schuift hij voor zich uit. In zijn jeugdige vrijmoedigheid gaat hij zo ver om van zijn vader het erfdeel te eisen waarop hij recht heeft. Ja, zo horen we het hem zeggen: 'Geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb.' En de vader geeft het hem, zonder omwegen. En weg is de zoon, voor lange tijd in geen velden of wegen meer te bekennen. Laten we hier even halt houden bij het verhaal: Kan ik mij wat hier gebeurt werkelijk voor de geest halen? Hoe zou ik, als ouder, reageren op de vraag van mijn kind? Kan ik eigenlijk wel inkomen in de handelwijze van de vader?
Het verhaal gaat verder. Natuurlijk is het een fantastisch leven voor de jongste zoon, maar het blijft niet duren. Er komt een verschrikkelijke hongersnood in het vreemde land waar hij verblijft, en zijn geld is spoedig erdoor gejaagd. Weg geld, weg vrienden! Moederziel alleen. Hij verhuurt zich aan een landeigenaar die hem – als Jood – de varkens laat hoeden. Hij zit diep in de penarie. En dan, juist dan gebeurt het. 'Hij kwam tot zichzelf', zegt Lucas. Hij begon na te denken over wat hij gedaan had, wat het hem had opgeleverd. En beetje bij beetje worden hem de ogen geopend. In de diepste nood krijgt hij het heldere zicht op zichzelf zoals hij het nooit eerder had. Het is een moment van bevrijding, van verlichting. Het inzicht verloopt in twee fasen: ten eerste is er de vraag hoe het komt dat hij zo ongelukkig is terwijl de dagloners van zijn vader alles hebben wat ze willen – gewone dagloners! Ten tweede: hij begint te zien wat de kwaliteit is van zijn relatie tot zijn vader. En dan neemt hij een moedig besluit: 'Ik ga terug, terug naar mijn vader, en ik zal zeggen: tegen u en tegen de hemel heb ik gezondigd!' Hij is niet gefocust op zijn eigen zondigheid – wat het ook allemaal geweest moge zijn – maar op de relatie: tegen u heb ik gezondigd, en deze opstelling in het verleden jegens zijn vader heeft ook de relatie met de hemel verstoord.
Er is soms moed voor nodig om je eigen situatie onder ogen te zien, en te zeggen: 'ik ben fout geweest, over de hele lijn. Ik moet op mijn schreden terugkeren.' De jongste zoon heeft die moed. Hij gaat terug en buigt zijn hoofd en maakt zich klein en kwetsbaar, ja zozeer dat hij zegt tegen zijn vader: 'Ik ben niet meer waard uw zoon te heten.' Dat is verregaand. De zoon vindt dat hij geen aanspraak meer kan maken op de liefde van zijn vader. 'Degradeer mij maar tot een gewone dagloner, ik heb de boel onherstelbaar verpest.'

Onherstelbaar? Had de vader hem dan al afgeschreven? Wat vertelt Jezus? De vader zag hem al in de verte aankomen! De vader heeft al die tijd op hem gewacht, hem niet losgelaten, gehoopt op een ommekeer. En wat doet de vader? Hij snelt naar zijn zoon toe, die een schim van zichzelf lijkt en toch ook weer niet, hij valt hem om de hals en kust hem. Bij de vader is het niet de wrok die spreekt, geen kwaadheid – al heeft die zijn rechten – maar het is zijn hart dat spreekt, met de bastoon die vanuit de diepere lagen van de ingewanden zijn inzichten en gevoelens ondersteunt. Hij luistert naar zijn zoon die woorden van ommekeer spreekt: 'Ik heb gezondigd tegen u en tegen de hemel.' Maar hij ontneemt hem niet zijn zoonschap – dat had de jongen zelf al gedaan –, integendeel: hij neemt hem opnieuw aan als zijn zoon: 'Haal het mooiste kleed, trek het hem aan, steek hem een ring aan zijn vinger en geef hem sandalen.' Adembenemend, hoe moedig de vader is!
Het verlossende woord – voor de jongste zoon – wordt dan door de vader gesproken: 'Jongen, door alles wat je deed had je jezelf, gaandeweg, het leven ontzegd. Dood was je, maar je bent weer levend geworden.' Zijn zoon, verrezen uit de dood.
De oudste zoon kan dit niet aanvaarden. Hij snapt de taal van zijn vader niet: dood, en weer levend geworden. Hij ziet alleen wat de jongste zoon kríjgt, en wat hemzelf is onthouden, ja, wat hij zichzelf heeft onthouden. De oudste zoon klampt zich vast aan de gerechtigheid, maar van barmhartigheid heeft hij niets begrepen. Nog niet.

Vierde zondag van de Veertigdagentijd (C-jaar) Jean Bastiaens ©

 

PDF-bestand van deze commentaar

volg ons

over deze blog

Deze blog gaat op zoek naar de betekenis van Bijbelteksten.

In onze artikels wijzen we vaak de weg naar meer informatie die te vinden is in het Bijbelhuis.

Hier leest u ook artikels over onze bijzondere programmatie of evenementen.

Breng deze pagina regelmatig een bezoekje. Je vindt hier geregeld nieuwe teksten.

Jean Bastiaens, directeur van Bijbelhuis Zevenkerken.