Het Marcusevangelie: een dag in Kafarnaum

(Frans Essel, Wie is Hij toch?)

1. Marcus 1,21-28

De evangelist Marcus begint met een beeld te schetsen van Jezus door zijn activiteit te beschrijven tijdens een dag te Kafarnaum. Deze dag is een sabbat en begint in de synagoge. Zowel de tijd als de plaats zijn belangrijk: de sabbat en de synagoge. Allebei zijn ze verankerd in de beleving van de joodse vroomheid. Het is in deze vroomheid dat Jezus aanwezig komt om op een nieuwe manier over God en zijn liefde te spreken. De verbazing en de vraag van de mensen: 'Wat betekent dat toch?', is een reactie die het hele evangelie door en ook een heel mensenleven door bij ons naar boven komt: 'Wie is Hij toch?'. Marcus wil duidelijk maken wie Jezus is. Hij doet dat op een literair boeiende wijze. Zo laat hij de mensen zich afvragen wie Jezus is.

De vraag 'Wie Jezus is' wordt hier beantwoord door een demon: 'Ik weet wie Ge zijt: de heilige Gods'. Jezus is de gezondene, waarin God zich manifesteert. Waar Hij duivels uitdrijft, daar gebeurt het Rijk Gods dat is aangekondigd. De incarnatie van Gods liefde trekt de mens terug op naar zijn oorspronkelijk paradijselijke toestand. Dat is nieuw!

De demon die blijkbaar denkt te weten wie Jezus is, moet zwijgen. Nu zijn zijn woorden enkel aanleiding tot misverstand. Pas na Jezus' lijden en verrijzenis kan de identiteit van Jezus als Messias ten volle begrepen worden. Jezus is geen Messias die als een nieuwe koning het land zal bevrijden of die als een profeet de wet zal doen naleven. Hij is de Messias in wie God trouw is aan mensen tot en met de dood. Als dat geheim al ooit begrepen kan worden, dan toch pas na de ervaring van lijden, sterven en verrijzen. Het thema van het Messiasgeheim, in relatie tot de vraag naar de identiteit van Jezus, is een belangrijke verhaallijn in het Marcusevangelie.

In de omgang met Jezus valt het de mensen onmiddellijk op dat Jezus de Schrift op een andere manier verklaart dan de schriftgeleerden het doen, namelijk als iemand die gezag bezit. Marcus zegt niet wat de inhoud is van die nieuwe leer, maar wel dat Jezus die met eigen gezag verkondigt. Gezag krijgt iemand wiens woorden en daden overeenstemmen, iemand die betrouwbaar is. Dat blijkt Jezus te zijn. De nieuwe leer die Hij verkondigt, maakt Hij waar in zijn handelen wanneer hij mensen geneest en van onreine geesten bevrijdt.

Jezus spreekt woorden die van God komen en Hij zegt wat God Hem opdraagt. Jezus spreekt als een gezondene van God. Hij kan en mag in zijn naam spreken. Dat kan niets anders betekenen dan dat Jezus opnieuw de oorspronkelijke stem van God in de schrift hoort en laat klinken, zodat het opnieuw een woord van liefde en bevrijding kan zijn voor iedere mens, ook voor hen die de wet niet kennen, ook voor onreinen en voor zondaars.

Het tweede wat opvalt is dat Jezus een kracht bezit die sterker is dan de macht van de onreine geest, sterker dan de macht van het kwaad. Iedere ontmoeting met Jezus wordt voor de mens een bevrijding uit dwingende machten waaruit hij zelf niet los kan komen. Jezus komt om de mens te doen herademen, om hem zijn levensopdracht opnieuw in handen te geven. De mens wordt door Hem als het ware herschapen.

Marcus zegt dat de faam van Jezus zich naar alle kanten verspreidde. Ook wij, die wat ervaring hebben in de omgang van Jezus, moeten ons ontvankelijk en op een nieuwe manier laten aanspreken door hem. We mogen ook niet nalaten om in onze omgeving de naam van Jezus bekend te maken. Door zijn woorden vandaag te beluisteren en gelovig te doorleven, kan ook nu in zijn naam hetzelfde bevrijdingswerk gebeuren.

2. Marcus 1,29-39

Het evangelie naar Marcus vertelt van meet af aan hoe het Koninkrijk van God met de komst van Jezus onstuitbaar doorbreekt in deze wereld. Dat gebeurt met een enorme vaart. 'Meteen, direct, regelrecht, rechtstreeks' na de gebeurtenissen in de synagoge gaan Jezus en zijn eerste leerlingen naar het huis van Simon en Andreas. Het verhaal van Jezus' activiteit is een samengebald verhaal. De beschrijving van dde dag te Kafarnaumd dient om zijn activiteit in het algemeen aan ons voor te stellen. Daarin wordt zijn keuze voor de mensen onmiddellijk duidelijk.

Jezus doet in deze teksten voornamelijk twee dingen: prediken en genezen. Die twee horen kennelijk bij elkaar. Zo moeten we de genezingsverhalen hier ook zien: het zijn geen op zichzelf staande mirakels, geen bewijs van zogenaamde bovennatuurlijke krachten van Jezus. Het zijn de zichtbare en tastbare illustraties bij zijn prediking. Het Koninkrijk dat Jezus aankondigt, bestaat eruit dat mensen verlost worden van wat hen bezwaart en beknelt.

Met Jezus, zo vertelt het Marcusevangelie, is een beslissend begin gemaakt met dit Koninkrijk, en niemand, ook de geesten van deze wereld niet, kan de komst ervan nog stoppen.

Wanneer wij het verhaal over de genezing van de schoonmoeder van Petrus lezen, dan is in de koorts van deze vrouw de levenskoorts van vele mensen begrepen. Jezus komt om deze mensen bij de hand te nemen en ze te doen opstaan, te doen verrijzen. Zijn verrijzeniskracht maakt de mensen vrij van deze koorts. Hij maakt mensen weer dienstbaar voor anderen.

En dit beperkt zich niet tot een persoon. Tijdens de dag te Kafarnaum wordt de activiteit van Jezus geconcentreerd in de avond, na zonsondergang. Van zodra de sabbatsrust voorbij is, brengt men de zieke en bezeten mensen tot bij Jezus. 'Heel de stad stroomde voor de deur samen', zegt Marcus. Hij wordt het verzamelpunt van menselijke miserie en vertaalt daarmee de gevoelens van God, die de ellende van zijn volk heeft gezien. Jezus is de menswording van Gods liefde en deze slaat bressen in wat mensen voor onveranderlijk en onmogelijk aanzien. Deze liefde gaat niet voorbij aan het lijden van de mens.

Men zoekt Jezus op om genezen te worden. Het geloof in Jezus bevat inderdaad een genezende kracht, ook voor ons in deze tijd, want niets kan het leven beter genezen dan de liefde van God die in Jezus nabij is.

Om in deze roeping sterk te staan, gaat Jezus bidden. Wie veel miserie aanhoort, moet ook veel bidden. Gods liefde wil het uithouden bij de nood van de mensen. In zijn bidden dankt en verheerlijkt Hij God om wat door zijn handen en woorden gebeurt. Hij bidt dat Hij telkens opnieuw voor zijn roeping zou kiezen. Hij bidt dat Gods wil mag geschieden, want 'daartoe immers ben Ik uitgegaan'. In Jezus zoekt Gods liefde zichzelf niet, maar Zij gaat steeds weer op weg naar de dorpen in de omtrek, om ook daar de blijde boodschap te brengen. Zo worden wij opgeroepen om met Hem mee te gaan om te zeggen en te tonen dat het leven hier op aarde door God bemind wordt.

Wanneer Jezus dan de volgende morgen ergens aan het bidden is en de leerlingen Hem trachten te vinden om Hem te zeggen 'Iedereen zoekt U', dan wordt ons de vraag naar de motivering van dat zoeken gesteld. Dat is in het begin van het evangelie geen toevallige vraag. Bij Marcus heeft het zoeken naar Jezus meestal geen gunstige betekenis, zoals ook het vragen om een teken uit de hemel door Jezus afgewezen wordt. De roeping van de leerling ligt niet in het zoeken naar Jezus, maar begint waar het zoeken ophoudt om alles te verlaten en Hem te volgen, om zich te laten vinden door Jezus. Daar begint het evangelie en de uitwerking van Jezus' leven in de leerling. Daar begint een relatie waarin Jezus ons liefdevol de weg wijst.

3. Marcus 1,40-45 In heel Galilea wordt het verdergezet.

Een melaatse komt op Jezus toe en vraagt Hem om hulp. De man blijft niet van verre staan, zoals melaatsen dat behoren te doen, maar hij knielt neer aan de voeten van Jezus en belijdt zijn geloof in de kracht die van Hem uitgaat. Als Jezus deze melaatse ziet en de manier waarop hij Hem durft te benaderen, raakt Hij diep ontroerd. Vervolgens steekt Hij zijn hand uit en zonder angst voor besmetting, raakt Hij de melaatse aan. Ongehoord, zo moeten de omstanders hebben gedacht, maar voor Marcus is Jezus resoluut in zijn optreden en krachtdadig in zijn spreken: 'Ik wil het, word rein.' En onmiddellijk verdwijnt de melaatsheid.

Het verhaal over de genezing van de melaatse is een illustratie van de opmerking van Marcus: 'Hij trok door heel Galilea, predikte in hun synagogen en dreef de boze geesten uit'. Aan die activiteit wordt duidelijk welke weg Jezus met ons wil opgaan. Het is de weg van de bewogenheid van Gods liefde voor de mens. We zien Jezus' voorkeur voor mensen die door de maatschappij op afstand worden gehouden. En in deze bewogenheid wordt onze gewone gang van zaken doorbroken, omdat het geen medelijden is van een toeschouwer of een bewogenheid die geblokkeerd wordt door eigenliefde, menselijk opzicht, gewoonte of andere uitvluchten en vooroordelen waarmee de ellende van de mens wordt in stand gehouden. Gods bewogenheid voor de mens laat zich in Jezus niet blokkeren, maar doorbreekt al wat nodig is om deze mens te doen herleven.

Door zijn genezing toch vroegtijdig rond te bazuinen, brengt de man Jezus in moeilijkheden, waardoor deze zich niet meer openlijk in de stad kan bewegen. Door een melaatse man rein te verklaren komt Jezus onbedoeld in conflict met de heersende priesterklasse. In de synagoge te Kafarnaum geneest Jezus een bezeten mens, ook al is het sabbat. Hij raakt de melaatse aan, ook al wordt Hij dan door de wet religieus onrein verklaard. Er zijn geen argumenten of (religieuze) motieven die sterker kunnen zijn dan die van Gods liefde voor de mens. Dat mogen ook wijzelf ervaren als wij met onze melaatse plekken voor Hem verschijnen, ons door Hem laten aanraken en bidden: 'Heer, als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen'. Vaak zijn we ontgoocheld over onszelf, over de dubbelzinnigheid waarin wij leven, over de lange duur van onze eigenliefde. Ook in deze ontgoocheling zijn we nog altijd mooi genoeg om door God te worden bemind. Dat is de kracht van het geloof in Jezus: dat Hij ons bemint terwijl wij zondaars zijn en dat - door de kracht en de warmte van zijn liefde - wij bewogen worden tot wederliefde, tot verzoening en gemeenschap, tot barmhartigheid en dienstbaarheid, tot leven dat niet meer ontgoochelt, omdat het een leven van liefde wordt. Dan zullen wijzelf ook in staat zijn bewogen te worden door het melaatse leven van de mensen, om het in de liefde van de Heer Jezus thuis te brengen.

Als volgelingen staan we hierbij en zien we hoe Gods bewogenheid voor het lijden van de mensen, in de ontmoeting tussen Jezus en de melaatse, daadwerkelijke liefde wordt. Dat stemt ons blij en opent ons de ogen voor al de liefde die in christelijke gemeenschappen voor lijdende mensen wordt opgebracht, ook vandaag. Christenen verlaten en verstoten hun lijdende mensen niet. Door de komst van Jezus wordt veel liefde mogelijk. Bij het zien daarvan worden wij meegetrokken om ook in Gods bewogenheid te gaan staan en mensen te beminnen die, zoals de melaatse, niet zo beminnenswaardig zijn in onze wereld. We blijven geen toeschouwer als we met Jezus meegaan.

Het getuigenis van de evangelist is het getuigenis van de kerk die het leven van Jezus kent en zijn leven, lijden, dood en verrijzenis wil gedenken en verkondigen. Het is niet het verhaal van een genezene die 'spijts het verbod van Jezus' toch het gebeuren navertelt. De genezen melaatse mag niet spreken, omdat hij Jezus nog niet kent, omdat hij Jezus nog niet heeft zien lijden en sterven. Maar wij, die het leven van Jezus, zijn lijden, dood en verrijzenis dagelijks meemaken, moeten niet zwijgen. Wij moeten als genezen melaatsen zijn leven vieren en gedenken. In ons getuigenis dienen wij er ruchtbaarheid aan te geven: Hem openlijk in de stad van de mensen brengen. Voor allen die bemind door het leven willen gaan, is Jezus de Redder van dat leven.

Overzicht vragen, bijlagen en appendices bij het Marcusevangelie

Basistekst Marcusevangelie in PDF

volg ons

over deze blog

Deze blog gaat op zoek naar de betekenis van Bijbelteksten.

In onze artikels wijzen we vaak de weg naar meer informatie die te vinden is in het Bijbelhuis.

Hier leest u ook artikels over onze bijzondere programmatie of evenementen.

Breng deze pagina regelmatig een bezoekje. Je vindt hier geregeld nieuwe teksten.

Jean Bastiaens, directeur van Bijbelhuis Zevenkerken.