A-cyclus Feest van Christus, koning van het heelal

 Zondag 26 november 2017

  • Eerste lezing: Ezechiël 34,11-12.15-17
  • Tweede lezing: 1 Korintiërs 15,20-26.28
  • Evangelielezing: Matteüs 25,31-46
  • Ingesproken lezingen
  • Commentaar: Christus, Koning van de rechtvaardigen

 

Ezechiël 34,11-12.15-17

Eerste lezing uit de profeet Ezechiël

 

zo zal Ik omzien naar mijn schapen  en ze in veiligheid brengen

 

Zo spreekt God de Heer:
"Ik zoek mijn kudde op en bezoek mijn eigen schapen.
Zoals een herder omziet naar zijn kudde,
en zich onder zijn schapen begeeft wanneer ze verstrooid zijn,
zo zal Ik omzien naar mijn schapen
en ze in veiligheid brengen, hoe ver ze ook afgedwaald zijn
ten gevolge van mist en nevel.
Ik zal mijn schapen weiden, Ik zelf zal ze laten rusten,
- spreekt God de Heer-.
Het vermiste schaap ga Ik zoeken,
het verdwaalde breng Ik terug,
het gewonde verbind Ik,
het zieke geef Ik weer kracht
en het gezonde en sterke blijf Ik verzorgen.
Ik zal ze laten weiden zoals het behoort.
En gij, mijn schapen - zo spreekt God de Heer -:
Ik zal recht doen aan het ene dier tegenover het andere, tegenover ram en bok'.

 

 

1 Korintiërs 15,20-26.28

Tweede lezing uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte

 

Zoals allen sterven in Adam, zo zullen ook allen in Christus herleven.

 

Broeders en zusters,
Christus is opgestaan uit de doden
als eersteling van hen die ontslapen zijn.
Want omdat door een mens de dood is gekomen,
komt door een mens ook de opstanding van de doden.
Zoals allen sterven in Adam,
zo zullen ook allen in Christus herleven.
Maar ieder in zijn eigen rangorde:
als eerste en voornaamste Christus,
vervolgens bij zijn komst,
zij die Christus toebehoren;
daarna komt het einde,
wanneer Hij het koningschap
aan God de Vader zal overdragen,
na alle heerschappijen en alle machten en krachten
te hebben onttroond.
Want het is vastgesteld
dat Hij het koningschap zal uitoefenen,
tot Hij al zijn vijanden onder zijn voeten heeft gelegd.
En de laatste vijand die vernietigd wordt, is de dood.
En wanneer alles aan Hem onderworpen is,
zal ook de Zoon zelf zich onderwerpen aan Degene,
die het al aan Hem onderwierp.
Dan zal God zijn
alles in allen.

 

 

Matteüs 25,31-46

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

 

dan zal Hij plaats nemen op zijn troon van glorie

 

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
'Wanneer de Mensenzoon komt in zijn heerlijkheid
en vergezeld van alle engelen,
dan zal Hij plaats nemen op zijn troon van glorie.
Alle volken zullen voor Hem bijeengebracht worden
en Hij zal ze in twee groepen scheiden,
zoals de herder een scheiding maakt
tussen schapen en bokken.
De schapen zal Hij plaatsen aan zijn rechterhand,
maar de bokken aan zijn linker.
Dan zal de Koning tot die aan zijn rechterhand zeggen:
'Komt, gezegenden van mijn Vader,
en ontvangt het Rijk dat voor u gereed is
vanaf de grondvesting der wereld.
Want Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven,
Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven,
Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen.
Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed,
Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht,
Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht'.
Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen:
'Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien
en U te eten gegeven,
of dorstig en U te drinken gegeven?
En wanneer zagen wij U als vreemdeling
en hebben U opgenomen,
of naakt en hebben U gekleed?
En wanneer zagen wij U ziek of in de gevangenis
en zijn U komen bezoeken?'
De Koning zal hun ten antwoord geven:
'Voorwaar, Ik zeg u:
al wat gij gedaan hebt
voor een dezer geringsten van mijn broeders,
hebt gij voor Mij gedaan'.
En tot die aan zijn linkerhand zal Hij dan zeggen:
'Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur
dat bereid is voor de duivel en zijn trawanten.
Want Ik had honger en gij hebt Mij niet te eten gegeven.
Ik had dorst en gij hebt Mij niet te drinken gegeven.
Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij niet opgenomen,
naakt en hebt Mij niet gekleed.
Ik was ziek en in de gevangenis en gij zijt Mij niet komen bezoeken'.
Dan zullen ook zij antwoorden en zeggen:
'Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien of dorstig
of als vreemdeling of naakt of ziek
of in de gevangenis,
en hebben wij niet voor U gezorgd?'
Daarop zal Hij hun antwoorden:
'Voorwaar, Ik zeg u:
al wat gij niet voor een van deze geringsten hebt gedaan,
hebt gij ook voor Mij niet gedaan.
En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf,
maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven.'

 

PDF-bestand van deze lezingen

 

INGESPROKEN LEZINGEN

 

 

 

COMMENTAAR BIJ DE ZONDAGSLEZINGEN

— Jean Bastiaens —

Christus, Koning van
de rechtvaardigen

We vieren de laatste zondag van het kerkelijke jaar. Dat is geen eindpunt, want de teksten van de laatste zondagen reiken de lezingen van de eerste zondagen van de advent de hand. Het is ook geen feest van triomf, want de evangelielezing zet ons met beide voeten op de (harde) grond. De titel van het feest kan een beetje vervreemden, aangezien het woord 'heelal' niet echt een Bijbels woord is. Het doet denken aan een eeuwig uitdijend en leeg universum. Het Bijbelse scheppingsverhaal begint niet bij het ontstaan van het 'heelal', maar bij het ontstaan van 'hemel en aarde'. Wat er vóór de schepping van hemel en aarde ligt, is voor ons verborgen, daar kunnen we niet over spreken. Daarom is de allereerste letter van de Hebreeuwse Bijbel een 'B' (beth), dat wil zeggen een letter die – van rechts naar links gelezen – alleen aan de linkerzijde open is. Wat er aan de 'B' voorafgaat, weten we niet.

De tweede lezing vormt een mooie opmaat voor dat feest en mag dan ook zeker niet ontbreken. Paulus plaatst het koningschap van Jezus in perspectief. Christus is als eerste uit de doden opgestaan. Die opstanding heeft een nieuwe tijd doen inluiden. Wie Christus toebehoort, zal ook in Hem herleven – en dat zal gebeuren bij zijn komst als verheerlijkte Mensenzoon. Met die komst zet het 'einde' in, dat wil zeggen het einde van Jezus als koning van een menigte van mensen. Wanneer de laatste vijand, de dood, is onderworpen, zal ook Jezus zich onderwerpen aan de Vader: „Dan zal GOD alles in allen zijn." Ook in dat opzicht kan de titel van het feest, Christus, Koning van het Heelal, wat misleidend zijn. Gelukkig hebben we Paulus om alles toch in goede banen te leiden.

De eerste lezing en de evangelielezing sluiten mooi bij elkaar aan. In de eerste lezing staat niet zozeer het woord 'koning' als wel het woord 'herder' centraal. Ezechiël klaagt de leiders van zijn tijd aan omdat ze geen echte leiders zijn die zorg dragen voor hun mensen. Daarom wordt GOD hier binnengeleid als 'de goede Herder', dat wil zeggen de Herder die wel bij tij en ontij bekommerd is om het welzijn van de kudde. Twee groepen van woorden staan tegenover elkaar: de schapen kunnen 'verstrooid/uiteengedreven' zijn, ze kunnen 'afgedwaald' zijn, ze kunnen 'vermist' of 'gewond' of 'ziek' zijn of gewoon blijvende zorg nodig hebben. Daarnaast horen we over de goede Herder die 'zich onder zijn schapen begeeft', die 'omziet', 'in veiligheid brengt', die 'weidt en laat rusten', die 'zoekt', 'terugbrengt', 'verbindt', 'kracht geeft' en 'verzorgt'. Al die woorden hebben een eigen zeggingskracht en we mogen ze aandachtig proeven met onze geestelijke zintuigen. Ze geven ons een diep vertrouwen dat GOD werkelijk voor ons persoonlijk en voor ons als gemeenschap een goede Herder wil zijn.

De laatste zin van de eerste lezing hoort eigenlijk bij een volgende perikoop, maar de makers van het lectionarium hebben hem er een beetje bij gefoefeld. Het is de inleiding op een rechtszaak, waarin GOD de leiders aanklaagt en het opneemt voor het van zorg verstoken dier – en in die zin scheiding maakt tussen 'ram' en 'bok'. Daarmee wil men de link met de evangelielezing versterken.

De evangelielezing is werkelijk majestueus, zowel qua vorm – met zijn nadrukkelijke herhalingen – als qua inhoud. Nu horen we geen parabel meer over het Koninkrijk van de Hemel in zijn eindstadium, maar een verhaal dat rechttoe rechtaan wordt verteld. Jezus spreekt over het komen van de Mensenzoon 'in heerlijkheid', dat wil zeggen de heerlijkheid die Hij van de Vader heeft ontvangen. De Mensenzoon zal dan plaatsnemen op zijn 'troon' – als een koning – en te werk gaan als een herder. Alle volken zullen voor zijn troon verschijnen, niemand uitgezonderd. En dan zal Hij scheiding maken – zoals GOD ooit scheiding maakte tussen het water en het droge – tussen twee groepen van mensen, de schapen en de bokken.

De schapen worden gezegenden genoemd en mogen het Koninkrijk van de Hemel 'ontvangen'. Want die mensen hebben de werken van de Mensenzoon gedaan: ze hebben hongerigen te eten gegeven, dorstigen te drinken gegeven, vreemdelingen opgenomen, naakten gekleed, zieken aandacht gegeven, gevangen bezocht. Merkwaardig, maar deze rechtvaardigen zijn er zich helemaal niet bewust van dat ze Jezus als zodanig gezien of ontmoet hebben. Jawel, zegt Jezus, je hebt de Mensenzoon al in de ogen gekeken, 'want alles wat je gedaan hebt voor de geringsten van mijn broeders, heb je voor Mij gedaan'. En omgekeerd, wie zich heeft afgewend van al die geringen, heeft ook de Mensenzoon nooit ontmoet. Het gevolg is dat die laatste de Mensenzoon dan evenmin zal ontmoeten wanneer die komt in zijn heerlijkheid. Wie anderen buitensloot, zal zichzelf aan het einde buitensluiten. Zalige hoogdag van 'Christus, Koning van de rechtvaardigen'.

PDF-bestand van deze commentaar

 

volg ons

over deze blog

Deze blog gaat op zoek naar de betekenis van Bijbelteksten.

In onze artikels wijzen we vaak de weg naar meer informatie die te vinden is in het Bijbelhuis.

Hier leest u ook artikels over onze bijzondere programmatie of evenementen.

Breng deze pagina regelmatig een bezoekje. Je vindt hier geregeld nieuwe teksten.

Jean Bastiaens, directeur van Bijbelhuis Zevenkerken.