A-cyclus negenentwintigste zondag door het jaar

Zondag 22 oktober 2017

  • Eerste lezing: Jesaja 45,1.4-6
  • Tweede lezing: 1 Tessalonicenzen 1,1-5b
  • Evangelielezing: Matteüs 22,15-21
  • Ingesproken lezingen: /
  • Commentaar: GOD is koning, en Cyrus is zijn gezalfde

 

Jesaja 45,1.4-6

Eerste lezing uit de profeet Jesaja

 

 

Zo spreekt de Heer tot Cyrus, zijn gezalfde,
die Hij bij zijn rechterhand heeft genomen
om de volkeren voor hem neer te werpen,
om koningen de gordels van de lenden te trekken,
om deuren voor hem open te stoten
en geen poort gesloten te laten:
„Het was omwille van mijn dienaar Jakob
en om Israël, mijn uitverkorenen,
dat Ik u bij uw naam heb geroepen
en u een eretitel heb gegeven,
alhoewel gij Mij niet kende.
Ik ben de Heer, en niemand anders!
Buiten Mij is er geen God.
Ik heb u omgord zonder dat gij Mij kende,
zodat allen het nu kunnen weten,
die van het oosten en die van het westen:
Ik ben de Heer, en niemand anders!"

 

1 Tessalonicenzen 1,1-5b

Tweede lezing uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Tessalonica

 

 

 

Van Paulus, Silvanus en Timoteüs
aan de christengemeente van Tessalonica,
die is in God de Vader en de Heer Jezus Christus.
Genade voor u en vrede!
Wij zeggen God dank voor u allen,
telkens wanneer wij uw naam noemen in onze gebeden.
Onophoudelijk gedenken wij
voor het aanschijn van God, onze Vader,
uw werkdadig geloof,
uw onvermoeibare liefde
en uw standvastige hoop op onze Heer Jezus Christus.
Wij weten, broeders en zusters,
dat God u liefheeft en dat gij door Hem zijt uitverkoren,
want wij hebben u het evangelie verkondigd
niet alleen met woorden
maar met kracht en heilige Geest en volle overtuiging.

 

 


Matteüs 22,15-21

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

 

 

 

In die tijd gingen de Farizeeën onder elkaar beraadslagen
hoe ze Jezus in zijn eigen woorden konden vangen.
Zij stuurden hun leerlingen met de Herodianen op Hem af
met de vraag: „Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt
en de weg van God in oprechtheid leert;
Gij stoort U aan niemand,
want Gij ziet de mensen niet naar de ogen.
Zeg ons daarom: wat dunkt U,
is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet?"
Maar Jezus doorzag hun valsheid en zei:
„Waarom probeert gij Mij te vangen, gij huichelaars?
Laat Mij de belastingmunt eens zien."
Zij hielden Hem een geldstuk voor.
Hij vroeg hun: „Van wie is deze beeldenaar en het opschrift?"
Zij antwoordden: „Van de keizer." Daarop sprak Hij tot hen:
„Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt,
en aan God wat God toekomt."

PDF-bestand van deze lezingen

 

 

commentaar bij de zondagslezingen

Jean Bastiaens

God is koning, en Cyrus is zijn gezalfde

Het is een belangrijk thema in de profetie van Deutero-Jesaja dat GOD heer is over de wereldgeschiedenis. Hij is niet alleen de Schepper van hemel en aarde, maar ook van de mensen die de wereld bevolken, van álle mensen. En alle mensen gaan Hem ter harte, groot of klein, degenen die dichtbij zijn en degenen die veraf zijn. Israël is de dienaar van GOD en kan door dat dienen de andere volken tonen wie die GOD werkelijk is. Want die GOD is geen despoot, geen tiran die met harde hand zijn volk regeert. Integendeel, Hij is een kwetsbare GOD, aan de trouw van zijn volk is Hem veel gelegen. En Hij reageert gekwetst en verontwaardigd wanneer zijn volk Hem in de steek laat, door andere goden achterna te lopen, door de Tora te verwerpen en door onrecht van allerlei soort te plegen. Ja, die GOD wordt een jaloerse minnaar van zijn volk genoemd.
De profetie van de Tweede Jesaja speelt tegen de achtergrond van de val van het Babylonische Rijk en de opkomst van de Perzische macht. Koning Cyrus, die regeerde van 559 tot 529, weet in snel tempo volken aan zich te onderwerpen. Hij is een meer tolerante vorst, die onderworpen volken een zekere autonomie gunt en die hun toestaat hun eigen religie te onderhouden. Ook Israël geniet van die omwenteling. De gedeporteerde ballingen krijgen de toestemming Babylonië te verlaten en terug te keren naar het eigen land, waar ze als het ware van nul af aan moeten beginnen.
De profetie kijkt met de ogen van het geloof naar de geschiedenis: in dat optreden van Cyrus wordt de hand van GOD gezien. En het klinkt verregaand wanneer de vorst Cyrus wordt voorgesteld als de 'gezalfde' (een 'messias') van GOD zelf. Het volk Israël moet de tekenen van de tijd leren lezen: dit is een gunstige tijd, een tijd om GOD opnieuw te zoeken en het verbond opnieuw te bekrachtigen. Hoorden we het niet enkele weken geleden in de zondagsliturgie uit hetzelfde boek Jesaja: 'Uw wegen zijn niet mijn wegen – godsspraak van de HEER.'? GOD is altijd nieuw.
In de tijd waarin Jezus leeft, hebben niet de Perzen, maar de Romeinen de macht in handen. Op allerlei mogelijke manieren proberen de Romeinen hun macht te behouden en opstanden te onderdrukken, door nu eens vriendelijk te zijn en dan weer bruut en gewelddadig op te treden. Het toenmalige Jodendom was rijk geschakeerd, met heel uiteenlopende groepen en ideologieën. Er waren ook Joden die sympathiseerden met de familie van Herodes de Grote en zijn nakomelingen. Zij werden Herodianen genoemd. De leiders van Jeruzalem voelen zich almaar meer bedreigd door het optreden van Jezus en schakelen nu de Herodianen in om Jezus schaakmat te zetten. Zij moeten Hem maar eens 'op de proef stellen' door Hem te testen op zijn houding ten opzichte van de Romeinse gezagsdragers. Ze gaan op Jezus af en smeren Hem eerst stroop om de mond: 'Wij weten dat Gij oprecht zijt, enzovoorts.' En ze spreken de waarheid. Maar dan volgt de strikvraag: 'Moeten we de keizer belasting betalen of niet?' Jezus doorziet echter hun huichelachtige gedrag. Er staat dan letterlijk: 'Waarom stelt u Mij op de proef?' en met die woorden verwijst Matteüs ons naar wat Satan deed toen Jezus veertig dagen in de woestijn verbleef, vlak na zijn doopsel. De vraag van de Herodianen is bedoeld om tweedracht te zaaien, en tweedracht zaaien, is de specialiteit van de 'duivel' (Grieks: diabolos = tweedrachtzaaier).
Jezus laat zich niet vangen en keert de verhoudingen om. Hij neemt het initiatief en stelt een tegenvraag – echt Joods. Hij vraagt de Herodianen een belastingmunt te tonen, iets wat zij ongetwijfeld altijd op zak hebben, ook al bevinden ze zich bij het tempeldomein, waar enkel de tempelmunt geldig is. Op de munt is het beeld van de keizer te zien, inclusief het opschrift waarbij zeker ook de woorden 'keizer/koning' en de naam vermeld stonden.
De tegenvraag van Jezus doet de Herodianen antwoorden dat de afbeelding die van de keizer is. En dan zegt Jezus: dit is geld van de keizer, geef het hem dan maar terug. Maar de mens is de afbeelding van GOD, want geschapen naar zijn beeld. En over die mens heeft geen enkele keizer zeggenschap, alleen GOD. Want de keizer mag dan wel het Romeinse rijk besturen, hij is niet de heer van de geschiedenis.
Dat is alleen GOD. En wie zich op GOD oriënteert en het Koninkrijk van de Hemel als diepteperspectief neemt, die kijkt dwars door de keizer heen. Het verhaal eindigt met de opmerking 'en de Herodianen lieten Hem met rust', precies zoals Satan dat deed (4, 11). Wie oren heeft om te horen, die moet luisteren.

 

PDF-bestand van deze commentaar

volg ons

over deze blog

Deze blog gaat op zoek naar de betekenis van Bijbelteksten.

In onze artikels wijzen we vaak de weg naar meer informatie die te vinden is in het Bijbelhuis.

Hier leest u ook artikels over onze bijzondere programmatie of evenementen.

Breng deze pagina regelmatig een bezoekje. Je vindt hier geregeld nieuwe teksten.

Jean Bastiaens, directeur van Bijbelhuis Zevenkerken.