A-cyclus drieëndertigste zondag door het jaar

Zondag 19 november 2017

  • Eerste lezing: Spreuken 31,10-13.19-20.30-31
  • Tweede lezing: 1 Tessalonicenzen 5,1-6
  • Evangelielezing: Matteüs 25,14-30
  • Ingesproken lezingen
  • Commentaar: Het Koninkrijk van de Hemel laten oplichten. Of niet?

 

Spreuken 31,10-13.19-20.30-31

Eerste lezing uit het boek Spreuken

 

Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?

 

Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?
Haar waarde gaat uit
boven die van kostbare koralen.
Het hart van haar man vertrouwt op haar
en zijn winst zal hem niet ontgaan.
Zij brengt hem goed, geen kwaad,
alle dagen van haar leven.
Zij kiest zorgvuldig wol en linnen
en haar handen bewerken het met genoegen.
Zij strekt haar handen uit naar het spinrokken
en zij houdt de weefspoel in haar vingers.
Zij opent haar hand voor de behoeftige
en strekt haar armen uit naar de misdeelde.
Bevalligheid is bedrieglijk,
schoonheid is vluchtig,
maar een vrouw die de Heer vreest,
zij moet geprezen worden.
Roemt haar om de vrucht van haar handen
en prijst haar bij de poorten
om haar werken.


 

1 Tessalonicenzen 5,1-6

Tweede lezing uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen in Tessalonica

 

Kinderen van het licht

 

Broeders en zusters,

Het heeft geen zin,
u te schrijven over tijd en uur.
Gij weet zelf heel goed, dat de dag des Heren komt
als een dief in de nacht.
Terwijl zij zeggen:
"Er heerst vrede en veiligheid"
juist dan overvalt hen plotseling het verderf
zoals weeen een zwangere vrouw,
en zij zullen niet ontsnappen.
Maar gij, broeders en zusters, gij leeft niet in de duisternis,
zodat de dag u als een dief zou verrassen.
Gij zijt allen kinderen van het licht, kinderen van de dag.
Wij behoren niet aan nacht en duisternis.
Laten wij dan ook niet slapen als de anderen,
maar waken en nuchter zijn.

 

MatteÜs 25,14-30

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

 

Aan de een gaf hij vijf talenten,  aan de ander twee, aan een derde een,  ieder naar zijn bekwaamheid.

 

In die tijd hield Jezus zijn leerlingen deze gelijkenis voor:
Een man riep bij zijn vertrek naar het buitenland
zijn dienaars bij zich om hun zijn bezit toe te vertrouwen.
Aan de een gaf hij vijf talenten,
aan de ander twee, aan een derde een,
ieder naar zijn bekwaamheid.
Daarna vertrok hij.
Die de vijf talenten gekregen had,
ging er terstond mee werken en verdiende er vijf bij.
Zo verdiende ook degene die er twee gekregen had,
er twee bij.
Maar die er een had gekregen,
ging een gat in de grond graven
en het geld van zijn heer verbergen.
Een hele tijd later kwam de heer van de dienaars terug
en hield afrekening met hen.
Die de vijf talenten gekregen had,
trad naar voren
en bood nog vijf talenten aan met de woorden:
"Heer, vijf talenten hebt gij mij toevertrouwd;
ziehier, vijf talenten heb ik erbij verdiend."
Zijn meester sprak tot hem:
"Uitstekend, goede en trouwe dienaar,
over weinig waart ge trouw,
over veel zal ik u aanstellen.
Ga binnen in de vreugde van uw heer."
Nu trad die van de twee talenten naar voren en zei:
"Heer, twee talenten hebt gij me toevertrouwd;
ziehier, twee talenten heb ik erbij verdiend."
Zijn meester sprak tot hem:
"Uitstekend, goede en trouwe dienaar, over weinig waart ge trouw,
over veel zal ik u aanstellen.
Ga binnen in de vreugde van uw heer."
Ten slotte trad ook die van een talent naar voren en zei:
"Heer, ik heb ervaren dat gij een hard mens zijt,
die oogst waar gij niet gezaaid hebt
en binnenhaalt waar gij niet hebt uitgestrooid.
Daarom was ik bang
en ben uw talent in de grond gaan verbergen.
Hier hebt ge uw eigendom terug".
Maar zijn meester gaf hem ten antwoord:
"Slechte en luie knecht,
je wist toch dat ik oogst waar ik niet gezaaid heb,
en binnenhaal waar ik niet heb uitgestrooid?
Daarom had je mijn geld bij de bankiers moeten uitzetten,
dan zou ik bij mijn komst
mijn bezit met rente teruggekregen hebben.
Neemt hem dus dat talent af
en geeft het aan wie de tien talenten heeft.
Want aan ieder die heeft, zal gegeven worden,
zelfs in overvloed gegeven worden;
maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden
zelfs wat hij heeft.
En werpt die onnutte knecht buiten in de duisternis;
daar zal geween zijn en tandengeknars."

 

PDF-bestand van deze lezingen

 

INGESPROKEN LEZINGEN

 

COMMENTAAR BIJ DE ZONDAGSLEZINGEN

Jean Bastiaens

Het Koninkrijk van de Hemel
laten oplichten. Of niet?

 


De evangelieteksten van de voorlaatste en laatste zondag van het kerkelijke jaar komen uit hoofdstuk 25 van Matteüs. Dat hoofdstuk vormt weer een eenheid met hoofdstuk 24. Centraal staat telkens het komen van de Mensenzoon. Die Mensenzoon is Jezus als unieke gestalte van GOD, als de 'eniggeboren Zoon' door wie GOD 'Nu de tijd ten einde loopt tot ons gesproken heeft, die Hij heeft aangewezen als enig erfgenaam en door wie Hij de wereld geschapen heeft' (Brief aan de Hebreeen 1, 2). Wij leven in een tussentijd, tussen het herinneren en het verwachten in. Wanneer we samenkomen om te luisteren naar het Woord en het brood te breken, horen we opnieuw wat ons al vaker gezegd werd, en kijken we vooruit naar zijn komst: Maranatha! Kom spoedig, Heer Jezus! (Openbaring 22, 20)

Door het doopsel zijn we geent op het leven van Jezus. Sinds die dag woont er een Geest in ons die ons telkens weer naar buiten drijft om het Koninkrijk van de Hemel te helpen realiseren. Dat Koninkrijk van de Hemel is onze nieuwe maatstaf geworden: daar gelden andere regels dan in de samenleving zoals mensen die vormgeven. Het Koninkrijk van de Hemel maakt ons dynamisch, inventief, creatief, bereid om de dingen telkens anders te zien en om ons hart telkens opnieuw te keren naar het licht. Daar leren we met andere ogen te kijken naar de dagelijkse realiteit: als het ware door de ogen van Jezus. We blijven de parabels over dat Koninkrijk koesteren als richtingwijzers en als visioenen die ons elk moment opnieuw uitdagen. Wie geent is op Jezus, leidt als vanzelf een actief en waakzaam leven. Elke dag van ons leven maakt deel uit van een pelgrimstocht en we zullen pas aankomen wanneer zijn dag "de dag van de Heer" aanbreekt.

Wanneer we leven als gedoopten - en dus als mensen die zich bezield weten door de Geest van Jezus - dan beseffen we ook dat Jezus ons veel heeft toevertrouwd. Hij heeft zich aan ons meegedeeld en doet dat telkens opnieuw, in woord en sacrament. Meer nog, Hij kijkt ons aan in de ogen van wie naakt is, gevangen is, honger heeft, enzovoorts. Hij is de Levende die met ons meetrekt tot aan de voltooiing van deze wereld. (Matteüs 28, 20)

Als gedoopten zijn we bekwaam om het Koninkrijk van de Hemel zichtbaar te maken, nu hier, dan daar. Waar wanhoop of ziekte of duisternis heersen, kunnen we dat Koninkrijk soms even laten oplichten als een alles vernieuwende realiteit. We zijn medewerkers van Jezus, we zijn dienaren, maar het Koninkrijk is niet iets waar we beslag op kunnen leggen. We moeten het zelf ook telkens weer ontvangen. Elke ochtend staan we op en bidden we tot GOD dat Hij ons ook deze dag tot waakzame, alerte en open mensen mag maken: 'Vader in de hemel, laat uw Koninkrijk komen, laat uw wil gedaan worden'. (Matteüs 6, 9-13)

In de evangelielezing van vandaag gaat het over wat de Mensenzoon ons heeft toevertrouwd. Wat Hij ons, gedoopten, gegeven heeft, is gewichtig en wordt daarom uitgedrukt met het woord "talent". Een talent is een gewicht van om en nabij 3.000 sjekel en heeft de waarde van ongeveer 6.000 drachmen. Wanneer we ervan kunnen uitgaan dat 1 drachme de waarde had van een dagloon, dan beseffen we hoe gewichtig de zaak is waar het hier om draait. Hoeveel ons wordt toevertrouwd, verschilt al naargelang onze bekwaamheid: sommigen ontvangen vijf talenten, anderen twee, weer anderen een. In alle gevallen gaat het om heel veel. Het luisteren naar Jezus' onderricht en het beschouwen van zijn leven maken ons bekwaam om met zijn talenten aan de slag te gaan. Dat gebeurt dan ook. Vandaag zijn miljoenen gedoopten gist in het deeg, vaak ongezien en ongeweten. De kracht van Jezus en zijn Koninkrijk zet zich door, maar niet iedereen ziet dat.

In de parabel over het Koninkrijk is er iemand die het ene talent dat hij/zij heeft ontvangen, angstvallig in de bodem wegstopt. Hij maakt het Koninkrijk van de Hemel niet openbaar, maar verbergt en verduistert het. Hij is bekwaam - want volgens zijn bekwaamheid heeft hij ontvangen - maar hij wenst het talent niet ten nutte te maken. Hij blijft gefocust op de hoge eisen die Jezus volgens hem aan dat Koninkrijk stelt en haakt af. Elke vorm van waakzaamheid en alertheid is verdwenen, de geest is uit de fles. Die gedoopte lijkt op iemand die bij een bruiloft aanschuift zonder het juiste kleed aan te hebben. Zijn oordelen en vooroordelen worden een selffulfilling prophecy: hij wordt buiten gegooid in de duisternis die hij zelf in stand hield.

De teksten van de laatste twee zondagen zijn best confronterend. Wat doe ik met de talenten die de Mensenzoon mij, als gedoopte, heeft toevertrouwd overeenkomstig mijn bekwaamheid? Hoe alert leef ik? Hoe toekomstgericht is mijn handelen? Hoeveel vertrouwen straal ik uit, in de wetenschap dat mij veel, heel veel is toevertrouwd?

 

PDF-bestand van deze commentaar

 

volg ons

over deze blog

Deze blog gaat op zoek naar de betekenis van Bijbelteksten.

In onze artikels wijzen we vaak de weg naar meer informatie die te vinden is in het Bijbelhuis.

Hier leest u ook artikels over onze bijzondere programmatie of evenementen.

Breng deze pagina regelmatig een bezoekje. Je vindt hier geregeld nieuwe teksten.

Jean Bastiaens, directeur van Bijbelhuis Zevenkerken.