Vragen en antwoorden bij de oorsprongsverhalen

Oorsprongsverhalen

VRAAG 1

WAT BETEKENEN DE OORSPRONGSVERHALEN IN HET geheel van het BOEK GENESIS?

A. Waarom lezen in het boek Genesis?

We lezen het niet om historische informatie te hebben over de schepping of de eerste mensen, maar om op zoek te gaan naar wat het betekent 'een mens te zijn op aarde', omdat we op zoek gaan naar de relatie tussen God en de mens tout court.

We leven immers in een tijd met een heel ander wereldbeeld. De wetenschap heeft ons ook heel anders doen kijken naar de oorsprong van de wereld. En toch worden wij uitgenodigd het boek Genesis ter hand te nemen. Waarom?

'Omdat het boek Genesis over de mens spreekt. Wat betekent het om werkelijk mens te zijn? Het boek Genesis bevat immers geen historisch verslag over de schepping van de wereld en de lotgevallen van de eerste mensen'. (Hans Debel, 2017)
'Het Bijbelse Israël kwam God voor het eerst op het spoor in het gebeuren van de bevrijding uit Egypte en pas veel later werd deze bevrijdende God ook 'Schepper' genoemd. Toch hebben de Bijbelse auteurs het scheppingsverhaal, of beter, de scheppingsverhalen, aan het begin van de Bijbel geplaatst. De eerste hoofdstukken van de Bijbel stellen immers niet de relatie tussen JHWH en het volk Israël centraal, maar wel de relatie tussen God en mens tout court. Vanuit een gelovig perspectief beoogt men iets te zeggen over de mens, zijn omgeving en de relatie met God'. (Hans Ausloos, 2005)
'De vraag naar de oorsprong van ons bestaan, die tegelijk overigens de vraag naar het doel ervan impliceert, is een vraag van alle tijden. Het is één van die universele vragen die in alle culturen mensen aan het denken hebben gezet. De vraag naar oorsprong en doel is een zingevingsvraag, ook vandaag nog'. (Hans Ausloos, 2005)

B. De betekenis van de oorsprongsverhalen in het boek Genesis.

Aan het particuliere verbond dat God aangaat met Abraham en met het volk Israël, gaat een breder verbond met de gehele mensheid vooraf. Vooraleer God met één mens een relatie aangaat, wordt ons gesproken over de 'zin' ervan.

Waarover gaan de oorsprongsverhalen in Genesis 1-11 en waarom staan ze hier aan het begin? Het verhaal dat de Bijbel beheerst - Gods verbond met zijn volk en de stormachtige geschiedenis daarvan - begint pas in Genesis 12 met Gods oproep aan Abraham om het land, zijn thuis en het huis van zijn vader te verlaten. In de oorsprongsverhalen gaat het om meer dan geschiedenis alleen. Ze vertegenwoordigen een zoektocht naar zin in de geschiedenis. Ze vormen in feite een filosofisch drama in vier bedrijven, een strak geconstrueerde verkenning van het begrip verantwoordelijkheid. (Jonathan Sacks, 2016)

De rode draad in het boek Genesis is het verbond dat God met mensen sluit. Dat verbond geldt overigens niet alleen voor het volk Israël, waarvan eigenlijk nog geen sprake is.
'Aan het particuliere verbond met Israël dat in de volgende Bijbelboeken beschreven zal worden, gaat een breder verbond met de gehele mensheid vooraf. Het boek, en daardoor ook de gehele Bijbel, begint met het verbond dat God met de gehele mensheid wil sluiten in de figuur van Adam. Pas na verloop van tijd gaat Genesis zich geleidelijk toespitsen op de lotgevallen van één volk in het bijzonder'. (Hans Debel, 2017b). Pas nà de oorsprongsverhalen wordt één mens geroepen, Abraham. 'Abraham is enerzijds de voorvader van Israël en ontvangt de dubbele belofte van een eigen land en een talrijk nageslacht. Anderzijds is hij ook de stamvader geworden van andere volkeren. Hij is uitgegroeid tot de vader van de drie, grote monotheïstische godsdiensten. In de loop van de geschiedenis hebben zij hem elk voor zich geclaimd. Nochtans bevatten de eigenlijke verhalen over Abraham minstens evenveel redenen om hem allereerst te zien als een verbindingsfiguur tussen de religies.' (Hans Debel, 2017a)

VRAAG 2

BETEKENIS VAN DE SCHEPPINGSVERHALEN (GEN. 1-3) UIT DE OORSPRONGSVERHALEN

Hoe lees je de Scheppingsverhalen (Gen. 1-3).? Hoe zijn die opgebouwd? Hoe is hun relatie tot hedendaagse bevindingen in de wetenschap en de geschiedenis?

A. ZIJN ER GEEN TWEE SCHEPPINGSVERHALEN?

Er zijn twee scheppingsverhalen. Alleen daaraan merk je dat het niet gaat om een historisch verslag. Veeleer gaat het om de vraag hoe het zou moeten zijn met de mens en zijn relaties.

Wanneer men de eerste drie hoofdstukken van het boek Genesis leest, dan wordt onmiddellijk duidelijk dat in deze hoofdstukken twee onderscheiden scheppingsverhalen zijn opgenomen. Na een passage waarin te lezen is dat alles in een tijdspanne van zes of zeven dagen is geschapen begint God, in de ogen van de Bijbelse auteurs, helemaal opnieuw met de schepping. (Hans Ausloos, 2005)

Alleen al het feit dat de Bijbelse auteurs beide teksten tezamen hebben overgeleverd, maakt daarenboven duidelijk dat ze deze niet als een historisch verslag over het verleden hebben willen aanzien. Beide teksten werden geschreven met de bedoeling om de actuele werkelijkheid te verklaren en willen in eerste instantie verkondigen hoe de schepping eruit zou moeten zien. De scheppingsverhalen zijn geen beschrijving van het verleden, maar pogen veeleer in een gelovige reflectie het heden te duiden. Genesis 1-3 was dus blijkbaar niet bedoeld als ontstaansmythe, want anders had men deze verhalen veel subtieler in elkaar kunnen verweven. Het joods-christelijke scheppingsverhaal verschilt dus van de meeste andere ontstaansmythes; het lijkt niet zozeer te willen verklaren, maar heeft een andere bedoeling. De scheppingsverhalen handelen over de drievoudige fundamentele relatie die paus Franciscus beschrijft in zijn encycliek 'Laudato Si': de relatie tot God, tot andere mensen en tot de aarde. (Van Den Noortgate, 2017) 

Genesis 1 is een mooi afgewerkt gedicht. Zo zou het ook met mens en wereld moeten zijn. De chaos is aan banden gelegd, de mens is Gods beeld en de sabbat is geen leegheid maar voltooiing en vervulling. Het gaat om hooggestemde idealen.

Genesis 1 biedt Gods scheppingswerken in het schema van zeven dagen of één week. Door de schepping in te kaderen binnen dit weekschema wil de auteur al duidelijk maken dat de schepping volledig en af is: zes scheppingsdagen en de sabbat als bekroning van die week. Vanzelfsprekend kan men opperen dat de wereld verre van volmaakt is en dat de realiteit verre van perfect is. Maar hiermee raakt men juist de kern van wat Genesis 1 wil verkondigen. Het gedicht zegt niet hoe het ooit is geweest; het wil juist beklemtonen hoe de schepping zou moeten zijn, met name: perfect! En deze perfectie streeft de auteur van Genesis 1 ook vormelijk na. (Hans Ausloos, 2005)

Genesis 1, de perikoop van de 'Liturgie van de schepping' bevat een rijke theologie over het scheppend en zegenend handelen van God. We vinden er eveneens een merkwaardige (utopische) visie op de mensen, van wie niet alleen gezegd is dat zij beeld zijn van God en beheerders van de schepping, maar bovendien lijkt de gelijkwaardigheid van 'man-mensen' en 'vrouw-mensen' te zijn ingesloten. De pointe van het hele stuk is ongetwijfeld 'de zevende dag', die in de geschiedenis van Israël in de instelling van de sabbat vorm heeft gekregen. (Marc Vervenne, 1991)

Op het niveau van de finale vorm van de tekst meent Marc Vervenne in Genesis 1,1-2,4 een aantal betekenislijnen te kunnen aanwijzen.

    • God heeft de onvoorspelbare chaotische krachten aan banden gelegd. De God van Israël staat boven elke chaos. Hij wordt verkondigd als de enige grond van de kosmos.
    • Mensen zijn beeld en gelijkenis van God, en in die zin 'vertegenwoordigen' zij God als goede beheerders van de schepping.
    • In het leven van het universum zijn er 'sterke tijden'. De 'zevende dag' is daar het hoogtepunt van. Het is een dag van rust, harmonie, en volheid. In Israël kreeg de opvatting gestalte dat iedereen vrije tijd moet hebben. De 'zevende dag' gold voor alles en allen. Dat was niet zo in de omringende culturen, waar men de mens zag als een slaaf van de goden, die zelf volop genoten van rust en vrije tijd.

De tekst heeft ook een actuele functie.

    • Het universum is niet het resultaat van een slordig, toevallig of oorzakelijk gebeuren, maar het werk van God.
    • Schepper en schepsel hebben alles met elkaar te maken. Mensen zijn autonoom, maar niet onafhankelijk. Tussen Schepper en schepsel is er nabijheid en afstand.
    • Mensen zijn verantwoordelijk voor de kosmos.
    • De rust op de 'zevende dag' is geen leegheid, maar voltooiing en vervulling, het is geen slaap die aan de niet te stuiten voortgang van de geschiedenis probeert te ontkomen, maar een moment waar mensen hun unieke positie kunnen gewaarworden. Het vieren en onderhouden van de 'zevende dag' is een kleinschalige uitdrukking van de goddelijke volheid waarop de kosmos en het universum gericht staan. 

Genesis 2 en 3 is een dramatisch verhaal over de spanningen die behoren tot het mens-zijn. Relaties lopen scheef, dat is de bittere realiteit. De mens mag zijn grenzen niet overschrijden, maar moet er goed leren mee omgaan.

Genesis 2-3, het zogeheten paradijsverhaal dat in het verleden al te vaak is verengd tot een verhaal over de 'zondeval', schetst de ambiguïteit die elk van deze relaties (tot God, tot andere mensen en tot de aarde) kenmerkt. Het mensenpaar in de tuin slaagt er niet in om de ene grens die hen van God scheidt te aanvaarden en wil in alles gelijk worden aan God, zodat ze God niet langer als een verbondspartner, maar als een te overtroeven concurrent ervaren, met als resultaat dat ze uiteindelijk van God vervreemden. Aanvankelijk bejubelt de man zijn vrouw en vormen beiden 'één vlees' (Gen. 2,24), maar al snel treedt er vervreemding op tussen hen en wijzen zij met een beschuldigende vinger naar elkaar. En de mens wordt door God aangesteld om de aarde te bewerken en te behoeden, maar ook die relatie ontaardt wanneer de aarde wordt vervloekt vanwege de mens, die zwoegend en zwetend moet werken tussen de distels en de doorns. Op een onnavolgbare wijze verwoordt het scheppingsverhaal de in alle tijden herkenbare spanning tussen hooggestemde idealen en de bittere realiteit. Het dramatisch verhaal werkt als een appél aan de lezers om de opdracht van het mens-zijn te realiseren. Deze opdracht ligt besloten in het feit dat (1) de mens een talig wezen is, dat (2) hij de aarde moet bewerken om te kunnen leven, dat (3) hij moet leren leven met de kennis van goed en kwaad en in relatie daarmee met de seksualiteit, dat (4) hij mag leven als man-en-vrouw en, ten slotte, dat (5) hij moet aanvaarden dat hij een sterfelijk wezen is. Daarmee is dit drama van Genesis 2-3 tevens een verhaal over menswording. (Jean Bastiaens)

In Genesis 2-3, het verhaal van 'De tuin van Eden' gaat het om de mens in zijn relatie tot God, de aarde, de dieren en zijn (naaste) medemens. De mens wordt in Genesis 2-3 in zijn leefwereld getekend. De mens is echter niet alleen een hoogtepunt maar ook het centrale probleem volgens de tekst. Niet de schepping komt aan de orde, maar de crisis van de 'man-mens'. Werd in Genesis 1 gezegd dat de mens het beeld van God is (1,27), in Genesis 2-3 worden van in het begin grenzen vastgesteld om te beletten dat de mens wordt als God. Het gebod wordt echter overtreden: de mens verwerft 'kennis van goed en kwaad' en God constateert: 'Hij is geworden als een van ons' (3,22). God ervaart dat evenbeeld als een tegenbeeld en voert daarom een andere en definitieve begrenzing in. De mens wordt vastgezet in zijn toestand van sterfelijk wezen (3,22). Werd in Genesis 1 de fundamentele gelijkwaardigheid van 'mannelijke' en 'vrouwelijke' mensen vooropgesteld, in Genesis 2-3 vernemen we dat het utopische verlangen naar gelijkwaardigheid als een zeepbel is uiteengebarsten. Ook man en vrouw blijken elkaars tegenbeeld te zijn. De crisis is uitgemond in vervreemding van God en van elkaar. Deze vervreemding wordt verder uitgebreid in het verhaal van 'Kaïn' (Genesis 4,1-16), dat literair en inhoudelijk een tweeluik vormt met het verhaal van 'De tuin van Eden'. In beide verhalen wordt echter evenzeer gezegd dat God het werk van zijn handen niet laat varen (3,21 en 4,15). (Marc Vervenne, 1991)

Genesis 2,5-3,24 is een mythisch gekleurde vertelling, waarin het thema centraal staat van 's mensen fundamentele drang om hun grenzen te overschrijden, alsook met gegevens die gegrepen zijn uit het leven van alledag en met name de ervaring van sterfelijkheid en lijden, en de vele ongemakken van het leven. De zondagse ideale maar utopische situatie van de groots opgezette 'Schepping' (Gen. 1) wordt nog een keer uitgeprobeerd (Gen. 2), maar botst met de rauwe werkelijkheid van het door-de-weekse leven (Gen. 3). Arbeid, lijden, vergankelijkheid, gebroken relaties zijn het lot van de mens. Zo bevat de tekst een waarschuwing omtrent de aard van de relatie tussen vrouwen en mannen. Positief leert het verhaal dat er een ideaal, maar utopisch partnerschap mogelijk is tussen vrouwen en mannen. Het gaat dan om een verhouding van gelijkwaardigheid en harmonie. Negatief confronteert het verhaal de lezer met de realiteit van een wrange ongelijkheid, die terecht in twijfel wordt getrokken in onze huidige samenleving. (Marc Vervenne, 1991)

De teksten in Genesis 1-3 zijn literaire werken die samengesteld zijn om op indringende wijze verkondigend en vertellend te getuigen van fundamentele waarden ('waarheden') die tot stand komen daar waar de wereld van mens en God in elkaar overgaan.

    • over het geschapen/geboetseerd zijn van de mensen door God/JHWH God
    • over de plaats van Schepper en schepsel in de kosmos als leefwereld bepaald
    • over 's mensen mogelijkheden en moeilijkheden die voortkomen uit hun toestand van geschapenheid. (Marc Vervenne, 1991)

B. GENESIS 1-3 LITERAIR BEKEKEN

Ook literair en qua opbouw zijn die twee scheppingsverhalen verschillend. We staan stil bij de opbouw van Genesis 1, dat een gedicht is en waarin je ziet hoe de chaos geordend en voltooid wordt in zeven dagen. Dit gebeurt door scheidingen aan te brengen. Die geordende scheiding brengt rust en vertrouwen in de goedheid van God, mens en wereld.

Ook literair zijn die twee scheppingsverhalen verschillend. De woordenschat is niet dezelfde. Zo is bijvoorbeeld in Genesis 1 voortdurend sprake over Elohim ('God'), terwijl Genesis 2-3 over JHWH Elohim ('JHWH God') spreekt. Ook de stijl van beide verhalen is verschillend.
Genesis 1 is geen 'verhaal' in eigenlijke zin, het is veeleer een gedicht, dat op een plechtige, monotone, liturgische en stereotiepe wijze de verschillende elementen van de schepping opsomt. Het spreekt in een uiterst mooi gebalanceerde tekstcompositie over een schepping in zes dagen die uitloopt op de climax van de 'zevende dag'.
Schematisch voorgesteld zie je de volgende structuur:

    • A Titel: God schiep hemel en aarde (Gen. 1,1)
      • B Openingsvers: wanorde en onrust (Gen. 1,2)
        • C1 Dag en nacht (Gen. 1,3-5: eerste dag): licht en duisternis
        • C2 Firmament (Gen. 1,6-8: tweede dag)
        • C3a Zee/land (Gen. 1,9-10: derde dag)
        • C3b Vegetatie (Gen. 1,11-13: derde dag)
        • C4 Dag en nacht (Gen. 1,14-19: vierde dag): hemellichamen
        • C5 Vogels/vissen (Gen. 1,20-23: vijfde dag)
        • C6a Dieren op het land (Gen. 1,24-25: zesde dag)
        • C6b De mensen (Gen. 1,26-31: zesde dag)
      • B' Slotvers: orde en rust (Gen. 2,1-3)
    • A' Conclusie (en scharniervers naar 2de Scheppingsrelaas):
    • God schiep hemel en aarde (Bénédicte Lemmelijn, 2017)

Via een overgangsvers in Genesis 2,4 start meteen een tweede scheppingsrelaas: Genesis 2,5-3,24.
Genesis 2-3 daarentegen is een dramatisch verhaal. Hierin staan de menselijke zijnswijze en haar gebrokenheid centraal en wordt sterk gezocht naar de oorzaken daarvan. Er wordt verteld hoe de mens en zijn vrouw ('Adam' en 'Eva') in de paradijselijke tuin van Eden terechtkomen, maar er ook uit worden verdreven. (Hans Ausloos, 2005)

De verschillende delen waaruit het verhaal is opgebouwd: (Jean Bastiaens)

    • 2,4b-17: schepping van de mens en van de hof van Eden; opdracht en instelling van het gebod.
    • 2,18-25: schepping van de dieren en een hulp die bij de mens past: de vrouw. De mens als talig wezen ('noemen'). Naaktheid zonder schaamte.
    • 3,1-7: gesprek tussen de slang en de vrouw ('gij zult als God zijn'). Overtreding van het verbod. Ontdekking van het naakt zijn.
    • 3,8-19: ontmoeting tussen God en de mens (bevreesd, naakt, zich verbergend). Vloek over de slang (vv 14-15), spreuk over de vrouw (v 16), spreuk over de man (vv 17-19).
    • 3,20-24: de vrouw krijgt een naam (Eva, moeder van alle levenden). God kleedt de naakte mens en diens vrouw. Wegzending van de mens uit de hof van Eden, opdat hij niet eeuwig zou voortleven en opdat hij de aardbodem (waaruit hij genomen was) zou bewerken.
De opbouw van Genesis 1.

Voor de opbouw kan je zeker terecht bij het Bijbelhuis in Zevenkerken. Een ganse wand in een afgescheiden lokaal toont didactisch helder hoe de eerste drie dagen de ruimtes zijn die in de drie volgende dagen worden ingevuld. Je kan er zo het eerste scheppingsverhaal lineair én dwars lezen. Ook zie je er goed hoe de 7° dag 'apart' staat.

Genesis 1 heeft een zeer regelmatige opbouw. Op zichzelf beschouwd is het eerste scheppingsverhaal een artificieel, gemaakt stuk. Het heeft het ritme van de zich herhalende formules, die een plechtige en liturgische toon verraden. Alles culmineert in de 'zevende dag'. Het belangrijkste is zo de schepping van de sabbat.

Bénédicte Lemmelijn zegt dat het scheppingsgedicht de evolutie beschrijft van chaos naar orde, met daarin het ontstaan van de tijd. De scheppingsorde komt in deze tekst tot stand in zeven dagen of één week. De structuur van de week is er een van volledigheid. Hiermee wil de auteur duidelijk maken dat de schepping er een is van orde en harmonie. Vanzelfsprekend kun je hier tegenin brengen dat onze wereld verre van harmonieus of perfect is. Toch is dat juist wat Genesis 1 wil verhalen: niet hoe het ooit geweest is, wel hoe het zou moeten zijn of hoe God het bedoeld heeft. Deze hang naar orde en harmonie die theologisch zo belangrijk is, wordt in dit gedicht ook vormelijk nagestreefd.

De tekst van Genesis 1,1-2,4 opent met een titelvers (1,1) dat het scharniervers (2,4) in dezelfde bewoordingen herneemt. Zo ontstaat een eerste kader rondom de tekst. In 1,2 lees je een openingsvers dat wanorde en onrust schetst. Die worden dan weer perfect gecounterd door de orde en rust van het slot (2,1-3). Zo ontstaat een tweede raamwerk rondom het centrale gedeelte van de tekst.

Tussen 1,3 en 1,31 wordt de schepping zelf in zes dagen verhaald. Daarbij kun je twee delen onderscheiden. De eerste drie dagen vertellen over de 'ruwbouw' van de schepping: het ontstaan van tijd en ruimte in het scheiden van dag en nacht, hemel en aarde, zee en droog land met zijn planten (respectievelijk 1,3-5; 1,6-8 en 1,9-10.11-13). Daarna volgt tijdens de volgende drie dagen als het ware de inkleding, die precies parallel correspondeert aan de ruwbouw. Zon en maan horen respectievelijk bij de dag en de nacht (1,14-19). Vogels en vissen bevolken de hemel en de zee (1,20-23). De dieren en de mens bewonen het land (1,24-25.26-31). Zo krijg je een dubbel tweeluik van elk drie dagen, die perfect aan elkaar beantwoorden en waarin de schepping tot leven wordt geroepen. Elke dag één scheppingswerk, behalve op de vierde en de zesde dag. Dan zijn er telkens twee en ook daarin beantwoorden ze aan elkaar. Het verhaal eindigt in de volkomen harmonie van de goddelijke rust op de 'zevende dag'.

Als didactisch gedicht beklemtoont Genesis 1,1-2,4 de ordening van de wereld. Alles is gepland en heeft zijn plaats. Deze planning en regelmaat komen bij uitstek tot uiting in de tijd die de werkelijkheid ritmeert.

    1. In de eerste plaats legt dit gedicht een sterke klemtoon op de transformatie van algehele chaos, wanorde, onrust en tijdloosheid naar volkomen harmonie, orde, rust en ritmische tijd. Eerst worden de fundamentele wanorde en onrust opgeroepen die voorafgaan aan Gods ingrijpen. De 'zevende dag' is gekenmerkt door volkomen en voltooide orde en rust: 'Zo werden de hemel en de aarde voltooid. Op de 'zevende dag' had God zijn werk voltooid, op die dag rustte Hij van het werk dat Hij gedaan had. God zegende de 'zevende dag' en verklaarde die heilig, want op die dag rustte Hij van heel zijn scheppingswerk.'
    2. Op de tweede plaats creëren de eerste drie dagen heel fundamenteel de tijd en de ruimte. Dat doen ze door telkens een scheiding aan te brengen in de werkelijkheid. Het allereerste scheppingswerk dat God verricht, is het 'scheiden' - of 'ordenen' - van licht en duisternis. Zo ontstaan respectievelijk de dag en de nacht. Met andere woorden: de 'tijd' wordt ingesteld. In de ongeordende duisternis en wanorde was er geen dag of nacht, geen enkele ritmering. Dankzij het eerste scheppingswerk ritmeert God de werkelijkheid: voortaan is er dag en nacht. Bij elk van die twee tijdselementen horen respectievelijk ook hemellichamen (de ornamenten die op de vierde dag toegevoegd worden).
    3. Ten slotte wordt verder in het scheppingsgedicht duidelijk hoe de 'geordende' scheiding van licht en duisternis, die de fundamentele wissel van dag en nacht genereert, voor al wat volgt de ritmerende sleutel zal zijn. De formule 'het werd avond en het werd ochtend' kondigt telkens een nieuwe dag aan. De tijd heeft zijn intrede gedaan: de dagen en nachten zijn geritmeerd, hun geheel wordt een week. Die vindt zijn hoogtepunt in de 'zevende dag' van harmonie, volkomen orde en rust. Precies deze ordening die de tijd met zich meebrengt, biedt je als lezer of toehoorder vertrouwen in een werkelijkheid die effectief te vertrouwen is. JHWH ligt aan haar oorsprong en Hij beheerst die. (Bénédicte Lemmelijn, 2017)
    4. De vormelijke studie van de perikoop laat ons zien dat wij Genesis 1,1-2,4 zeker niet logisch-chronologisch mogen benaderen. Het stuk heeft een eigen didactische logica. Het stelt twee reeksen van scheppingen voor. De eerste reeks wordt voortgezet met een ordening en toerusting van de ruimte waarin de levende wezens terecht zullen komen. De tweede reeks beschrijft het ontstaan van die levende wezens. Het verhaal culmineert in de schepping van de mens met wie de voltooiing van de schepping wordt aangekondigd. Deze voltooiing op de 'zevende dag' dient als basis voor de sabbat. Genesis 1,1-2,4 is een gedicht, dat op plechtige, liturgisch klinkende wijze opsomt en reciteert. De auteurs willen méér dan alleen maar verklaren: ze leren en verkondigen. Om effect te sorteren hopen ze woorden en zinnen op doordachte wijze opeen zonder evenwel in monotonie te vervallen. (Marc Vervenne, 1991)

C. HET HELE GEDICHT LEIDT NAAR DE 'ZEVENDE DAG', DE DAG VAN GODS RUST.

Het hele gedicht leidt naar de 'zevende dag', de dag van Gods rust. Voor de joden is dit de sabbat. De schepping, die op de zesde dag alles bevatte en zeer goed werd bevonden, krijgt dus pas op die 'zevende dag' haar echte voltooiing door en in God.

Voor de joden is dit de sabbat. En hoewel Genesis 2,1-3 de sabbat niet bij name noemt, toch klinkt deze in de Hebreeuwse tekst duidelijk door: 'Op de 'zevende dag' bracht God het werk dat Hij verricht had tot voltooiing. Hij rustte op de 'zevende dag' van al zijn werk dat Hij verricht had. God zegende de 'zevende dag' en maakte hem heilig, want op die dag rustte God van al het werk dat hij scheppend tot stand had gebracht." Frans Lefevre geeft op het paneel in het Bijbelhuis deze vertaling: 'Zo zegent God de 'zevende dag' en maakt er een aparte dag van. Want die dag houdt God sabbat bij het hele oeuvre van zijn te maken schepping.'

De schepping, die op de zesde dag alles bevatte en zeer goed werd bevonden, krijgt dus pas op die 'zevende dag' haar echte voltooiing door en in God. Diverse Bijbelspecialisten wijzen er overigens op dat het eerste deel van het scheppingsverhaal niet zozeer de oorsprong van de schepping wil verklaren, maar vooral handelt over de oorsprong en betekenis van de joodse sabbat, voor de joden het wekelijkse hoogtepunt van hun bestaan: 'God zegende de zevende dag en maakte hem heilig' (Gen. 2,3a). Het is een dag waarop Gods gave van de schepping wordt gevierd, en waarin wordt vooruitgeblikt op haar uiteindelijke voltooiing - een dag waarin oorsprong, heden en toekomst vierend samen worden beschouwd, vanuit Gods uiteindelijke wens voor de schepping. Het is een dag die volledig aan God is toegewijd en waarop het werk wordt neergelegd. Ook dieren mag men die dag niet laten werken (vgl. Ex. 20,10; Deut. 5,14). Paus Franciscus verwijst in 'Laudato Si' bovendien naar het joodse voorschrift dat stelde dat het volk van Israël ieder zevende jaar verondersteld werd 'sabbat te houden'; de reserves die men had aangelegd, samen met wat het land in dat jaar spontaan voortbracht, moesten dan voldoende zijn om mensen, vee en andere dieren van voedsel te voorzien (Laudato Si 71; vgl. Ex .23,10-11; Lev. 25,1-7). (Francis Van De Noortgate, 2017)

Voor de Israëlitische ballingen was de sabbat immers een nieuw houvast. Met de verwoesting van Jeruzalem in 587 v.Chr. waren de ballingen genoodzaakt een alternatief te vinden voor de verwoeste tempel. Ze zochten naar nieuwe wegen om hun jood-zijn ook in een vreemd land te kunnen beleven. (Hans Ausloos, 2005)

D. WAT ZIJN DE GEVOLGEN VAN HET FEIT DAT GENESIS 1 ONTSTAAN IS IN DE SITUATIE VAN BALLINGSCHAP?

Genesis 1 is ontstaan in de situatie van ballingschap...
1. Wat betekent de ballingschap?

Het eerste Scheppingsverhaal is ontstaan tijdens de Babylonische gevangenschap. In 598 v.Chr. viel Nebukadnezar, de koning van Babylonië, Judea binnen, verwoestte en onderwierp het land en voerde een groot aantal joden mee in ballingschap naar Babylonië. Ons inlevend in de situatie van de Babylonische ballingschap, is het niet moeilijk ons voor te stellen hoe de joden de moed verliezen bij de gedachte aan alles wat ze verloren hebben. Hun steden moesten ze achterlaten in puin. Hun dorpen zijn verlaten. Weldra zullen vreemden uit de buurlanden erop afkomen om alles in bezit te nemen. De volksgenoten die in Judea achterbleven zijn tot armoede vervallen. Aan het koningshuis is een einde gekomen. Er is geen troon en geen woning van God meer. In plaats van feest, offer en gezang heerst nu een doodse stilte. De Judeeërs bevinden zich in een aardedonkere nacht, die zeventig jaar duurt (7 is het getal van totaliteit: erger kan het dus niet!). De grote zee van de wereldmacht Babylonië overspoelt hen: ze hebben het gevoel dat er nu voorgoed een einde is gekomen aan Israël als volk. Het vertwijfelde gevoel zet zich in hun vlees en hart vast, dat zij dreigen opgelost te worden in de chaotische oerzee van de volkeren. Ze kennen het verschil niet meer tussen dag en nacht, tussen de grond onder hun voeten en het water tot aan hun lippen. Hun bestaan vergaat in de jammerklacht: 'Nooit komen wij deze ellende te boven'.
Velen onder hen gaan zich afvragen of het niet beter is de strijd om zichzelf te blijven, op te geven en mee te heulen met Babel, zijn hoge cultuur en zijn goden, die dan toch maar het succes aan hun kant hebben. Zielsbedroefd, en vol bittere vertwijfeling zitten ze aan Babels rivieren. Daarvan getuigt op een welsprekende wijze psalm 137: 'Aan Babels stromen zaten wij neer, treurend bij de gedachte aan Sion. En aan de wilgen die daar stonden, hingen wij onze harpen op... Hoe zouden wij in dit vreemde land kunnen zingen van onze God...'.

De ballingschap brengt ook religieuze twijfel voort, dus niet enkel twijfel aan zichzelf, maar ook aan God. Velen zijn niet meer in staat om te bidden. Ze vragen zich af: heeft God zijn volk in de steek gelaten? Is Hij wel de sterke God, die ons ooit uit Egypte heeft geleid en die ons vertrouwen waard is? Is Mardoek, de god van de Babyloniërs, niet sterker? Zouden we dan toch niet beter met de Babyloniërs gaan mee feestvieren, bij gelegenheid van de nieuwe maan, of op een van die grote staatsfeesten ter ere van de moedergodin Tiamat of van de staatsgod Mardoek? We kunnen toch beter de strijd opgeven en gaan leven zoals en tussen de Babyloniërs, om van de angst, de ellende en de uitputtende waakzaamheid af te zijn! Als we nog een beetje willen leven, kunnen we beter de levensgewoonten, de cultuur en de godsdienst van de overheerser aannemen! Is het niet verstandiger de strijd om onszelf te zijn op te geven - de droom van gerechtigheid stilletjes te begraven en te 'collaboreren' met het machtige Babel, dat dan toch maar het grote gelijk aan zijn kant lijkt te hebben? Wij zijn toch niets en niemand meer! Nooit komen wij deze ellende te boven! (Roger Burggraeve, 1991)

2. Genesis 1 is een subversief verhaal.

Daarom nemen de priesters de leiding van het volk in handen, bij ontstentenis van de vroegere politieke leiders, die gevangengenomen, gesneuveld of omgebracht zijn. Zij vormen hen en geven hun richtlijnen om te overleven en zichzelf te blijven in het vreemde land. Zij willen verhinderen dat de Judeeërs de vreemde levensgewoonten van Babel zouden overnemen en zich met de Babyloniërs zouden vermengen. Daarom gaan zij de klemtoon leggen op bepaalde voorschriften van de wet van Mozes, bv. de besnijdeniswet en het verbod op bepaalde spijzen. Ook dringen zij erop aan dat de ballingen in hun afzonderlijke kampen en dorpen een andere kalender dan die van de Babyloniërs zouden volgen. Voor de joodse ballingen mogen niet de 5de en de 10de dag iets speciaals zijn, maar de 7de dag, de 'sabbat'. Die dag houden ze op met werken. Die dag voelen zij zich het volk van God. Ook mogen zij de feesten van de Babyloniërs niet meevieren. Vooral niet de nieuwjaarsfeesten, die in de lente gevierd worden. Dan wordt namelijk de lof gezongen van Mardoek, de god die met veel moeite gestreden had om de boze wanorde te overwinnen. Uit de neergevelde chaos had hij de wereld, de mensen en Babel geschapen. Elk jaar opnieuw vragen de Babyloniërs hem om de natuur weer tot leven te brengen. Daartegenover leren de priesters dat niet Mardoek over het lot van de mensen beschikt. Alleen de God van de Judeeërs is God en alleen Hij heeft hemel en aarde geschapen en vruchtbaarheid gegeven. Alleen Hij heeft het lot en de taak van de mens bepaald. Ja, Hij heeft zelfs de Wet voorgeleefd: Hij maakte iets speciaals van de 7de dag door op te houden met werken, door te rusten van al het werk dat Hij scheppend tot stand had gebracht.

Dit alles, en nog veel meer, leggen de priesters neer in een scheppingsverhaal.
Ontstaan in een diepe crisis, tegen de vertwijfeling in geschreven, is het uitgegroeid tot een visioen van bevrijding, d.w.z. van een 'goede -wereld'. In zekere zin geven wij het de misleidende naam van scheppingsverhaal, terwijl het eigenlijk ook een toekomstvisioen is. Het is geen 'historisch' verhaal, dat vertelt hoe de wereld is ontstaan, ooit, eens. Maar door naar de oorsprong terug te keren, gaat het na hoe de wereld oorspronkelijk bedoeld was én droomt het hoe de wereld worden moet, ooit, eens.
Op een heel bijzondere wijze reageert het tegen de Babylonische visie op God, kosmos en mens. Het is eigenlijk een subversief verhaal, dat op een subtiele wijze heel het religieuze - en dus ook sociale - systeem van de Babyloniërs aantast, precies om de joden te behoeden voor de assimilatie of opslorping in de Babylonische cultuur en levenswijze. Volgens de Babyloniërs zijn wij langs alle kanten door goden omgeven. Licht en duisternis, hemel, zee en land zijn goden; ook de maan, de zon en de sterren zijn machtige en ontzagwekkende godheden. Daarenboven vatten zij deze goden op als goddelijke machten, die over ons leven, ons wel en wee, doen en laten beschikken. Daarom ook brengen zij in vrees en beven allerlei offers aan deze goden, precies om hen mild te stemmen of hun gunsten af te smeken. Met het scheppingsverhaal gaan de priesters radicaal tegen deze visie in. De éne God was er voor alle Babylonische godheden, want zowel licht als duisternis, hemel, zee en land, zon, maan en sterren zijn door Hem geschapen, zoals trouwens planten, dieren en al wat bestaat, beweegt en leeft. En juist omdat ze schepselen zijn en geen goden, moeten wij er niet bang van zijn. Het scheppingsverhaal gaat zelfs zo ver te zeggen dat de mens op geen enkele wijze aan de zogenaamde goddelijke (dreigende) machten van de schepping onderworpen is, maar als beeld van God integendeel geroepen is om over al deze machten te heersen! Eigenlijk is dit Scheppingsverhaal een spotlied tegen de grillige en willekeurige goden, tegen een zon, een maan en sterren, wiens overmachtige loop aan de hemel het menselijk lot onverbiddelijk zou beheersen. Daarom worden in het eerste scheppingsverhaal zon, maan en sterren bestempeld als lantarens en niets méér, geen goden, maar betrouwbare knechten, lampen, dienstig om op de kalender dagen en maanden, seizoenen en jaren af te tekenen. Daarom ook is het God die licht en duisternis schept, hen uit elkaar haalt èn die hen namen geeft. Kortom, tegen Babel is dit scheppingslied geschreven, tegen de babels van toen en vandaag en altijd, tegen tomeloze en angstaanjagende goddelijke, of moeten we zeggen demonische machten. (Roger Burggraeve, 1991)

3. Mensen hebben nood aan een bemoedigend perspectief!

Mensen die het gevoel hebben dat er voorgoed een einde is gekomen aan Israël als volk en twijfelen aan zichzelf maar ook aan God, hebben nood aan een bemoedigend perspectief.

In de diepste diepte van de vertwijfeling hebben mensen behoefte aan een lied of een gedicht, dat hen een visioen voorhoudt en weer moed inspreekt. Zelfs al reikt een dergelijk visioen niets concreets aan voor de strijd tegen de onderdrukking, waarvan men het slachtoffer is, toch kan het een nieuwe dynamiek op gang brengen. Door zijn belofte van een hoopvolle toekomst, bevrijdt het hen uit het gevoel van fataliteit en verplettering. Nog bestaat er geen wereld waarin alles goed, zeer goed is. Maar de mogelijkheid daarvan is gedroomd en toegezegd. Als belofte kan het alles garanderen. De mensen die een dergelijke belofte uitspreken en toezeggen, worden in Israël profeten genoemd. Zo stonden ook profeten op tijdens de Babylonische ballingschap.
- De profeet Jeremia heeft als eerste de ballingen moed ingesproken. Vanuit Jeruzalem schreef hij een brief aan zijn volksgenoten in Babylonië. Daarin waarschuwt hij hen tegen fatalisme en roept hij hen op om te overleven en te groeien als volk. Tevens zegt hij hun het visioen van de terugkeer naar eigen land toe, zich beroepend op JHWH, die hen ooit uit het slavenhuis Egypte heeft bevrijd.
- Ook onder de ballingen zelf staan profeten op. Delend in de ballingschap zoeken zij naar antwoorden op hun eigen vele vragen en op die van hun medeballingen. Zij spreken bemoedigende woorden, waaromheen de ballingen zich kunnen verzamelen. Zo sprak de profeet Ezechiël die als priester bij de ballingen verbleef. Hij ontvouwde de grootse visioenen die spreken over Gods nabijheid en herscheppende kracht. Zo ook in Ezechiël 37,1-14, het visioen over het dal met de dorre beenderen, het beeld van het verdorde Israël in ballingschap. Door de scheppende Geest van God worden de beenderen met vlees bekleed en bezield tot een nieuw en levenskrachtig Israël.

    • Ook in het scheppingsverhaal van Gen. 1 hebben de priesters een dergelijke profetische toekomstdimensie neergelegd. Ze ontwierpen het als een gedicht, een lied over wat de bedoeling van dit bestaan kan zijn: dat alles toch goed ('tof') is, toch goed moet zijn! Let wel, het is geen naïeve verheerlijking van de beste van de werelden. Uit doffe ellende is dit lied geboren, uit de verslagenheid van moegehoonde, door de geschiedenis overspoelde mensen. Het scheppingslied van Genesus 1 is geboren uit het contrast tussen ondraaglijke werkelijkheid en het vermoeden van wat zou kunnen en moeten. Het werd gesproken en gezongen TEGEN de doffe ellende, TEGEN de onwrikbare loop van de dingen in, als een visioen van totaal herstel en nieuw begin, waarlijk als een 'scheppingsgebeuren'! (Roger Burggraeve, 1991)

D. EEN WETENSCHAPPELIJK OF HISTORISCH BETROUWBAAR RELAAS ?

1. Geen historisch of wetenschappelijk relaas, maar een gelovig getuigenis

Het wordt aldus duidelijk dat die verhalen niet de bedoeling hebben een wetenschappelijk of historisch betrouwbaar relaas te geven, maar ze vormen een geloofsgetuigenis vol waarheid.

De tekst pretendeert helemaal niet historisch of wetenschappelijk betrouwbaar te zijn en is het ook niet. Iedere poging om de Bijbelse scheppingsmythe in overeenstemming te willen brengen met de resultaten van het positief-wetenschappelijke onderzoek is uit den boze en moet noodzakelijk eindigen in een hopeloos Bijbels fundamentalisme. De Bijbel is immers in eerste instantie een gelovig getuigenis, dat niet beoogt een wetenschappelijk verslag te zijn. Wetenschap en Bijbel spreken elk hun eigen taal. Derhalve kan men het Bijbelse scheppingsgedicht dan ook zonder meer een 'mythe' noemen: een symbolisch verhaal dat poogt te verwoorden het transcendente dat intuïtief wordt aangevoeld: dat God aan het begin van alles staat. Als dusdanig is het Bijbelse scheppingsverhaal ook 'waar', hetgeen geenszins impliceert dat het 'echt gebeurd' is. (Hans Ausloos, 2005)

 

De meest voor de hand liggende conclusie is dan ook dat het boek Genesis als verzameling van oude volksverhalen niet bedoeld is om te worden gelezen als een historisch relaas.
Het valt weliswaar niet uit te sluiten dat de verhalen die in het boek terechtgekomen zijn een verre herinnering hebben bewaard aan belangrijk geachte stamvaders. Op een dieperliggend niveau getuigen de verhalen in Genesis echter wel degelijk van de collectieve herin-nering aan een historische werkelijkheid: het volk is ontstaan als een gemeenschap van stammen die het Kanaänitische veelgodendom geleidelijk hebben ingeruild voor de verering van één enkele God, JHWH, die werd gelijkgesteld aan de Kanaänitische oppergod El. In dat opzicht verwoordt het boek het fundament van het geloof van het Oude Israël. (Hans Debel, 2017B)

2. Vanuit De parabel van de onzichtbare tuinman (Anthony Flew)

De parabel van de onzichtbare tuinman van Anthony Flew laat zien dat er verschillende houdingen mogelijk zijn om naar eenzelfde realiteit te kijken.

'Twee ontdekkingsreizigers komen op een open plek in de jungle. Op de plek groeien prachtige bloemen, maar ook onkruid. Een van de ontdekkingsreizigers is ervan overtuigd dat er een tuinman moet zijn. Hij wijst op de bloemen. Zijn tochtgenoot ontkent dat en wijst op het onkruid tussen de bloemen. Ze besluiten te wachten om te zien of er een tuinman komt opdagen en slaan hun tenten op. Tevens zetten ze een man op wacht. Maar een tuinman valt er niet te bespeuren. De 'believer' beweert dat het een onzichtbare tuinman moet zijn. En dus besluiten ze om het domein te omheinen met prikkeldraad en er waak-honden bij te zetten. De honden geven echter geen teken van onraad of vreemde indringers. Toch laat de 'belíever' zich niet ompraten. Hij blijft vasthouden aan zijn overtuiging dat de tuinman onzichtbaar is, onhoorbaar en niet te ruiken valt. De sceptische ontdekkingsreiziger gaat niet akkoord en vraagt hoe een zogenaamde onzichtbare en onnaspeurbare tuinman verschilt van een imaginaire tuinman of de afwezigheid van een tuinman überhaupt.'
Christophe Brabant gaat daarop in: ondanks hun verschillende kijk op de zogenaamde tuinman - een metafoor voor God - delen beide reizigers de veronderstelling dat zijn aanwezigheid en bestaan empirisch te verifiëren vallen. Een dergelijke gelijkstelling tussen natuur en schepping zou echter onrecht doen zowel aan God als aan de autonomie van de natuur. Uiteindelijk leidt dat tot een verkeerd godsbegrip dat Gods immanentie in de werkelijkheid voorstelt alsof deze zou verwijzen naar een binnenwereldlijke factor waarop de natuurwetenschappen de hand kunnen leggen. God is geen factor waardoor het universum van de gelovige n+1 aantal elementen zou tellen tegenover de n aantal elementen van het universum van de ongelovige. Tegelijk maakt het verhaal duidelijk waar het wel om gaat.
Het verschil tussen beide ontdekkingsreizigers ligt niet zozeer in de gegevenheid van de werkelijkheid, maar in de kijk op en de verhouding tot de werkelijkheid die ze aannemen. Voor de ene is de natuur vanzelfsprekend, terwijl voor de ander de natuur van God spreekt.
(Christophe Brabant, 2008)

3. Een antwoord op het creationisme.

Zo kunnen we een antwoord geven op het creationisme.

Hoewel het onder Bijbelgeleerden al lang een uitgemaakte zaak is dat Bijbelse teksten in het algemeen, en de eerste hoofdstukken van het boek Genesis in het bijzonder, niet bedoeld zijn als een vorm van geschiedschrijving in de moderne zin van het woord, blijft in de interpretatie van Genesis 1-3 steeds weer de vraag opduiken of deze hoofdstukken een historisch betrouwbare beschrijving geven van de totstandkoming van de aarde. Met name de aanhangers van het zogenoemde 'creationisme' ijveren ervoor dat het Bijbelse relaas onderwezen zou worden als een alternatief voor de evolutietheorie die op Charles Darwin teruggaat. Nochtans bestaat tussen beide een fundamenteel verschil. Als wetenschappelijke hypothese tracht de evolutietheorie de beschikbare gegevens omtrent het ontstaan van de aarde en de mens zo goed mogelijk te verklaren. Dat impliceert dat zij, net zoals elke andere wetenschappelijke hypothese, in principe gefalsifieerd kan worden wanneer er nieuwe gegevens zouden opduiken die haar tegenspreken - maar op dit moment vormt zij de meest aannemelijke verklaring van de beschikbare gegevens. De waarde van het Bijbelse relaas is daarentegen niet afhankelijk van het proces van verificatie en falsificatie; indien dat wel zo was, zou het intussen onherroepelijk gefalsifieerd zijn door waarnemingen die het tegenspreken.
In tegenstelling tot de evolutietheorie hebben de Bijbelse teksten een dieperliggende bedoeling: zij drukken een welbepaalde overtuiging uit over de plaats van de mens in de wereld en de verhouding tussen God en mens. Ze doen dat vanzelfsprekend in de taal van hun tijd, op basis van een zogenoemd 'prekritisch' wereldbeeld dat tegenwoordig achterhaald is, maar hun theologische waarde is niet afhankelijk van de historische waarheid van dit wereldbeeld. Om die reden is het een valse tegenstelling om de begrippen 'schepping' en 'evolutie' tegen elkaar uit te spelen: ook wie de evolutietheorie aanvaardt als een geldige wetenschappelijke hypothese, kan de scheppingsverhalen nog steeds waarderen om wat zij over God, wereld en mens te zeggen hebben. Binnen het creationisme functioneert de figuur van Darwin enkel als een stroman om de aanval in te zetten op een kritische benadering die de Bijbel niet beschouwt als het onbemiddelde 'Woord van God' maar als het 'Woord van God in mensentaal'. (Hans Debel, 2017 c)

4. Twee Scheppingsverhalen kunnen niet één geschiedenis beschrijven.

Trouwens, twee scheppingsverhalen kunnen niet één geschiedenis beschrijven. Veeleer drukken ze een welbepaalde overtuiging uit over de plaats van de mens in de wereld en de verhouding tussen God en mens.

Een historiserende interpretatie van Genesis 1-3 botst op het bijkomende obstakel dat deze hoofdstukken niet één maar twee scheppingsverhalen bevatten. Soms wordt deze herhaling verklaard door te stellen dat het tweede scheppingsverhaal 'inzoomt' op enkele gebeurtenissen die reeds in het eerste scheppingsverhaal beschreven staan, maar die redenering houdt geen rekening met de verschillende volgorde van Gods scheppingshandelingen. Terwijl in het eerste scheppingsverhaal eerst de planten worden geschapen, vervolgens de dieren en uiteindelijk de mens, mannelijk en vrouwelijk tegelijk, gaat in het tweede scheppingsverhaal de schepping van de man vooraf aan het opschieten van de planten, de schepping van de dieren en de schepping van de vrouw. Dat verschil vormt een concrete illustratie van de eigenheid van beide verhalen, die verloren dreigt te gaan wanneer zij van meet af aan in het licht van elkaar gelezen worden. Ondanks evidente verschillen blijft het een onmiskenbaar feit dat beide scheppingsverhalen uiteindelijk samen in het boek Genesis terechtgekomen zijn. Daarom is het wel degelijk gerechtvaardigd om beide teksten samen te lezen, maar dan wel in het besef dat het gaat om twee afzonderlijk van elkaar ontstane teksten die niet zonder meer tot elkaar te herleiden vallen. Genesis 1-3 vormt geen groot schilderij waarop één enkel tafereel staat afgebeeld, maar een diptiek met twee panelen die elk op hun eigen manier fundamentele aspecten van het mens-zijn weergeven en elkaar precies daardoor wederzijds verrijken. Dat geldt in het bijzonder voor de invulling die zij geven aan de verhouding tussen God en mens, tussen mensen onderling en tussen de mens en de aarde. (Hans Debel, 2017 c) 

EERSTE BESLUIT

DE SCHEPPING ALS EEN RELATIONEEL GEBEUREN

We zien dat het hier uiteindelijk gaat om relatie. In wat volgt staan we stil bij de drie fundamentele relaties van het menselijk bestaan: de relatie met God, met de medemens en met de aarde.

We zien dat het hier uiteindelijk gaat om relatie. In alles volgt staan we stil bij de drie fundamentele relaties van het menselijk bestaan: de relatie met God, met de medemens en met de aarde. Elke mens verhoudt zich op een welbepaalde wijze tot God, tot de medemens en tot de aarde. Genesis 1-3 zijn dus twee perspectieven op een drieledige verhouding. Telkens geeft het eerste scheppingsverhaal een vrij statische beschrijving van het ideaalbeeld waarbij de mens geroepen wordt om in harmonie te leven met God, medemens en aarde; terwijl het tweede scheppingsverhaal met zijn dynamische plot een realistisch beeld schetst van hoe elk van de drie verhoudingen vertroebeld geraakt wanneer de mens zich op zichzelf terugplooit.

Exegeten en theologen zijn het er vandaag over eens dat de scheppingsmythe uit Genesis niet langer kosmologisch, maar theologisch moet gelezen worden. Het scheppingsverhaal zegt in de eerste plaats iets over God en mens en hun onderlinge relatie.

1.

Als wij het eerste scheppingsverhaal (Gen. 1,1-2,4a) historisch kaderen van in zijn ontstaansgeschiedenis wordt duidelijk dat het geen historisch relaas voorstelt. Het scheppingsverhaal is ontstaan tijdens de Babylonische ballingschap en vertoont gelijkenissen met de Oud oosterse scheppingsmythen (zie in het Bijbelhuis de tekst uit een Akkadisch scheppingsverhaal). Het joodse volk dat in ballingschap leefde, ver van zijn geboortegrond, ervoer deze tijd van ballingschap als een beproeving. Ongetwijfeld kwamen zinvragen naar boven in de aard van:

    • Is dit wat God met ons voor heeft?
    • Waartoe dient deze ballingschap?
    • Wat is de zin van het mens-zijn in deze ‘ellende’?

Wie Oud oosterse en Bijbelse oorsprongsverhalen naast elkaar legt, merkt opmerkelijke gelijkenissen, maar ook verschillen. Het merkwaardigste verschil is wel de positie van de mens in beide mythes. In het Babylonische scheppingsverhaal wordt de mens geschapen door goden die een hulpje willen dat het werk in hun plaats uitvoert. De mens is er marginaal, maar wordt gedoogd omdat hij bruikbaar is. In het Bijbelse scheppingsverhaal wordt van de mens gezegd dat hij geschapen is 'naar Gods beeld en gelijkenis’. God schept de mens als degene die op volwaardige wijze 'tegenover' God staat.

Als we vandaag het scheppingsverhaal lezen, dan gebeurt dat dus vanuit een existentieel perspectief. Het biedt een perspectief op zijn eigen bestaan. Het scheppingsverhaal theologisch lezen betekent dan ook: het lezen als een uitdrukking van de relatie Schepper-schepsel.
Spreken over relatie doet meer recht aan deze lezingen. God is een transcendente verbondspartner. God staat aan de oorsprong van de schepping, niet als begin, maar als beginsel. Het scheppingsverhaal leert dat de mens niet zijn eigen oorsprong is. De mens ontdekt zichzelf als een ‘tegenover' van een Ander die spreekt. Het mens-zijn voltrekt zich als antwoord op dat oorspronkelijke Woord. Vandaar dat mens-zijn principieel verantwoordelijk zijn betekent. De plaats bij uitstek waar de werkelijkheid schepping wordt, is daar waar de mens bereid is antwoord te geven op Gods Woord en zo ook gestalte geeft aan dat Woord. Het is in de relatie van de mens tot God dat de immanentie van God zichtbaar wordt. Tegelijk ligt daar ook de kwetsbaarheid van Gods immanentie. Door de relatie Schepper-schepsel niet langer als een Subject-objectverhouding, maar als een Subject-subjectverhouding ernstig te nemen, wordt ook de menselijke vrijheid ernstig genomen. Door de mens als subject in de relatie tot God ernstig te nemen, krijgt de menselijke vrijheid haar volle gewicht. De mens als partner en medeschepper in het scheppingsgebeuren ernstig nemen betekent tevens dat de mens verantwoordelijkheid draagt, en dat de mens, door het niet opnemen van zijn verantwoordelijkheid, de schepping ook ernstig kan verstoren, en zelfs teniet kan doen.
De herinterpretatie van wat schepping vandaag betekent, houdt in dat we ook op zoek gaan naar een nieuwe omschrijving van de verhouding tussen natuur en schepping. Vandaag spreken we eerder over de natuur met de haar eigen 'immanente' werkzaamheid. God is geen factor in de biologische en chemische formules van wetenschappers.
De geloofsbetrokkenheid in scheppingsperspectief houdt verband met de relatie die schepping impliceert. Vanuit menselijk perspectief kan dit alleen wanneer de mens bereid is gehoor te geven aan het scheppingswoord dat tot hem gericht wordt. Een hedendaagse scheppingsspiritualiteit komt uiteindelijk daarop neer: naar de werkelijkheid kijken en zien dat 'de hele schepping nog altijd als in barensweeën zucht en lijdt' (Rom 8,22) om zich van daaruit mee geroepen te weten om voor die schepping verantwoordelijkheid op te nemen. In het opnemen van de verantwoordelijkheid gaat de mens als schepsel Gods in op het scheppingswoord dat de mens uitnodigt om medeschepper te zijn in deze werkelijkheid.
 

2.

In het tweede scheppingsverhaal blijft God de mens in deze tuin nabij. Er is sprake van een relationele, op elkaar betrokken gemeenschap tussen God en zijn schepping, waarin andere medeschepselen gave en opgave zijn. De mens heeft die relatie echter gecompromitteerd, wat niet zonder gevolgen bleef.

 

3.

Het onderhouden van de sabbat - of van de zondagsrust - is het zich telkens weer bewust worden van deze oproep tot een drievoudige harmonieuze relatie tussen God, mens en schepping. De sabbat, of in het christendom de eucharistie, is dan ook een herinnering en in ere houden van de wensdroom van God voor zijn schepping, waardoor de mens gelijkenis gaat vertonen met het beeld van God. De christen wordt tot die gelijkenis uitgenodigd in de eucharistie, om van daaruit te gaan leven in de navolging van Christus, volkomen beeld van God. En dat vertaalt zich in het dagelijkse leven en in onze omgang met de schepping. (Francis Van Den Noortgate, 2017)

 
Genesis 1-3 zijn dus twee perspectieven op een drieledige verhouding. Elke mens verhoudt zich op een welbepaalde wijze tot God, tot de medemens en tot de aarde. Telkens geeft het eerste scheppingsverhaal een vrij statische beschrijving van het ideaalbeeld waarbij de mens geroepen wordt om in harmonie te leven met God, medemens en aarde; terwijl het tweede scheppingsverhaal met zijn dynamische plot een realistisch beeld schetst van hoe elk van de drie verhoudingen vertroebeld geraakt wanneer de mens zich op zichzelf terugplooit. Erkennen mensen dat zij zelf niet de oorsprong en het ultieme doel van hun bestaan zijn, of trachten zij zichzelf in de plaats van God te stellen? Slagen mensen erin om anderen te erkennen in hun andersheid en verantwoordelijkheid op te nemen voor elkaar, of ontaardt de relatie met de ander in conflict en vervreemding? En gaan mensen zorgzaam om met wat de aarde hen schenkt, of buiten zij de aarde schaamteloos uit om aan hun eigen behoeften te voldoen? Dat de scheppingsverhalen geen historische gebeurtenissen verhalen, verandert niets aan de realiteit van deze fundamentele dilemma’s van de menselijke vrijheid, die tot op vandaag blijven voortbestaan. (Besluit van Hans Debel, 2017c)
 
Deze laatste bladzijde kan dan ook gezien worden als een inleiding op wat verder volgt. We gaan in op onze relatie met God, met onszelf, met de natuur en met onze medemens.
We proberen die afzonderlijk te behandelen, ook al vloeit het ene uit het andere voort.
Het beste lijkt ons te vertrekken vanuit de vraag wat 'schepping' zegt over onze relatie tot God.
 
Roger Burggraeve vat het zo samen: God erkennen als Schepper betekent voor de mens aanvaarden dat geen enkel schepsel, en dus ook zichzelf niet, kan worden verabsoluteerd, vergoddelijkt of aanbeden. De mens is geen eigenaar, maar rentmeester van de schepping. Dat bepaalt ook de verhouding van de mens tot de wereld. We erkennen dat de geschapenheid van de wereld voor ons een ethische opdracht meebrengt. Als 'geschapen' behoort de wereld immers God toe en niet de mens, die zelf ook schepsel is. Zo is de wereld op geen enkele wijze het eigendom van de mens. Als geschapen wordt hij aan de mens geschonken. De mens moet de wereld 'krijgen' en 'ontvangen': hij heeft er geen auteursrechten op. Juist door de wereld te benaderen en te beleven als 'geschapen' en 'gegeven', erkennen wij God als Schepper.
 
Dit betekent dat de mens, als hij de aarde 'neemt' en zich 'toe-eigent', een usurpator en rover is. Hij heeft er geen enkel recht of voorrecht op, vermits hij de 'laatstgekomene' is. Wie de aarde bezit en bewerkt alsof ze van hem is, doet alsof ze 'door hem' is. Daardoor komt hij in de onwaarheid terecht: hij vergeet immers zijn geschapenheid, of liever hij schept zich de illusie van 'ongeschapenheid'. Dit is een serieuze kritiek op het eenzijdig 'bezitsdenken'.
Wie het menselijk subject interpreteert als het centrum van de wereld en als de maat van alle dingen, zal onwillekeurig alle macht en 'recht' over de wereld aan de mens toekennen. Hij zal spontaan denken dat de wereld zijn exclusief 'domein' en 'bezit' is om er zijn vrijheidsmacht en 'oorspronkelijkheid' (letterlijk begrepen als 'oorsprong zijn') uit te oefenen. Vanuit de Bijbelse scheppingsopvatting moeten wij dit bezits- en machtsdenken t.o.v. de wereld zonder meer bestempelen als heidendom. Het ontkent in zijn onnadenkende zelfzekerheid immers iedere andere oorsprong - en ieder ander einddoel - dan zichzelf. Dit autonomistisch bezits- en eigendomsdenken t.o.v. de wereld is dan ook zonder meer 'God-ontkennend', vermits het geen radicale alteriteit kan erkennen. Het is een ongelovige en ongodsdienstige levenshouding, precies omdat men de eigen geschapenheid en die van de wereld, en dus God als schepper negeert. We kunnen dat ook een echte 'Godsverduistering' noemen. (Roger Burggraeve, 1991)

 

VRAAG 3

Welk Godsbeeld treffen we aan in de oorsprongsverhalen?

A. GOD IS LIEFDE

Niets verplichtte God om ons te scheppen in de wereld. Hij deed het uit vrije

volg ons

over deze blog

Deze blog gaat op zoek naar de betekenis van Bijbelteksten.

In onze artikels wijzen we vaak de weg naar meer informatie die te vinden is in het Bijbelhuis.

Hier leest u ook artikels over onze bijzondere programmatie of evenementen.

Breng deze pagina regelmatig een bezoekje. Je vindt hier geregeld nieuwe teksten.

Jean Bastiaens, directeur van Bijbelhuis Zevenkerken.