Enggeestige mensen ook onder christenen

Er zijn mensen die je pre­cies kun­nen vertellen wie tot de uitverko­re­nen van God behoren en wie niet. Als je dan vraagt naar het cri­terium, dan komt dat meestal neer op het beli­j­den van een aan­tal dog­ma­tis­che uit­spraken en het vol­gen van een aan­tal regels op vlak van liturgie en sacra­menten eve­nals op vlak van de moraal. Heldere regels geven duidelijkheid en zek­er­heid, dat is hun motto. En meteen kun­nen ze zich onge­ge­neerd laten gaan in het ver­ket­teren van andere gelovi­gen die er andere cri­te­ria of andere gezicht­spun­ten op na houden. Ook onder chris­te­nen kun je bij­zon­der enggeestige mensen tegenkomen.

De Bijbel laat een totaal ander geluid horen. Red­ding kan nooit geclaimd wor­den door een mens. God heeft een visioen over deze wereld, maar de wijze waarop dat visioen ver­w­erke­lijkt wordt, ligt hele­maal in zijn han­den.

En dege­nen die er zo zeker van waren dat ze erbij hoor­den, staan dan te kijken wie daar alle­maal aan­schuift, ter­wijl ze zelf buiten bli­jven staan, op afs­tand gehouden van de feestvreugde.

Wan­neer mensen de plaats innemen van God en zich een rechter­stoel aan­meten, dan begint zo’n ‘god­de­loze gods­di­enst’ behoor­lijk gevaar­lijk te wor­den. De vraag die aan het begin van het evan­gelie klinkt, „zijn het er weinig die gered wor­den?”, is eigen­lijk ook zo’n gevaar­lijke vraag.

Jezus geeft er dan ook geen recht­streeks antwo­ord op. Hij zegt alleen: „Doe alles wat in je ver­mo­gen ligt om naar de maat­staven van het koninkrijk Gods te leven.” En die maat­staven hebben allereerst betrekking op het beoe­fe­nen van de gerechtigheid zoals de Tora dat ons voorhoudt. En als we willen weten hoe dat in zijn werk gaat, dat doen van de Tora in heel con­crete omstandighe­den, dan hoeven we maar naar Jezus te kijken: kijken hoe Hij met mensen omging, hoe Hij opkwam voor recht en gerechtigheid, hoe Hij mensen nabij was.

Onze gedachten en opvat­tin­gen over onszelf zijn in dit ver­band min­der rel­e­vant. Natu­urlijk, die gedachten steken altijd weer de kop op: wij zullen er toch wel bij horen, want wij zijn kerk­mensen, wij span­nen ons in voor goede doe­len en ga zo maar door.

We lijken daarin op de mensen die Jezus noemt en die aanspraak menen te mogen maken op red­ding „omdat we in uw tegen­wo­ordigheid gegeten en gedronken hebben”, dat wil zeggen deel genomen hebben aan de liturgie. En ook claimen ze die red­ding „omdat Gij in onze straten onder­richt hebt gegeven”, dat wil zeggen dat we toch de kerke­lijke leer hebben gevolgd. Maar wat is het antwo­ord daarop? „Ga weg van Mij, bedri­jvers van ongerechtigheid!”

Al die enggeestige demo­nen moeten we uit ons hoofd en uit ons hart ver­dri­jven, want het zijn de ver­bor­gen gedaan­ten van onze hoog­moed. En in plaats van de engte kun­nen we dan de immense ruimte betre­den die ons in de eerste lez­ing wordt voorge­houden.

Het gaat bij Jesaja om het visioen van God: Hij wil zich een volk verza­me­len dat zijn Naam kent en dat bestaat uit een bonte stoet van ‘broed­ers en zusters’ die uit alle wind­streken komen om het feest te vieren van zijn Aan­wezigheid op de heilige berg. En dege­nen die reeds ‘dicht­bij’ zijn, zullen ver­rast zijn van hoe ver die mensen wel niet komen en wie daar alle­maal bij horen.

Het zijn dan ook niet onze uitverko­re­nen, maar Góds uitverko­re­nen. Vele volk­eren — met de meest vreemde talen — wor­den betrokken in dit visioen. En ja, het gaat zelfs zo ver, dat God ook uit die vreemde volken mensen kiest die hij voegt bij de priesters en de levi­eten. Wie had dat gedacht?

Het­zelfde visioen waarin de hele wereld betrokken wordt bij het werk van God, vin­den we terug aan het einde van de evan­gelielez­ing: „Ze zullen komen uit het oosten en het westen, uit het noor­den en het zuiden, en zij zullen aanzit­ten in het koninkrijk Gods.” En dege­nen die er zo zeker van waren dat ze erbij hoor­den, staan dan te kijken wie daar alle­maal aan­schuift, ter­wijl ze zelf buiten bli­jven staan, op afs­tand gehouden van de feestvreugde.

Zo’n evan­gelielez­ing als van komende zondag werkt met sterke beelden die ontleend wor­den aan de Bij­belse leefw­ereld. Het bli­jven beelden, we moeten ze niet over­laden. Maar het zijn wel sterke uit­drukkingsvor­men voor een fenomeen dat van alle tij­den is en dat door Jezus keer op keer aan de kaak wordt gesteld: dat van de gods­di­en­stige zelfin­genomen­heid.

Blijk­baar gaat het om een gevaar dat de zo gods­di­en­stige mens per­ma­nent bedreigt: schei­d­ing willen maken tussen ‘wij hier’ en ‘zij daar’, tussen wie ‘goed’ is en wie ‘min­der goed’ is. Het per­spec­tief van het evan­gelie is rad­i­caal omge­keerd: gelovi­gen mogen zout zijn in het deeg. Gelovi­gen mogen smaak geven aan het leven in deze wereld. Maar zout dat zelf smakeloos is gewor­den, wordt wegge­gooid.

volg ons

over deze blog

Deze blog gaat op zoek naar de betekenis van Bijbelteksten.

In onze artikels wijzen we vaak de weg naar meer informatie die te vinden is in het Bijbelhuis.

Hier leest u ook artikels over onze bijzondere programmatie of evenementen.

Breng deze pagina regelmatig een bezoekje. Je vindt hier geregeld nieuwe teksten.

Jean Bastiaens, directeur van Bijbelhuis Zevenkerken.