Vragen en antwoorden bij de Wonderverhalen

Wonderverhalen
Jezus' wonderverhalen

Vraag 1

Waarom spreken over Jezus' wonderen?

1 A. Omdat er in het evangelie veel 'verhalen' over wonderen te vinden zijn.
Er wordt indirect over Jezus' wonderen getuigenis afgelegd.

Ook al zou het Nieuwe Testament geen enkel concreet wonderverhaal bevatten - dan nog horen we dat Jezus zieken en bezetenen genezen heeft. Wij zouden het overigens ook kunnen afleiden uit het feit dat er na Pasen in de jonge gemeenten genezingen en andere wonderen in toenemende mate voorkwamen. Blijkbaar is er met Jezus iets begonnen wat zich ook naadloos in de jonge kerk doorzette.

Er wordt over Jezus' wonderen verteld.

Niet alleen indirect wordt over Jezus' wonderen gesproken. De evangelies 'vertellen' ze ook. Het is belangrijk te beseffen dat wij niet de wonderen zelf meemaken, maar alleen de teksten lezen die over de wonderen spreken. De evangelies vertellen zelfs buitengewoon veel wonderen. Vooral het Marcusevangelie staat gewoonweg bol van wonderverhalen.

In het Marcusevangelie worden volgende genezingen en duiveluitdrijvingen verteld:

  • de bezetene in de synagoge (1,25-26)
  • de schoonmoeder van Petrus (1,30-34)
  • de melaatse (1,40-45)
  • de lamme (2,1-12)
  • de man met de verschrompelde hand (3,1-6)
  • de bezetene uit Gerasa (5,1-20)
  • de vrouw die aan bloedvloeiingen leed (5,25-34)
  • de dochter van de Syrofenicische vrouw (7,24-30)
  • de doofstomme (7,31-37)
  • de blinde uit Betsaida (8,22-26)
  • de bezeten zoon (9,14-29)
  • de blinde Bartimeus (10,46-52)

Het Marcusevangelie bevat echter ook nog andere wonderen die niet onder het begrip genezingen en duiveluitdrijvingen kunnen geplaatst worden:

  • het stillen van de storm (4,35-41)
  • de opwekking van de dochter van Jairus (5,21-43)
  • Jezus geeft vijfduizend mensen te eten (6,35-44)
  • Jezus loopt over het meer (6,45-52)
  • Jezus geeft vierduizend mensen te eten (8,1-9)
  • de verdorde vijgenboom (11,12-14.20-25)

Hierbij komen dan nog ongeveer tien wonderverhalen die terug te vinden zijn in het Sondergut van Matteus en Lucas en zeven wonderverhalen uit het Johannesevangelie.

Met dit alles wordt Jezus als een uitgesproken wonderdoener beschreven.

1 B. Omdat de wonderverhalen onlosmakelijk verbonden zijn met Jezus' verkondiging.

De wonderverhalen uit de evangelies roepen heel wat vragen op, bij leerkrachten en leerlingen en ook bij kritische lezers van de Bijbel. Hoe kan Jezus zomaar wind en water aan zijn wil onderwerpen of een hele menigte te eten geven met enkele broden en wat vis? Bovendien wordt er ook nog verteld dat Hij een uitstekende dokter geweest zou zijn. Daarvan getuigen de talrijke berichten over wonderlijke genezingen en het uitdrijven van demonen. Toch zijn die verhalen onlosmakelijk verbonden met de verkondiging van Jezus. Enkel vanuit die achtergrond kunnen ze verstaan worden. De wonderverhalen staan er ook niet op zichzelf. Ze maken deel uit van de Blijde Boodschap. (Luc Devisscher, 2017)

1 C. Omdat wie over Jezus iets wil zeggen, er niet onderuit kan zich met zijn wonderen in te laten.

Bij Jezus speelt het woord werkelijk een grote rol. Hij heeft onderricht gegeven, Hij heeft terechtgewezen en vermaand, Hij heeft gebeurtenissen profetisch geduid, Hij heeft het evangelie van Gods heerschappij verkondigd; meer nog: Hij heeft haar publiek afgekondigd. En toch heeft Jezus niet alleen gesproken. Hij heeft Gods heerschappij niet alleen verkondigd. Het werk dat Hij verrichtte, was niet alleen een woordgebeuren'. Geheel zijn publieke optreden wordt van begin tot einde door handelingen gekenmerkt. In het evangelie worden zij 'machtsdaden' (dunameis) en 'tekenen' (semeia) genoemd. De Kerk noemt ze sinds eeuwen 'wonderen'. Wie over Jezus iets wil zeggen, kan er niet onderuit zich grondig met zijn wonderen bezig te houden. (Gerhard Lohfink, 2014)

1 D. Omdat het Rijk Gods zichtbaar wordt in die wonderverhalen.

Als Jezus zieken geneest, demonen uitdrijft, het water aan banden legt en doden opwekt, dan gebeurt in de grond overal hetzelfde: Hij verzet zich tegen de chaotische machten, Hij overwint de demonen, Hij geneest de beschadigde en misvormde wereld, opdat Gods heerschappij zichtbaar zou worden en de schepping de integriteit en de schoonheid zou vinden die God haar toebedacht heeft. (Gerhard Lohfink, 2014)

1 E. Omwille van de vragen in het leerplan.
1. Hoe gaat Jezus met mensen om?

Bij Jezus valt o.a. op dat: (p. 20)

  • Zijn eerste woorden soms zijn: 'Wat zoekt je?' (Joh. 1,38; 20,15) of 'Wat wil je dat Ik voor jullie doe?' (Mc. 10,36-51) om dan zijn boodschap te verkondigen.
  • Hij mensen wil openen voor hun eigen diepe verlangens.
  • Hij altijd aankomt met een aanbod dat leven bevordert. Hij geeft zijn eigen mening, standpunt te kennen maar laat mensen vrij. Hij legt hen iets voor, maar Hij legt hen nooit iets op! Hij stelt mensen voor keuzen, maar daarin laat Hij mensen vrij.
  • Hij vanuit zijn geloof in de grenzeloze liefde van God voor de mens, gelooft in de mogelijkheden van elke mens. Voor God is niets onmogelijk. Voor God zijn er geen 'gevallen waar niets meer aan te doen is': Hij weet het beste te zien in elke mens. Dat is de echte pedagogie van de hoop.

2. Wat is de plaats van de genezingsverhalen? (In de eerste graad, waar het over 'pijn' gaat.)

  • 1A Pijn p. 92: genezingsverhalen
  • 2A Pijn p. 92: Jezus' omgaan met lijden

3. Hoe ontmoet Jezus mensen? (In de tweede graad, wanneer het om ontmoetingen met Jezus gaat.)

4 ASO Ontmoeten p. 111:

  • Jezus' ontmoetingen met mensen bespreken (Bartimeus);
  • Jezus' verbondenheid met wie Hem heeft aangeraakt (Mc. 5,25-34);
  • Jezus' omgaan met kwetsuren (tederheid en barmhartigheid; het gelaat van de ander als het gelaat van de Ander).

4. Hoe omgaan met grenservaringen en lijden? (In de derde graad)

5ASO Omgaan met grenzen p. 116:

  • Hoe gaat Jezus om met lijden? Lc. 7,1-11; Joh. 11,1-45;
  • De impact van grenservaringen op wereld-, mens en godsbeeld
  • Genezingsverhalen; dodenopwekkingen; duiveluitdrijvingen;
  • Aangeven hoe christenen omgaan met lijden (Bijbelse en andere gebedsteksten).

5BSO Grens en eindigheid p. 146:

  • De plaats van lijden en dood in het eigen leven;
  • Het verschillend reageren tegenover lijden en dood;
  • Het omgaan van christenen met lijden en dood typeren.

5TSO Samenlevingsopbouw tussen inspiratie en appel p. 169:

  • Gemeenschappen van nu confronteren met een Bijbelse kijk op samenleven (genezingsverhalen: waarderen en helen als zending voor en bron van een gemeenschap; de jonge Kerk).

5TSO Lijden en hoop p. 171:

  • Jezus' aandacht voor de lijdende mens illustreren met Bijbelfragmenten en terugvinden in de levenshouding en engagementen van hedendaagse christenen (genezingsverhalen, opwekking van Lazarus, medelijden, barmhartigheid).

7 jaar Beginnend levensbeschouwelijk engagement p. 195:
  • Bijbelse verhalen rond lam (Mc. 1,40-45, Mt. 8,14, Lc. 5,12-16), doof/stom (Mc. 8,31-37, Mt. 15,29-31) en blind (Mc. 11,46-52, Mt. 20,29-34, Lc. 18,35-43)

Vraag 2

Wat is de Bijbelse interesse in verband met Jezus' wonderverhalen?

2 A. Onze spontane historische interesse: heeft Jezus wonderen gedaan?

In het Nieuwe Testament wordt er indirect over Jezus' wonderen getuigenis afgelegd en wordt er over Jezus' wonderen verteld. Vaak gaat onze interesse niet direct uit naar wat daarmee bedoeld wordt, maar blijven we steken bij de vraag of die wonderen wel echt gebeurd zijn. Maar alle argumenten zowel voor als tegen de historiciteit van de opgetekende wonderen, berusten op a priori's.

Zowel bij conservatieve apologeten...<201a>

Conservatieve apologeten redeneren als volgt: 'God kan wonderen doen, welnu, Jezus was de mensgeworden God; dus moet Hij bij machte geweest zijn wonderen te doen, en heeft Hij er ook gedaan, zoals de evangelien berichten'. Zoals bij zoveel syllogismen, wordt ook hier de wagen voor het paard gespannen. Want het syllogisme steunt op een aprioristisch oordeel dat een conclusie zou moeten zijn. Dat Jezus de mensgeworden God is, is een besluit van het geloof, waartoe men slechts komt na een confrontatie met Jezus.

... als bij rationalisten

Een even onwetenschappelijk a priori zou het zijn de wonderen van bij het begin uit te schakelen, zoals door de rationalisten gedaan werd. Wonderen, zo zeiden zij, kunnen onmogelijk gebeuren. Ze zijn wetenschappelijk uitgesloten in een wereld die gehoorzaamt aan de ijzeren wetten van oorzaak en gevolg. Derhalve heeft Jezus nooit wonderen gedaan. Slechts twee mogelijkheden zijn er om de 'wonderen' te verklaren volgens hen: ofwel berusten ze op het verkeerd begrijpen door de leerlingen of andere ooggetuigen van de echte feiten, ofwel zijn het vrome legenden. De vroegere rationalisten hadden een voorkeur voor de eerste stelling en zij hielden zich gaarne bezig met het verklaren van dergelijke zogezegde misverstanden. De geschiedenis van de zwijnen bij de Gerasenen (Mc. 5,1-20) bijvoorbeeld zou oorspronkelijk een volkomen natuurlijke gebeurtenis geweest zijn. Het geschreeuw van de bezetene zou de zwijnen verschrikt en onder de dieren paniek veroorzaakt hebben. Het resultaat: enkele stortten in de afgrond; de overige zouden deze eerste gevolgd zijn. Bij de broodvermenigvuldiging zou er niets anders gebeurd zijn, dan dat de leerlingen een jonge man overtuigd hadden zijn proviand met de anderen te delen. Dat voorbeeld werkte aanstekelijk, zodat alle anderen dat ook deden, tot de ganse menigte verzadigd was.

Een even onwetenschappelijk a priori zou het zijn de wonderen van bij het begin uit te schakelen, zoals door de rationalisten gedaan werd. Wonderen, zo zeiden zij, kunnen onmogelijk gebeuren. Ze zijn wetenschappelijk uitgesloten in een wereld die gehoorzaamt aan de ijzeren wetten van oorzaak en gevolg. Derhalve heeft Jezus nooit wonderen gedaan. Slechts twee mogelijkheden zijn er om de 'wonderen' te verklaren volgens hen: ofwel berusten ze op het verkeerd begrijpen door de leerlingen of andere ooggetuigen van de echte feiten, ofwel zijn het vrome legenden. De vroegere rationalisten hadden een voorkeur voor de eerste stelling en zij hielden zich gaarne bezig met het verklaren van dergelijke zogezegde misverstanden. De geschiedenis van de zwijnen bij de Gerasenen (Mc. 5,1-20) bijvoorbeeld zou oorspronkelijk een volkomen natuurlijke gebeurtenis geweest zijn. Het geschreeuw van de bezetene zou de zwijnen verschrikt en onder de dieren paniek veroorzaakt hebben. Het resultaat: enkele stortten in de afgrond; de overige zouden deze eerste gevolgd zijn. Bij de broodvermenigvuldiging zou er niets anders gebeurd zijn, dan dat de leerlingen een jonge man overtuigd hadden zijn proviand met de anderen te delen. Dat voorbeeld werkte aanstekelijk, zodat alle anderen dat ook deden, tot de ganse menigte verzadigd was.

2 B. In de Bijbel willen de wonderverhalen allereerst iets zeggen over het heden en over de toekomst.

Ze willen niet allereerst over het verleden spreken of een historisch verhaal doen, maar vooral - op grond van een gebeuren in het verleden - zicht geven op Gods heilshandelen in heden en toekomst. Hierdoor wordt men ook persoonlijk betrokken bij het verhaal. (Alfons Weisser, 1979)

  • Wanneer ligt de nadruk op het verleden?

Wanneer de evangelist van de lezers verwacht dat zij kennisnemen van de tekst als zakelijke informatie en zich tevreden stellen met het antwoord: Ja, dat heeft Jezus in die tijd gedaan.

Zo heeft men lange tijd de wonderverhalen van de Bijbel opgenomen. Zij golden als teksten die in de eerste plaats historische informatie willen geven over wat eens in het verleden ergens gebeurd is. De lezer reageerde hierop bijna uitsluitend met toestemming of afwijzing. Hoe ontoereikend zo'n manier van begrijpen is, kan een eenvoudige overweging duidelijk maken.

    • Marcus en Matteus leveren verhalen over hetzelfde gebeuren, maar hun verhalen verschillen. Matteus heeft wonderverhalen van Marcus bewust omgewerkt en dit niet uit historische belangstelling. Waarschijnlijk bedoelde hij heel iets anders dan louter historisch zakelijke informatie.
    • Hiervoor pleit nog een tweede feit: de historische gegevens in de wonderverhalen zijn volkomen ontoereikend. Wij horen bijna geen namen van personen en plaatsen, geen tijdsopgaven of nadere bijzonderheden over de juiste toedracht van de gebeurtenis. De visie op wonderen in de oudheid kan ook niet de vragen beantwoorden: waarom heeft Jezus zulke bijzondere dingen gedaan? En: waarom gebeuren die ook niet in deze tijd?
  • Wat als de nadruk ligt op het tegenwoordige en de toekomst?

Maar hoe zou het zijn, als de Bijbelse schrijvers met hun teksten in de eerste plaats helemaal niet over het verleden informatie wilden geven, maar vooral zicht wilden bieden op iets volkomen tegenwoordigs en toekomstigs. Hoe zou het zijn, als zij van de lezer niet alleen kennisneming en instemming verwachtten, maar persoonlijke inzet? Zicht geven op het heden en de toekomst, dat zou kunnen betekenen: inzien dat de tekst spreekt over Jezus, die niet alleen zieken genezen heeft, maar die als verrezen Heer leeft en ook nu nog heil brengt en er voor zal zorgen, dat eens alle leed geheeld wordt. Ik kan dan niet meer neutraal en zakelijk stelling nemen, maar ik moet mijn standpunt bepalen. Dan wordt een 'ja' of 'neen' geeist ten opzichte van een persoon en de verwachtingen die hij in mij wekt met betrekking tot mijzelf en de andere mensen. Er wordt mij gevraagd, hoe ik over mijzelf denk, over mijn toekomst en die van mijn medemensen, en hoe ik dienovereenkomstig hiermee mijn handelen en mijn houding bepaal. Kortom, er zou als reactie een groot engagement in het geloven worden verwacht; 'geengageerd' betekent dan: met inzet voor andere mensen en voor een betere toekomst.

Dat de teksten werkelijk deze tendens hebben, is voor het Nieuwe Testament in het algemeen zichtbaar door het feit, dat de evangelien en hiermee de wonderverhalen geschreven zijn vanuit het geloof in de verrezen Heer. Zij hebben tot doel, het appel van de historische Jezus over te brengen van het verleden naar het heden. Zij verkondigen Christus als degene die heil brengt in verleden, heden en toekomst. Zijn heilbrengende aanwezigheid wordt ervaren, waar mensen zich in geloof openen voor het woord van het evangelie, de gemeenschap met de levende Christus zoeken in de tekenen van zijn aanwezigheid (bv. in de eucharistie en de andere sacramenten) en zichzelf beschermend en zorgend in dienst stellen van menselijke behoeftigheid en nood.

Voor het Oude Testament geldt hetzelfde, maar met dit verschil, dat het heilshandelen van God nog niet zo definitief is als in het leven van Jezus. Israel heeft bv. de verhalen over de uittocht uit Egypte ook niet in de eerste plaats gelezen uit belangstelling voor het verleden. In de tijd van de Babylonische gevangenschap in de 6de eeuw v.Chr. horen de Judeeers in Babylon uit deze teksten Gods heilsbelofte voor hun eigen tijd: de bevrijding uit de nieuwe gevangenschap. Met de kleuren van de eerste exodus schildert men de nieuwe, hoopvol verwachte exodus, waarbij de eerste zelfs nog overtroffen wordt.

Als men in de teksten van het Oude en Nieuwe Testament dit appel ziet dat zo sterk gericht is naar heden en toekomst en de lezers helemaal daarbij betrekt, dan wordt de vraag of alles in het verleden wel precies zo gebeurd is, minder relevant. Dan komt meer de vraag of dit appel voor mij geldt en zo ja, of ik mij 'in dienst' laat nemen. Deze vraag is niet met de middelen en methodes van de geschiedeniswetenschap, dus niet historisch te beantwoorden. Zij kan alleen beantwoord worden, indien ik op het appel inga, er mijn handelen naar richt en zo 'ervaar' dat de boodschap werkdadig kan zijn.

2 C. De wonderverhalen in de Bijbel willen geen natuurwetenschappelijke uitspraken doen, maar getuigenis afleggen dat en hoe God heil brengt.

Het getuigenis van een Bijbels wonderverhaal kan nooit concurreren met wetenschappelijke inzichten. Geen enkel wonderverhaal van de Bijbel dwingt aan te nemen, dat er 'natuurwetten doorbroken' zijn. Doordat de interesse om de Bijbelse wonderteksten te vertellen niet zozeer in de nauwkeurigheid van deze gegevens ligt, vormen zij ook geen voldoende zeker argument voor de veronderstelling, dat iets 'tegen de natuur' is gebeurd. De Bijbel is er ook niet in geinteresseerd om op te lossen, of er eigenlijk wel iets 'tegen de natuur' kan gebeuren, maar zij wil er van getuigen dat God aan de mensen zijn heil schenkt. Het Nieuwe Testament antwoordt bijvoorbeeld niet op de vraag, of en hoe water plotseling in wijn kan veranderen; het zegt ook niet dat Jezus 'tegen de natuur' heeft gehandeld, maar het belijdt, dat Christus 'zijn heerlijkheid openbaarde' (Joh. 2,11). Maar dit is een heel ander soort uitspraak. Het is een getuigenis. Het veronderstelt de paaservaringen al en het geloof, dat in Christus aan de mensen werkelijk heil geschonken is. Johannes drukt deze werkelijkheid uit door het verhaal van de bruiloft te Kana. Het getuigt van de werkelijkheid en heeft een zin die onafhankelijk is van de vraag of hier iets 'tegen de natuur' is gebeurd.

Vraag 3

Wat is nu een wonder in de Bijbel?

3 A. Het gaat dus niet om het breken van natuurwetten.

In het Nieuwe en het Oude Testament heeft het begrip 'wonder' een brede, open betekenis. Het gaat er niet over 'natuurwetten' in de moderne betekenis van het woord en het doorbreken ervan. Het Bijbelse begrip 'wonder' valt niet samen met hoe een wonder in een bepaald soort theologie van de 19de en begin 20ste eeuw soms functioneerde: als een argument om te geloven. <31>

Sinds het opkomen van het denken van de nieuwe tijd, geraakte het wonder echter in het zog van de kritiek van de verlichting. De wereld moest wereldlijk verklaard worden, d.w.z. met respect voor zijn eigen wetten en het verloop van de dingen. Ten aanzien van deze paradigmawisseling probeerde de theologie het wonder te beschermen en definieerde het in de lijn van haar apologetisch verzet scherper. Zij definieerde het als 'gebeuren tegen de natuur'. God doorbreekt dus de natuurwetten. Hij grijpt van tijd tot tijd rechtstreeks in, in de oorzakelijke samenhang van de wereld, om zo zijn macht geloofwaardig te bewijzen.

3 B. Het gaat om het onverwachte dat verbazing wekt.

De Bijbel heeft het over het verbazingwekkende, over de teken-waarde, en niet over het op een bepaald moment doorbreken van natuurwetten. Voor de Bijbel is een wonder wat ongewoon, onverklaarbaar, ongrijpbaar, overweldigend is. Het is het onverwachte, wat doet schrikken, verbazing wekt, het alledaagse doorbreekt. Op die wijze wil God de mensen uit hun onverschilligheid halen en bewerken dat zij naar Hem opkijken.

3 C. Alle dankbare verwondering kan een 'wonder' zijn.

Wonderen kunnen ook te midden van het dagelijkse leven gebeuren: bijvoorbeeld in de ervaring dat God de scheppingsorde onophoudelijk draagt en bewaart (Ps. 136,4-9). Het wonder is alleen een bijzondere uiting van Gods voortdurend handelen aan de wereld. Voor de Bijbelse mens spreekt God voortdurend tot zijn volk: daarom kan elke gelukkige afloop, elke redding en zelfs de heerlijkheid van de schepping, als wonder worden ervaren.

In de wereld om Israel heen, werden sterren, leven- en doodbrengende krachten van de natuur, bronnen, rivieren en bomen als godheden beschouwd. Men vereert hen in een uitgebreide sterren- en vruchtbaarheidscultus, want van deze goddelijke machten hangen voor- en tegenspoed van de mensen af. Israel daarentegen vereert geen natuurgodheden en wanneer dit af en toe toch gebeurde, gold het als zondig. Het machtige werken van God ervaart Israel vooral in de leiding en bestiering van de menselijke geschiedenis. Israels geloof in de machtige daden van JHWH komt tot uiting in de belijdenis dat God zowel voor ieder mensenleven, als voor het hele volk en voor zijn weg door de geschiedenis heen, zorg draagt. Het geloof van Israel, dat de zorg van JHWH zich niet alleen over de enkeling, maar over het hele volk uitstrekt, is heel duidelijk uitgesproken in de wonderverhalen die verbonden zijn met de uittocht uit Egypte, de tocht door de woestijn en de verovering van het nieuwe land: het brandende en toch niet verbrandende braambos (Ex. 3), de tien Egyptische plagen (Ex. 7-12), de doortocht door de Schelfzee (Ex. 14v.), de gave van manna en water (Ex. 16v.), de ineenstorting van de muren van Jericho (Joz. 6) en het 'stilstaan' van de zon gedurende de strijd bij Gibeon (Joz. 10). Deze wonderverhalen staan geheel in dienst van de gelovige kijk op geschiedenis. Door deze verhalen belijdt Israel: dat onze stammen bevrijd en verenigd in een vruchtbaar land wonen, hebben we tenslotte niet aan eigen prestatie of politiek te danken, maar aan Gods leiding en voorzienigheid. Uit deze gelovige verklaring van het verleden groeit bij het volk het vaste vertrouwen, dat God ook nu zijn volk bestuurt en in de toekomst heil zal geven. (Alfons Weiser, 1979)

3 D. Het wonder respecteert de autonomie van natuur en menselijke vrijheid.

Om het wezen van het wonder beter te verstaan, kan wat in de theologie gezegd wordt over het begrip 'genade', ook op de 'wonderen' toegepast worden.

  • Wanneer de mens door God begenadigd wordt, ontmoeten twee vrijheden elkaar - de vrijheid van God en de vrijheid van de mens. God grijpt nooit in zonder de vrijheid en de autonomie van de mens in de wereld te respecteren. Hij vervangt nooit wat een mens te doen staat door zijn eigen handelen. God plaatst zich niet met zijn vrijheid in de plaats van de menselijke vrijheid. De goddelijke genade doet nooit het handelen van de mens teniet, maar maakt het mogelijk en bouwt het op.
  • Tegelijk houdt de genadetheologie in het verlengde van de scheppingstheologie eraan vast dat God niet als 'binnenwereldlijke oorzaak' werkt. Dit betekent dat God niet rechtstreeks in de wereld ingrijpt en de wetmatigheden van de schepping omzeilt. God is wel voortdurend en onophoudelijk werkzaam. Waar God in de geschiedenis zijn werk doet, is dit helemaal en volledig Gods werk - maar tegelijk helemaal en volledig het werk van de mens.
  • Deze inzichten van de genadeleer kunnen wij nu op het wonder toepassen. Want als wij het wonder als deel zien van Gods voortdurend handelen in de wereld, dan kunnen en moeten wij ook gelovig zeggen dat God aan het werk is in wat aan mensen gebeurt, zonder dat God daarbij het doen van mens en natuurwetten uitschakelt. Elk wonder is immers tegelijk tevoorschijn halen wat mens en natuur vermogen. Natuurwetten worden dan niet doorbroken, maar op een hoger niveau getild. Het wonder verheft de natuur, het holt haar niet uit. Wanneer de 'natuurlijke' dimensies van het wonder ernstig genomen worden, wordt Gods handelen juist niet uitgesloten. God handelt steeds doorheen de autonomie van de wereld. Het wonder vernietigt niet de natuurlijke orde, maar brengt haar tot vervulling.

Deze kijk op het wonder heeft in elk geval het voordeel dat natuurwetenschappers niet van meet af aan elke mogelijkheid ontnomen wordt het theologische begrip 'wonder' voor mogelijk te houden. Want zij kunnen niet anders dan van natuurwetten spreken die - statistisch gezien tenminste - niet doorbroken worden. Hun wetenschappelijke vooronderstellingen en voorlopige beslissingen verplichten hen met een homogeen veld van fysische oorzakelijkheden rekening te houden. De theologie heeft in geen geval het recht hun dit uit het hoofd te praten.

3 E. Ze vinden alleen plaats als de mens 'gelooft'.

De autonomie van natuur en mens kan ernstig genomen worden. Bij de genezingswonderen van Jezus blijkt dit heel onmiddellijk: zij vinden alleen plaats, als de mens 'gelooft'. Jezus zegt tot de vrouw die aan bloedvloeiingen leed: 'Uw geloof heeft u gered; ga in vrede en wees genezen van uw kwaal'. (Mc. 5,34) Haar geloof heeft de vrouw dus haar gezondheid teruggeven. Het was het geloof in Jezus als de Redder. Maar het was haar geloof; en als zij dit geloof niet had opgebracht, dan zou zij niet van haar ziekte genezen zijn.

Hier stoten wij binnen de context van de wonderverhalen op een heel eigen opvatting over 'geloof'. Nergens anders in de oudheid komt zij voor. In de wonderverhalen uit de oudheid gaat het alleen hierom of de getuigen of diegenen aan wie zich het wonder voltrekt, zich al dan niet laten overtuigen van de feitelijkheid van het wonder. Hier daarentegen moet de zieke zelf geloven, anders zal hij niet genezen.

Zo vergaat het op veel plaatsen in de evangelies. Telkens weer is geloof in God vereist - in God, die nu in Jezus handelt. Hierbij is het om Gods scheppingsmacht te doen, maar het gaat evenzeer om Jezus, die bij het wonder Gods plaats inneemt. Als dit geloof niet aanwezig is, kan het wonder niet gebeuren. In Nazaret, zegt Marcus heel uitdrukkelijk, kon Jezus geen wonderen verrichten, omdat zij daar niet in Hem geloofden (Mc. 6,5-6). Jezus is dus elementair op geloof aangewezen, wil Hij een wonder kunnen verrichten. Zonder geloof gebeurt gewoon niets. Het valt ook op te merken dat Jezus altijd alleen afzonderlijke personen geneest. Hij heeft nooit groepsgenezingen laten plaatsvinden. Hieruit blijkt ook dat de doorbraak van Gods heerschappij geen massaspektakel is. Gods handelen is gebonden aan het geloof van een concrete mens. Gods heerschappij heeft een gelovige nodig, die zich in vrijheid voor haar openstelt. (Gerhard Lohfink, 2014)

Kortom, in de Bijbel zijn wonderen opvallende gebeurtenissen, die door gelovige mensen als teken van Gods heilshandelen worden verstaan.

Bij wonderen is de dimensie van het geloof iets wezenlijks. De vraag of 'natuurwetten doorbroken' worden, stelt de Bijbel evenmin als de omgeving. Zij kan die vraag helemaal niet stellen, omdat zij het moderne begrip 'natuurwet' niet kent. Anderzijds ziet zij alles wat gebeurt als verbandhoudend met Gods werkzaamheid en zorgende nabijheid. Wel zijn er meer en minder duidelijke tekenen van Gods werking. Het Bijbelse wondergeloof is niet aanwezig in de overtuiging dat 'bij God niets onmogelijk' is, maar het belijdt dat God het heil van de mensen wil, dat Hij het bewerken kan en tot definitieve voltooiing zal brengen. Daarvan zijn de wonderen een teken. (Alfons Weisser, 1979)

Vraag 4

Wat betekent het dat wonderen een 'teken' zijn?

4 A. Jezus verwijst naar zijn 'wonderwerken' als teken van zijn 'messias' zijn.

Daar wij met de wonderen van Jezus niet rechtstreeks in aanraking kunnen komen, maar alleen door middel van de getuigenissen uit het Nieuwe Testament, kijken we allereerst naar het getuigenis van de teksten zelf. Een tekst waarin Jezus op het wonderlijke karakter van zijn activiteit wijst, is zijn antwoord op de vraag van Johannes: 'Blinden zien en lammen lopen, melaatsen genezen en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd. Gelukkig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt'. (Mt. 11,5-6; Lc. 7,22-23). De tekst spreekt over het Rijk Gods als een werkelijkheid die nu aanbreekt.

Er wordt Jezus niet gevraagd, of Hij de 'messias', de 'Heer', de 'Mensenzoon' of de 'Zoon van God' is. Er wordt dus niet naar de titels en waardigheden gevraagd, die in andere, latere overleveringen van het Nieuwe Testament een rol spelen. Er is alleen sprake van Jezus als 'de Komende' en van zijn optreden dat de leerlingen van Johannes kunnen 'horen en zien'. Ook luidt het antwoord van Jezus niet in de geest van 'Ik ben de messias', of iets dergelijks. Jezus zegt niet eens: 'Ja, Ik ben de Komende', maar Hij verwijst alleen naar zijn werken. Het antwoord van Jezus verwijst naar zijn optreden dat men kan zien en naar de boodschap die men kan horen namelijk genezing van blinden, lammen, melaatsen, doven, opwekking van doden en de verkondiging van de heilsboodschap. De vraagsteller moet nu zelf een oordeel vormen. Jezus ontslaat hem er niet van, zelf een keuze te doen. Hier worden gezichtspunten duidelijk, die voor het hele wonderbegrip van het Nieuwe Testament van fundamentele betekenis zijn.

4 B. De wonderen van Jezus worden ook gezien als 'tekenen' van Gods heerschappij.

Een teken is er niet voor zichzelf, maar verwijst naar iets anders. In de zo-even behandelde tekst verwijzen de daden van Jezus als teken naar Hem. Johannes moet door die tekenen tot het inzicht komen, of Jezus de 'Komende' is. Maar tegelijk moeten ze er op wijzen, dat de heilstijd waarover Jesaja gesproken heeft en die het Jodendom sedert eeuwen verwachtte, in het optreden van Jezus aanbreekt. Met Hem begint de oude profetie en het vurig verlangen van Israel in vervulling te gaan, in zijn optreden in de geschiedenis breekt Gods heerschappij aan. Door Hem is eens en voor goed Gods heilsbelofte voor de mensen uitgesproken en in Jezus' heilbrengend optreden is de definitieve verwerkelijking van het menselijk heil door God begonnen. Zo'n zienswijze omtrent het wonder en de wonderdoener treft men nergens buiten het Nieuwe Testament aan.

Als teken verwijzen de wonderen echter niet alleen naar het feit, dat met de persoon van Jezus en met zijn optreden Gods heerschappij aanbreekt, maar ze laten ook zien van welke aard die heerschappij is: waar God zijn heerschappij uitoefent, wordt de mens 'heel'. Maar dit betekent niet alleen 'heel' in geestelijke zin bv. als vergeving van schuld. Jezus was niet alleen 'zielzorger'. Juist de genezingen laten zien hoe de hele mens, ook met zijn lichamelijkheid door Christus wordt aangenomen en 'heel' gemaakt. Dit betekent niet dat Jezus een soort wonderdokter of stichter van nieuwe geneesmethodes was.

4 C. Die tekenen zijn nauw verbonden met Jezus' boodschap.

Tot de leerlingen van de Doper zegt Jezus dat zij moeten melden wat zij horen en zien. Dan wijst Hij hen op zijn daden en de verkondiging van zijn heilsboodschap. De wonderen blijken in dienst te staan van de heilsverkondiging en dezelfde bedoeling te hebben als de prediking van Jezus. Zij roepen op tot bekering en geloof, d.w.z. zij roepen op om op God in te gaan, zoals Hij in Jezus de mensen tegemoet treedt. Zij richten juist die mensen op die in de wereld aan de kant staan: de lijdenden, zwakken, zieken, onbruikbaren, en zij laten zien dat er Een is, die heil kan geven en het ook wil. Met het nauwe verband tussen de wonderen en de boodschap van Jezus hebben de evangelien in hun uitbeelding steeds weer rekening gehouden: zij hebben woorden en daden van Jezus op zinvolle wijze op elkaar betrokken.

Zo volgen bv. bij Matteus na de twee hoofdstukken van de bergrede (5-7), twee hoofdstukken over de wonderen (8-9). Bij Marcus worden de uitspraken 'de tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij' (1,15) en 'Hij onderrichtte hen als iemand die gezag bezit' (1,22) onmiddellijk bevestigd, doordat Jezus een duivel uitdrijft (1,23-28) en genezingen doet (1,29-34). Ook uit de opdracht aan de leerlingen: 'Geneest de zieken en zegt tot hen: het Rijk Gods is u nabij' (Lc. 10,9) blijkt het nauwe verband tussen werk en woord. Johannes verbindt de genezing van de lamme (hfdst. 5), de wonderbare spijziging (hfdst. 6), de genezing van de blinde (hfdst. 9) en de opwekking van Lazarus (hfdst. 11) telkens met een rede of een dialoog, waarin hij Jezus de diepere, alleen in geloof te begrijpen zin van die tekenen open laat leggen. Dit voert tot een tweede gezichtspunt: de wonderen als teken, eisen geloof.

4 D. En die tekenen vragen geloof.

De wonderen verwijzen naar iets, bewijzen doen ze niets. Ze hadden in de tijd van Jezus niet de zin van bewijzen, maar ze kunnen en willen ook in onze tijd, die een sterk natuurwetenschappelijk stempel draagt, geen dwingend bewijs zijn. In de geest van Jezus mag ik bv. niet als volgt argumenteren: Jezus doet dingen die volgens de ons bekende wetten en krachten van de natuur niet verklaarbaar zijn, ... dientengevolge is Hij de absolute, definitieve brenger van openbaring en bemiddelaar van heil, ja God in persoon - zo noodzakelijk en duidelijk als twee maal twee vier is. Ondanks hun getuigeniskracht vereisen de machtsdaden van Jezus zelf, evenzeer geloof als zijn woord over de aanbrekende Godsheerschappij, dat aan zijn daden voorafgaat en deze uitlegt.

Dit blijkt uit het tekenkarakter en ook uit de teksten van het evangelie: een teken vervult alleen dan zijn zin, wanneer het verstaan wordt. Maar niet elk teken wordt verstaan. Of men het verstaat en als hulpmiddel aanneemt, hangt ervan af, hoe duidelijk de verwijzing is en met welke vooropgezette mening men het beschouwt. Men kan zich door het teken laten leiden tot de bedoelde zaak of persoon. Men kan zich ook afsluiten, weigeren het teken te volgen. Beide houdingen troffen we aan tegenover Jezus en zijn wonderen. Sommigen zeggen: 'Door middel van de vorst der duivels drijft Hij de duivels uit' (Mc. 3,22); anderen zeggen: 'Heer, naar wie zouden we gaan, uw woorden zijn woorden van eeuwig leven' (Joh. 6,68). Beide groepen mensen waren getuige van de gebeurtenissen, maar de zin ervan ontsloot zich voor hen niet als dwingende noodzaak. Deze zin kon slechts in geloof, door in te gaan op Jezus, gevonden worden.

Beschouwen we de betrekking waarin geloof en wonder tot elkaar staan, dan treft ons in de eerste plaats het volgende feit: in vele gevallen wordt het geloof heel duidelijk als voorwaarde gesteld, opdat een wonder kan geschieden. Zo vertelt bv. Marcus: 'Daar Jezus in zijn eigen stad Nazaret geen geloof vond, kon Hij daar geen enkel wonder doen (Mc. 6,5).' Na vele genezingen zegt Jezus: 'Uw geloof heeft u genezen' (bv. Mc. 10,52; Lc. 17,19). In andere gevallen daarentegen voert het wonder pas tot geloof. Zo bv. in het verhaal van Matteus over Jezus die loopt over het water (Mt.14,33).

Hoe moeten we dit verschil zien? Is het geloof voorwaarde voor het wonder of bewerkt het wonder het geloof? Een zin in het evangelie van Marcus draagt bij tot een oplossing: als Jezus de vader van een epileptische jongen oproept om te geloven, want dan kan zijn zoon geholpen worden, roept de vader: 'Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!' (Mc. 9,24). Hier wordt gezegd, waar het op aankomt: geloof is nooit kant-en-klaar, nooit af. Jezus verwachtte niet dat men in Hem Gods Zoon zag, om hulp te bieden. Hij vorderde alleen dat men zo op Hem inging, dat men zich open stelde om iets groots te kunnen ontvangen - uiteindelijk Gods definitieve heilswerk.

Jezus verwachtte een geloof dat zich door het teken vooruit laat brengen. Zijn tegenstanders hadden die openheid niet. Zij waren innerlijk verstard, ingekapseld in vooropgezette 'kant-en-klaar'-meningen. Voor hen waren de wonderen geen tekenen. Zij wilden bewijzen. Daarom zegt Jezus tot hen: 'In geen geval zal aan dit geslacht een teken gegeven worden' (Mc. 8,12). Natuurlijk kan men aan appel dat ligt in de woorden en wonderdaden van Jezus aanstoot nemen. De oorzaak is gelegen in het teken-karakter van de wonderen, in hun niet strikte bewijsbaarheid en in het feit dat men ze alleen in geloof kan benaderen. Dat er aanstoot wordt genomen, zegt Jezus aan het einde van zijn antwoord aan de Doper: 'Gelukkig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt' (Mt. 11,6).

Vraag 5

Waardoor onderscheiden Jezus' wonderen zich van alle buitenbijbelse wonderen?

5 A. Jezus is niet met magische praktijken te werk gegaan.

Jezus heeft geen amulet of abracadabra gebruikt. Ook zijn bevelen tot de demonen hadden niets met magie van doen. Jezus vaart op gebiedende toon tegen de demonen uit, precies zoals God volgens de Psalmen op gebiedende toon tegen de goddeloze machten uitvaart. Zelfs wanneer Hij zijn vinger in de oren van de dove steekt of bij de blinde speeksel gebruikt, neemt Hij niet zijn toevlucht tot magische praktijken, maar Hij bedient zich van de therapeutische middelen van zijn tijd. Overigens blijkt uit deze gevallen bijzonder duidelijk dat Hij rekening houdt met de hulp van de natuur.

Opvallend aan Jezus' wonderen is ook dat ze zo snel gebeuren. Nooit is er sprake van lange procedures - procedures die voor veel medicijnmannen, sjamanen en genezers zo kenmerkend zijn. We zullen er wel moeten van uitgaan dat de wonderverhalen uit de evangelies vaak een versnelde weergave en ook altijd weer verdichtingen van complexe processen zijn. Nochtans springt het 'meteen' bij de meeste van deze verhalen in het oog. De ooggetuigen spreken ontroerd en diep aangegrepen over Jezus' macht, ja, over zijn gezag.

5 B. Jezus stelt telkens het geloof voorop.

In buitenbijbelse wonderverhalen komen zulke geloofseisen niet voor. De antieke wereld kent zelfs niet eens het begrip geloof, in elk geval niet geloof zoals de Bijbel dit opvat. Het geloof dat Jezus vraagt, is meer dan het zich toevertrouwen van een zieke aan zijn therapeut. Geloof betekent in de Bijbel erop vertrouwen dat Gods beloften tot vervulling komen, dat God vandaag handelt en dat wij er ons mogen op toevertrouwen dat God voor zijn volk handelt. Ook hier situeert zich alweer een groot onderscheid tussen geloof en magie.

5 C. Bij Jezus' wonderen gaat het altijd over de anderen, nooit over Hemzelf.
1. Wanneer Jezus een wonder verricht, dan is dit enkel en alleen een zich toewenden tot de mens in nood. Nooit heeft Jezus zichzelf geholpen.

Interessant om weten is dat men later ook van christelijke zijde in de apocriefe kindsheidevangelies en in romans over de handelingen van de apostelen, zich helemaal niet geremd wist om wonderen te vertellen waarbij Jezus en de apostelen zichzelf hielpen. Dat de canonieke evangelies van iets dergelijks gevrijwaard gebleven zijn, laat zien dat hier iets specifieks over Jezus bewaard gebleven is. In de oudheid en ook in het Jodendom was het blijkbaar evident van een groot wonderdoener te verwachten dat hij ook aan zichzelf een wonder verrichtte. Volgens Marcus bespotten de omstanders Jezus bij zijn terechtstelling: 'Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf redden kan Hij niet; laat die messias, die koning van Israel, nu van het kruis afkomen. Als we dat zien, zullen we geloven! (Mc. 75,37-32) De gedachte dat de messias of de heiland zichzelf moet bewijzen en wel door een specifiek wonder waaruit zijn macht en legitimatie blijkt, was een algemeen verspreide opvatting.

2. Jezus gebruikt geen wonderen om zichzelf te bewijzen.

Ook aan Jezus werd gevraagd zichzelf te bewijzen: 'Om Jezus op de proef te stellen, verlangden de farizeeen van Hem een teken uit de hemel' (Mc. 8,11-15). Maar Jezus slaakte een diepe zucht en zei: 'Waarom verlangt uw soort mensen een teken? Ik verzeker u: aan mensen als u zal zeker geen teken gegeven worden!' Hij liet hen staan waar ze stonden.

Voor Jezus behoort tot het wonder de dimensie van het geloof. Hij verlangt geloof, opdat een wonder uberhaupt zou kunnen gebeuren en Hij stelt voorop dat het gebeurde wonder een verdiept geloof en ommekeer tot gevolg heeft.

Hij moet opgemerkt hebben dat de tekenen die van Hem als pure legitimatie verlangd worden, met het verlangen naar een groter geloof niets van doen hebben. Daarom wees Hij het af ze door God te laten legitimeren; dit is wat in Marcus 8,11 met het 'teken uit de hemel' wordt bedoeld. Hij weigert elk wonder als legitimatiebewijs en als spektakel. Voor Hem zijn dit blijkbaar goddeloze ensceneringen. Jezus heeft dus de heilsdaden die Hij verrichtte niet als geisoleerde legitimatiewonderen aangezien.

5 D. Jezus' wonderen zijn 'tekenen' van de doorbraak van Gods heerschappij en zijn het begin van de nieuwe wereld die God schenkt.
1. God zelf heeft door Jezus gehandeld. Want 'God heeft zich om zijn volk bekommerd.' Wonderen zijn tekenen van de vervulling van de oudtestamentische beloften.

Hiermee citeert Lucas uit de lofzang van Zacharias: 'Geprezen zij de Heer, de God van Israel, Hij heeft zich om zijn volk bekommerd en het verlost. Een reddende kracht heeft Hij voor ons opgewekt uit het huis van David, zijn dienaar, zoals Hij van oudsher heeft beloofd bij monde van zijn heilige profeten (Lc. 1,68-70). God heeft aan Israel, aan zijn volk gehandeld. Deze theologische verklaring van deze gebeurtenis is adembenemend. Zij is allesbehalve vanzelfsprekend. Wat bv. het kleine stadje Naan overkomen is, wat die afzonderlijke weduwe overkomen is, wordt op heel Israel betrokken. Het wonderverhaal opent onze blik voor een lange geschiedenis van beloften en van Gods grote daden aan Israel. Daarom is Jezus' ontferming over de weduwe niet louter menselijk medelijden, maar de weerspiegeling van Gods barmhartigheid jegens zijn volk (Lc. 1,54.72). Vandaar dat de getuigen van het wonder door ontzag gegrepen worden, wat uitmondt in een lofprijzing van God. De machtsdaad aan de jongeman van Naan maakt dus deel uit van een lange geschiedenis - de geschiedenis van Gods machtsdaden aan het volk dat Hem toebehoort. De wonderen gebeuren aan Israel en maken deel uit van een lange reddingsgeschiedenis. Zonder dit verwijzende kader kunnen wij Jezus' wonderen niet begrijpen. Dit 'verwijzen' is de kern van zijn machtsdaden.

2. Zijn wonderen verwijzen naar Gods heerschappij die nu doorbreekt.

Jezus' wonderen vinden hun oorsprong en hun doel niet bij zijn eigen noden, maar in een noodsituatie die overal op Hem afkomt. Zij zijn tekenen van de doorbraak van Gods heerschappij. Ze hebben het karakter van een definitieve heilsbelofte en het begin van haar verwerkelijking. Zij verwijzen naar de herschepping van het Godsvolk dat aan het gebeuren is. Zij staan in dienst van het bijeenbrengen van Israel en in hen licht de komende wereld al op. In elk wonder van Jezus laat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zich al een stuk zien. Zonder deze verwijzing bestaan er geen wonderen in christelijke zin.

Het is dan ook geen toeval dat Jezus' wonderen in de theologische taal van de evangelies niet alleen 'machtsdaden', maar ook 'tekenen' genoemd worden. Het buitengewone, het wonderbare alleen maakt van Jezus' wonderen nog geen wonderen. In het Nieuwe Testament is de verwijzing naar de doorbraak van Gods heerschappij en de eindtijdelijke herschepping van Israel bij elk wonder een gegevenheid. De wonderdoener gelooft in die tekenwaarde en ook diegene aan wie het wonder gebeurt.

Jezus' wonderen worden overduidelijk binnen de context van de nu komende heerschappij van God verricht, die natuurlijk, dit mogen wij niet over het hoofd zien, tegelijk openbaring is van God als Heer van de schepping. Met de komst van Gods heerschappij krijgt de schepping de glans terug die door God bij haar ontstaan in haar gelegd was. Dat alles maakt dat Jezus' genezingswonderen tegen de horizon van de heidense godsdienstgeschiedenis uniek zijn. Jezus' heilsdaden overwinnen elke magie en verlossen en bevrijden.

Vraag 6

Wat is het grote verschil tussen wonderen in het Oude en het Nieuwe Testament?
6 A. In het Nieuwe Testament spelen ze over het geheel genomen een grotere rol.

In verhouding tot de periode van bijna 2000 jaar Israelitische geschiedenis die verhaald wordt en tot het grote aantal boeken nemen de wonderverhalen in het Oude Testament maar een opvallend kleine plaats in. We vinden in het Nieuwe Testament meer teksten over genezingen, dodenopwekkingen, zogenaamde 'natuurwonderen', wijn- en broodwonderen, stillen van de storm, lopen over het water, rijke visvangst, verdorren van een vijgeboom en bovendien de vele bijkomende wonderen: de gebeurtenissen in verband met ontvangenis, geboorte, doop, verheerlijking, dood, verrijzenis en hemelvaart van Jezus. Speciaal valt op dat duiveluitdrijvingen - in tegenstelling tot het Oude Testament - een centrale plaats hebben in het optreden van Jezus.

6 B. De wonderverhalen in het Nieuwe Testament dienen gezien te worden tegen de achtergrond van het Oude Testament.

De schrijvers van het Oude en het Nieuwe Testament hebben hetzelfde wereldbeeld, dezelfde gelovige kijk op de geschiedenis. Soortgelijke en gedeeltelijk zelfs dezelfde wonderen als de evangelien verhalen ook al de oudtestamentische overleveringen. Bovendien zien we hoe nauw de betrekking is tussen opbouw en getuigenis van de nieuwtestamentische wonderverhalen en de teksten van het Oude Testament.

6 C. Gods handelen tot heil van de mensen wordt definitief duidelijk in Jezus' leven en wonderen.

Vanuit de beschouwing van de gelovige christen krijgen de wonderen van het Nieuwe Testament nog een heel bijzondere karaktertrek tegenover het Oude Testament. En dit is wel het diepste onderscheid tussen de wonderen van het Nieuwe Testament en die van de oudheid in de omringende landen: Gods handelen tot heil van de mensen, zoals het in Jezus' leven en wonderen duidelijk wordt, is beslissend. Het leven, de dood en de verrijzenis van Jezus Christus tonen duidelijk: Gods 'Ja' tegenover de mens. Zijn voltooiing is definitief en onherroepelijk. De beslissende overwinning van alle bedreigende machten, waarvoor Jezus' optreden een teken was, is reeds gebeurd. Deze betekenis van de wonderen heeft alleen het Nieuwe Testament.

Vraag 7

Hoe kunnen we vandaag spreken over wonderen?

7 A. Het spreken over wonderen is in de loop der tijden sterk geevolueerd.

In de loop der tijden evolueert het spreken over wonderen sterk. En hier ligt een probleem. Eeuwen lang behoren wonderen tot het leven. Men 'verwondert' zich erover dat de regen uit de hemel valt, 's morgens de zon opgaat, de seizoenen elkaar opvolgen. Ook een genezing ervaart men vlug als een wonder. Omdat men van de natuur bijna niets begrijpt, zoekt men God achter alles wat men niet kan verklaren.

En dat is het kwetsbare van deze oude zienswijze. Want sinds de opkomst van de moderne wetenschap in de 17de eeuw, begrijpt men steeds beter hoe de natuur in elkaar zit. Zijn er dan sindsdien minder wonderen? Vandaag kan men een aantal wonderen uit de Bijbel verklaren. Zijn die dan niet langer een wonder? Dat zijn nieuwe vragen! We proberen de werkelijkheid te begrijpen binnen een totaal nieuwe horizon. De nieuwe natuurwetenschap verandert fundamenteel de manier waarop we de werkelijkheid waarnemen. Tal van gebeurtenissen in de natuur worden begrijpelijk. Velen leven zelfs in de euforie dat de natuurwetenschap ooit de totale werkelijkheid zal verklaren. Maar zo gaat men, verblind door de successen van de nieuwe natuurkunde, onbewust heel de werkelijkheid reduceren tot wat men met natuurkundige methodes kan bestuderen. Wat de natuurkunde niet in kaart brengt, gaat men ervaren als een illusie. Het bestaat gewoon niet.

De fundamenteel nieuwe visie van de moderne wetenschap op de natuur heeft een grote weerslag op ons denken over genezingswonderen, tot op vandaag. En het is er niet gemakkelijker op geworden! Heel wat gelovigen blijven Gods reddende nabijheid zoeken in het natuurwetenschappelijk onverklaarbare. Ze beseffen echter niet dat zij daardoor op hun beurt de werkelijkheid reduceren tot wat de natuurkunde waarneemt en verklaart. Feitelijk delen ze de werkelijkheid op in twee delen: een steeds groter deel dat men natuurkundig kan verklaren, en een steeds kleiner deel dat men natuurkundig (nog?) niet kan verklaren en waarin 'wonderen' kunnen gebeuren. Ze willen dus met de moderne natuurwetenschap vaststellen dat een genezing 'onverklaarbaar' is! Ze poneren zelfs dat je daarvoor niet hoeft te geloven: ook een ongelovige moet wel vaststellen dat een genezing een uitzondering is op de natuurwetten. Ze willen van een genezing een wetenschappelijk bewijs maken van Gods tussenkomst. En ze zijn ervan overtuigd dat ze trouw blijven aan de traditionele opvatting over wonderen. Ze zien niet in hoe, in hun opvatting van het wonder, de klemtoon verschoven is van de context van een bewust beleefde verbondenheid met God naar de context van de fysica. Zo gaan ze voorbij aan het wezen van het wonder.

7 B. Wonderen zijn geschenken als 'teken' van verbondenheid in een relatie.

Het wezen van het wonder is dat mensen een genezing juist 'wonderbaar' noemen omdat men haar beleeft als een geschenk van God. Als mensen de klemtoon blijven leggen op een bewust beleefde verbondenheid met God, dan halen ze een geschenk niet uit zijn context van vriendschap en reduceren het niet tot een objectiveerbaar feit.

Want wat is een geschenk? Als jij mij een boek schenkt, en ik erken jouw gebaar met vreugde als een blijk van je genegenheid, dan is dat boek voor ons beiden geen boek meer tussen andere, zoals daarnet nog in de boekhandel. Voortaan spreekt jouw boek mij telkens weer van onze vriendschap. Dat boek is wezenlijk veranderd: het heeft niet enkel een nieuwe functie, het is gewoon iets anders geworden. Maar als ik dat boek niet dankend ontvang, dan wordt het nooit een geschenk. Het blijft een 'boek tussen andere'; ik kan het uit het oog verliezen, of zelfs verkopen. Het is onze vriendschap die het boek maakt tot geschenk. Maar dat dit boek een geschenk is, kan je niet natuurwetenschappelijk vaststellen. Voor iemand die van onze vriendschap niets afweet, is aan dat boek niets veranderd. Voor een ongelovige arts kan een genezing medisch onverklaarbaar zijn, maar daarom s zij voor hem nog geen wonder van God. Dat de zieke genezen is, kan hij fysisch vaststellen, maar het is een illusie het geschenkkarakter van een genezing fysisch te willen vaststellen. Hij kan hoogstens vaststellen dat voor de zieke zijn verbondenheid met God blijkbaar veel betekent, en zich afvragen hoelang dergelijke bijgelovige illusies bij patienten nog zullen voorkomen.

7 C. Laat ons geen achterhaald godsbeeld hanteren.

Het valt op hoe een aantal hedendaagse atheisten een achterhaald godsbeeld hanteren. Ze hebben enkel weet van een 'god' die rechtstreeks tussenkomt in de geschiedenis en die de natuurwetten doorbreekt. En dit godsbeeld verwerpen ze als een illusie. Aan ouderwetse geloofsverdedigers die beweren dat zij aan de hand van onverklaarbare wonderen kunnen bewijzen dat God bestaat, verklaren zij dat zij natuurwetenschappelijk kunnen bewijzen dat God niet bestaat. En ze hebben gelijk! Want wie of wat zij 'god' noemen, bestaat inderdaad niet. We weten niet alles, zeker niet over God. Maar ik denk niet dat God 'achter onze rug' tussenkomt in de natuur en in de geschiedenis, buiten ons weten om, buiten de context van onze gelovige relatie met Hem. De tsunami van enkele jaren geleden was geen straf van God, en als God die kon tegenhouden, dan had hij het toch wel gedaan, zeker?

Deze moderne atheisten hanteren dus dezelfde achterhaalde visie als geloofsverdedigers die Gods tussenkomst bij de genezing van een zieke wetenschappelijk willen vaststellen: ze reduceren de werkelijkheid tot wat je natuurkundig kan verklaren. Maar hoe zou je natuurkundig kunnen vaststellen - laat staan bewijzen - dat jij mijn vriend bent? Of dat God van ons houdt?

Binnen de horizon van de moderne wetenschap is spreken over God niet gemakkelijker geworden. We zoeken ons leven lang naar een juister beeld van God. En in ons gesprek met mensen die zeggen dat ze niet 'geloven', is het moeilijk om elkaar te begrijpen. Dat maakt je bescheiden. Hoe meer je nadenkt over God en over het geloof, hoe meer terughoudend je wordt. Wat 'geloven' we zelf eigenlijk? Wie stelt zich die vraag niet?

Het lijkt mij belangrijk om dan dicht bij je beleving te blijven. Het leven is zoveel rijker en dieper dan je klaar onder woorden krijgt. En dat ervaar je in je eigen beleving. Je merkt het gewoon aan je gedrag. Je weet bijvoorbeeld precies door welke biologische processen je een kind verwacht, en toch dank je God! Of we weten steeds beter hoe, in de evolutie van het heelal, de mens ontstaat. En toch kan je niet leven met het idee dat je een 'toeval' bent, een 'accident' binnen de evolutie van het heelal. Natuurkunde verklaart veel, maar blijkbaar niet alles: het leven is meer dan fysische processen die je wetenschappelijk kan vaststellen. Dat we 'in goede en kwade dagen' houden van elkaar, ons belangeloos inzetten voor anderen, rusteloos blijven hunkeren naar God, kan je natuurkundig niet verklaren. Maar ook dat is werkelijkheid! Het zijn andere aspecten van de ene werkelijkheid.

7 D. Een genezing is een wonder als we er God voor danken.

Binnen een moderne geloofsvisie noemen we liever een genezing een wonder, niet als we haar medisch niet kunnen verklaren, maar als we er God voor danken. Zoals dat boek, dat jij voor mij in de boekhandel uit het rek haalt, pas een geschenk wordt als ik het blij aanneem. Een wonder krijgt zijn betekenis binnen een bewuste vertrouwensrelatie met God. Het is een relationeel gebeuren. Voor een relatie, moet je met twee zijn: met een boek kan jij mij jouw vriendschap niet 'bewijzen', maar als ik over de brug kom, in jouw geschenk een teken erken van je genegenheid, mij laat raken en mij toevertrouw, dan ontluikt tussen ons iets nieuws.

Beeldt de zieke zich dan in dat God hem reddend en genezend nabij is? Neen. Hij leeft echt met God verbonden. Hij is meer dan zijn ziek lichaam. Naast de medische wetenschap kunnen in zijn genezing nog andere factoren spelen. Zoals de trouwe nabijheid van zijn partner. Of zijn vertrouwen op God. En of de wetenschap die genezing kan uitleggen of niet, verandert niets aan de rol die deze vertrouwensrelatie erin speelt.

Nogmaals: als gelovigen zoeken we ons leven lang naar een juister beeld van God. En een ziekte kan ons geloof zwaar op de proef stellen. Ook een gelovige zieke hoopt in de eerste plaats te genezen, en hij doet er ook alles voor. Maar hij heeft zijn genezing niet nodig om in God te blijven geloven. Een zieke vriendin zei mij: 'Ik vraag God niet dat Hij mij geneest, ik hoop en ik vertrouw erop dat het Hem iets doet en dat ik zie dat ik met Hem verbonden mag leven.'

Geloven is dus een relatie. Een verbond, zegt de Bijbel. Indien de lamme uit Marcus 2 Jezus niet had ontmoet, dan was hij niet genezen. En hij is genezen! Maar Jezus geneest hem niet buiten zijn weten om, zoals een laborant een proefdier behandelt. In het verhaal van Marcus valt het op hoe Jezus, van zodra Hij het woord neemt, de lamme aanspreekt, en wel in zijn gelovige relatie met God. In het begin van het verhaal valt het geloof van zijn vrienden op: zij zijn het, die hem per se tot bij Jezus willen brengen. Hij lijkt aanvankelijk enkel het 'lijdend' voorwerp van hun actie. Brengen zijn vrienden hem wellicht zelfs tegen zijn wil tot bij Jezus? Maar Jezus haalt hem meteen uit die passieve positie: Hij spreekt niet tot de vrienden, maar tot hem. Hij noemt hem vriend: Hij wil met hem een relatie aangaan. En Hij spreekt hem meteen aan in zijn relatie met God: uw zonden worden u vergeven. Tot zieken zegt Jezus keer op keer: 'Je geloof - en dus je vertrouwen op God - heeft je gered' (zie Mc. 2,5; 5,34; 9,23.24; 10,52).

En de omstanders begrijpen haarfijn wat er gebeurt: ze danken niet Jezus (Dank je wel, wonderdokter!), ze loven God! Ook de schriftgeleerden stellen de genezing van de lamme vast, maar het gelovig karakter van het gebeuren dringt niet tot hen door. Zo kan Jezus in zijn vaderstad geen wonderen doen, omdat de mensen niet erkennen hoe, in het dienend optreden van de hun bekende timmerman, de goedheid van God tastbaar nabij komt (Mc. 6,1-6).

Vraag 8

Wat is de diepere betekenis van de wonderverhalen bij Marcus? (Mc. 4,1-34)
De verschillende wonderverhalen bij Marcus

    1. de bezetene in de synagoge (1,25-26)
    2. de schoonmoeder van Petrus (1,30-34)
    3. de melaatse (1,40-45)
    4. de lamme (2,1-12)
    5. de man met de verschrompelde hand (3,1-6)
    6. het stillen van de storm (4,35-41)
    7. de bezetene uit Gerasa (5,1-20)
    8. de vrouw die aan bloedvloeiingen leed (5,25-34)
    9. de opwekking van de dochter van Jairus (5,21-43)
    10. Jezus geeft vijfduizend mensen te eten (6,35-44)
    11. Jezus loopt over het meer (6,45-52)
    12. de dochter van de Syrofenicische vrouw (7,24-30)
    13. de doofstomme (7,31-37)
    14. Jezus geeft vierduizend mensen te eten (8,1-9)
    15. de blinde uit Betsaida (8,22-26)
    16. de bezeten zoon (9,14-29)
    17. de blinde Bartimeus (10,46-52)
    18. de verdorde vijgenboom (11,12-14.20-25)

8 A. Marcus 1,25-26 en 30-51: De bezetene in de synagoge (1,25-26) en de genezing van de schoonmoeder van Petrus (1,30-34)
1. Jezus herstelt en brengt humaniteit.

Het optreden van Jezus, in Gods naam en vanuit Gods Geest, heeft een bevrijdend en genezend karakter. Zijn helpende en helende nabijheid bevrijdt de mensen van pijn en bezetenheid, van kwaad en vervreemding. Door zo, in totale overgave, tussen de mensen te staan, realiseert Jezus de droom en het Koninkrijk van God, die wil dat alle mensen zonder onderscheid gelukkig zijn, en dat zij in vrijheid helemaal zichzelf kunnen worden.

2. Door een bevrijdende en helende omgang met mensen bouwen aan het Koninkrijk.

Indien wij als christenen, zowel individueel als gemeenschappelijk, de naam van Jezus Christus willen dragen, moet ook onze omgang met medemensen, allereerst met zieke en lijdende medemensen, bevrijdend en helend zijn. Door zich zoals Jezus in te zetten voor zieken en noodlijdenden, bouwen zij mee aan de vestiging van Gods Koninkrijk. Het spreekt vanzelf dat deze boodschap in onze dagen ook gestalte moet krijgen op het vlak van de politieke, economische en sociale structuren. Zij mogen maar een doel hebben: de mensen bevrijden van lijden, ellende, ziekte en bezetenheid.

3. Inzet en bezinning.

Het is zonder meer duidelijk dat ook onze inzet gedragen en uitgezuiverd moet worden door gebed en bezinning. Anders zullen we het niet lang uithouden in dienst van de lijdende medemens. Onbaatzuchtige inzet, iets doen voor de ander, alleen maar omdat hij of zij het is, zonder dat er enige geinteresseerde behoefte in het spel is, een voorkeurliefde hebben voor de weerlozen en de allerzwaksten, zijn immers houdingen die niet zomaar gewoon en vanzelfsprekend zijn. Om onszelf te vergeten in dienst van de anderen, hebben we de kracht van God en Godzelf nodig, dus ook het gebed en de bezinning.

8 B. Mc. 2,1-12: De genezing van een lamme
1. Een geslaagde 'collage'.

Dit wonderverhaal is een collage of een samenvoeging van twee afzonderlijke verhalen. De verzen 1-5a en 11-12, die trouwens vlot achter elkaar door kunnen gelezen worden, vormen een klassiek opgebouwd genezingsverhaal. Het beantwoordt helemaal aan het vaste schema van de synoptische wonderverhalen: de voorstelling van de zieke (v. 3), die in contact met de wonderdoener Jezus wordt gebracht (v. 4); deze stelt een daad of (zoals hier) spreekt een woord (verzen 5a en 11), waarna vermeld wordt dat de zieke genezen is (v. 12a). Zoals in de meeste genezingsverhalen wordt ook hier uitdrukkelijk een reactie van de omstanders vermeld. (v. 12b).

De verzen 5b-8 zijn het overblijfsel van een theologische discussie of een twistgesprek tussen Jezus en enkele schriftgeleerden, oorspronkelijk zonder verband met het genezingsverhaal. De discussie handelt over de vraag of Jezus de macht heeft om zonden te vergeven of niet. Het oorspronkelijke slot van dit twistgesprek werd niet opgenomen, maar aangepast aan het genezingsverhaal, waarmee het verbonden werd door de verzen 9-10, die men zou kunnen beschouwen als het 'cement' of het bindmiddel waardoor de twee oorspronkelijk losstaande verhalen door Marcus (of reeds door de traditie voor hem?) aaneen werden gevoegd. Aldus krijgen we een geslaagd nieuw verhaal met een eigen boodschap. Het gaat nu niet zomaar om een anekdote uit het leven van Jezus, namelijk om de genezing van een lamme te Kafarnaum. Neen, het gaat om veel meer. In ons huidige verhaal wordt de genezing van de lamme gezien als een 'teken' van Gods heilshandelen in Jezus. Het doen opstaan van de verlamde is een 'teken' van het doen opstaan door Jezus uit de zonde.

2. Enige verklarende notities.

  • In v. 2 wordt met 'leer' (in de Griekse tekst staat er eigenlijk 'woord') geheel de Blijde Boodschap bedoeld, die Jezus verkondigt.
  • v. 4: 'Ze legden het dak bloot boven de plaats waar Hij zich bevond en maakten er een opening in': Palestijnse huizen hadden platte daken. Het is echter moeilijk aan te nemen dat men er een opening in maakte, terwijl Jezus vlak eronder verderging met zijn verkondiging. In de matteaanse versie van dit verhaal (Mt. 9,1-8) wordt dit onwaarschijnlijke detail trouwens weggelaten, terwijl Lucas deze moeilijkheid oplost door te zeggen dat ze de verlamde midden tussen het volk en voor de voeten van Jezus lieten zakken door een opening die zich reeds in het tegeldak bevond (Lc. 5,19). Marcus wil met dit detail blijkbaar het gelovig vertrouwen uitdrukken van de zieke en van de dragers, die werkelijk alles in het werk stellen om bij Jezus te geraken, van wie ze redding en genezing verwachten.
  • v. 5: Meteen wordt duidelijk hoe we het woord 'geloof' in vers 5 moeten verstaan. Het is niet, zoals het onze dagen meestal wordt begrepen: het aannemen van bepaalde waarheden of een zorgvuldig uitgestippelde leer, maar de inspanningen die mensen zich getroosten om in contact te komen met Jezus, van wie ze verwachten dat Hij heil en uitkomst kan brengen. Jezus beantwoordt dit geloof met groot gezag. Hij zegt, als was Hij God zelf: 'Mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven'.
  • vv. 6-7: De schriftgeleerden mopperen. Hun bezwaar is gegrond. Want inderdaad, en hierin hebben zij het bij het rechte eind, alleen God kan zonden vergeven. Jezus van Nazaret niet dus, tenzij ook Hij van God is en goddelijke volmacht bezit. De auteur laat dit in vers 8 reeds enigszins doorschemeren, door te zeggen dat 'Jezus uit zichzelf aanstonds wist dat zij zo redeneerden', waarmee Hij blijk geeft van een goddelijk weten, dat de harten van de mensen kan doorgronden.
  • v. 9: De redenering wordt meestal verkeerd begrepen. Vanuit onze erg zakelijk ingestelde westerse mentaliteit, denken wij spontaan dat het gemakkelijker is te zeggen (en voor de Bijbelse mens betekent dit tevens: bewerken): 'Uw zonden zijn u vergeven' dan te zeggen (en te bewerken): 'Sta op, neem uw bed en loop'. In dat geval wordt de genezing van de lamme gezien als een 'bewijs' van de zondenvergeving, volgens het gekende principe, dat wie meer of moeilijker dingen kan (een lamme doen opstaan) vanzelfsprekend en a fortiori kan wat minder of gemakkelijker is (zonden vergeven). Zo komt het dat dit verhaal telkens weer wordt aangewend als een apologetisch bewijs van de goddelijke macht van Jezus. Welnu, deze redenering is verkeerd en bovendien onbijbels. We mogen niet vergelijken wat niet te vergelijken is. Een lamme doen gaan, is niet te vergelijken met het vergeven van iemands zonden. Dat een lamme weer kan gaan, is nog geen bewijs dat ook zijn zonden vergeven zijn. Dit laatste is trouwens niet zomaar te zien, omdat het zich op een ander niveau, in het menselijk hart, afspeelt. Van deze apologetische interpretatie moeten we zien af te komen. In het joods en Bijbelse denken is het vergeven van iemands zonden veel groter en moeilijker dan een lamme genezen. Dit laatste is immers gewoon onder mensen al mogelijk en het gebeurde regelmatig in die tijd, a fortiori op onze dagen.
  • We moeten het wonder niet langer zien als een 'bewijs', maar wel als een 'teken' van een genezing op een veel dieper vlak. Dat de lamme weer kan gaan, be-teken-t dat voor wie gelooft, veel meer dan enkel het feit dat deze man zich voortaan weer op eigen kracht kan voortbewegen. Het wijst op het heilshandelen van God in Jezus, die zonden vergeeft en verzoening bewerkt, zozeer dat een lamme weer kan opstaan en in relatie kan treden met medemensen, zozeer dat dit zichtbaar wordt in het dagelijks leven van de mensen.
  • Vers 10, waarin met 'gij' de lezers van het evangelie worden bedoeld, bevat aldus de sleutel tot het verstaan van deze 'collage'. We zouden het als volgt kunnen omschrijven: ik heb dit verhaal zo samengesteld en opgebouwd, ik verkondig u de genezing van de lamme op een nieuwe wijze, opdat ge zult weten, erkennen en geloven dat Jezus de macht heeft om zonden te vergeven, niet enkel theoretisch of alleen met woorden, maar in werkelijkheid, zozeer dat het opvalt en gezien kan worden, zozeer dat de mensen, allereerst de misdeelden, opnieuw en op een nieuwe wijze door het leven kunnen gaan, zozeer dat deze aarde geleidelijk aan een nieuw en verzoend gelaat vertoont.
  • Waar zoiets gezien wordt, waar zonden in die zin vergeven worden, waar Gods barmhartigheid op zulke wijze gestalte krijgt in het dagelijks leven, daar staat iedereen versteld van en zal men spontaan en vol bewondering God verheerlijken.

3. Wat is echte zondevergeving?

Ook in onze dagen wordt er veel gediscussieerd over zondenvergeving en verzoening, nog meer over het sacrament van de verzoening, de biecht. In de Kerk, die beweert de volmacht te hebben om in Jezus' naam zonden te vergeven, worden bij herhaling mooie woorden van verzoening en vergeving gesproken. 'Uw zonden zijn u vergeven' is een uitspraak die wij ook in de biecht kunnen horen. Wat mij treft (zegt Sylvester Lamberigts) in deze discussie en gesprekken over biecht en verzoening is, dat het meestal over strikt juridische kwesties gaat. Dergelijke vragen zullen wel van relatief belang zijn, maar toch meen ik, luisterend naar bovenstaand verhaal, dat een aantal andere vragen belangrijker zijn en eerst aan bod zouden moeten komen. We moeten ons namelijk allereerst afvragen of de vergeving en de verzoening die de Kerk toezegt en beweert te bewerken, ook metterdaad werkelijkheid wordt, zozeer dat men het de mensen en de wereld kan aanzien dat zij verzoend zijn. Is onze kerkgemeenschap echt het midden waarin een verzoening tot stand komt, die zich niet beperkt tot mooie woorden en vieringen, maar die de mensen werkelijk helpt een nieuw leven te beginnen? Leven de mensen in onze kerkgemeenschap echt verzoend met elkaar? Bewerkt het vergevende woord dat in de biecht gesproken wordt en dat wijzelf bij gelegenheid spreken ook reele wonderen van verzoening? Kunnen wij in onze eigen leefwereld 'tekens' aanwijzen van die aard, dat men kan weten en geloven dat de Kerk de macht heeft op aarde zonden te vergeven: lijden dat wordt verzacht en weggenomen, vereenzaming die doorbroken wordt, relaties die worden hersteld, oorlogen en honger die worden uitgebannen, chauffeurs die zich aanbieden om met een gehandicapte een uitstapje te maken, eindelijk amnestie voor de slachtoffers van de repressie, ruzies die worden bijgelegd, het opheffen van ongelijkheden tussen mensen en volkeren, Welzijnszorg, Broederlijk Delen, enz. Zolang de 'lammen' uit onze samenleving niet kunnen gaan, hebben de schriftgeleerden van onze tijd groot gelijk wanneer zij bij zichzelf zeggen: 'Wat zegt die man, wat verkondigt die kerk daar? Zij spreken godslasterlijk!'

8 C. Marcus 3,1-6: De genezing van de man met de verschrompelde hand

Hier wordt niet alleen een handicap van een mens genezen. Hier gebeurt meer: de genezing wordt een demonstratie. Deze demonstratie wordt veroorzaakt door tegenstanders van Jezus die elke stap die Hij zet, nauwkeurig in het oog houden, ja, die erop uit zijn Hem juridisch te kunnen pakken. Precies dit dwingt Jezus ertoe in alle duidelijkheid te reageren. Hij roept de gehandicapte in het midden. De genezing moet een provocatie zijn. Hij moet laten zien dat de Tora volgens Gods wil moet uitgelegd worden. In dit geval: onder alle omstandigheden leven redden, respectievelijk verloren of verminderd leven terugschenken. Zo wordt de genezing een symboolhandeling die iets fundamenteels over Jezus' positie tegenover de Tora uitzegt. Wat eigenlijk opzij en in stilte had moeten gebeuren, namelijk de genezing van een mens, wordt ten aanschouwen van zijn tegenstanders, die verhard zijn, een publiek, provocatief teken dat veel verder reikt dan zomaar een genezing.

8 D. Marcus 4,35-41: Jezus stilt een storm

Het relaas van deze machtsdaad van Jezus werkt met drie handelende figuren: Jezus, de leerlingen en de storm. Maar het verhaal krijgt een onvermoede diepte door zijn verwijzing naar een bekend beeld uit het Oude Testament. In psalm 107 bijvoorbeeld, klaagt de zwaar beproefde psalmist dat JHWH lijkt te slapen terwijl zijn volk vergaat: 'Hij bedaarde de storm dat het stil werd' (ps. 107). 'Zo temt Gij de trots van de zee, mogen hoog gaan haar golven'. (ps. 89). Men ziet wat de verwijzing met de handelende figuren doet: Jezus wordt, nog voor Hij de storm heeft gestild, impliciet begiftigd met goddelijke kracht en de leerling wordt vergeleken met de vrome lijdende jood. De zee wordt ook met nieuwe betekenis bekleed; zij is metafoor voor elke situatie waarin de mens wordt bedreigd.

Het stillen van de wateren en de winden door de kracht van het woord is een daad van God, en wanneer ze gesteld wordt als antwoord op een gebed, wordt ze ook een teken van Gods barmhartigheid en Gods kracht. Dat Jezus dat kan, zegt iets over Hem: ofwel, minimaal, dat zijn gebed door God wordt verhoord, ofwel, maximaal, dat God Hem zijn eigen kracht meedeelt. Het is echter opvallend dat de leerlingen niet in staat blijken om deze vreemde gebeurtenis te interpreteren. Zij stellen zich vragen, maar vinden geen antwoord: 'Wie is dat toch dat zelfs de wind en het water naar Hem luisteren?' (Mc. 4,41).

8 E. Marcus 5,1-20: Jezus drijft een duivel uit (De bezetene van Gerasa)
1. Wat is 'bezeten zijn'?

Het eerste van de drie verhalen die nu volgen, behoort tot de reeks van duiveluitdrijvingen, en daarvan is het een van de meest overtuigende. De man betreedt het toneel komend vanuit het land van de dood, letterlijk vanuit de begraafplaats. Dat maakt hem ritueel onrein en sluit hem dus uit de gemeenschap uit, omdat onreinheid besmettelijk is. Zijn doodsdrift drijft hem onophoudelijk tot zelfverminking (Mc. 5,5). Zij is bandeloos; zijn medemensen kunnen hem niet vastbinden of hem zijn plaats toewijzen in de gemeenschap (Mc. 5,3-5). Hij waart rond als de briesende leeuw uit de psalm op zoek naar slachtoffers. Hij is zelf een gewillig slachtoffer van de duivels die hem, in de opinie van toen, bezetten. Hun naam is legio. Zij, of de man die in hun greep gevangen is, herkennen Jezus onmiddellijk als 'de Zoon van de allerhoogste God' (Mc. 5,7). Wanneer ze Hem als tegenstrever herkennen, erkennen ze Hem tegelijkertijd als hun meerdere. Ze voelen dat ze in de strijd met Jezus het onderspit zullen delven en vragen Hem daarom dat Hij ze zou zenden in de varkens. In deze onreine dieren horen ze thuis en daar stuurt Jezus ze inderdaad heen. Hun doodsdrift is echter zo sterk dat ze zichzelf vernietigen in een collectieve zelfdoding. In dit gebeuren wordt voor de lezer duidelijker dan voordien, wat een onreine geest is en wat de betekenis is van de uitdrijving door Jezus. En die informatie is wel nodig omdat we gelezen hebben dat het uitdrijven van duivels tot zijn opdracht behoort. In hedendaagse termen en denkwijzen omgezet kunnen we dit als volgt lezen: de doodsdrift kan zich meester maken van de mens en hem duwen of zelfs dwingen tot zelfverminking en zelfs tot zelfdoding, maar Jezus is blijkbaar bij machte om deze geest uit te drijven of althans hem zijn beperkte plaats toe te wijzen.

2. Wat is 'bevrijd zijn'?

Nochtans is de mens niet altijd in staat om zijn bevrijding te aanvaarden. Het is tekenend dat de mensen van Gerasa helemaal niet wensen dat Jezus hen zou bevrijden van deze onreine geest die in hun stad al veel onheil heeft aangericht. Zij voelen zich beter thuis bij de vertrouwde demon, dan bij Jezus: 'Toen smeekten ze Hem uit hun gebied weg te gaan' (Mc. 5,17). De bezetene zelf echter heeft begrepen waar het om gaat. Hij heeft zijn verstand teruggekregen en wil met Jezus meegaan. Maar in een voor ons verbazende geste, wijst Jezus hem een andere opdracht: hij moet niet met Jezus meegaan, maar zelfstandig in zijn streek en familie getuigenis afleggen over wat God aan hem gedaan heeft (Mc. 5,19). Jezus heeft de zieke man niet bevrijd om er zelf een slaaf van te maken, maar om hem zijn bewegings-, handelings- en gedachtevrijheid terug te schenken. Die bevrijding is ook niet het laatste doel. Jezus vraagt hem aan de mensen te vertellen 'wat de Heer (hem) gedaan heeft en hoe Hij zich over hem heeft ontfermd' (Mc. 5,19). De bevrijding van de onreine geest is dus op de eerste plaats een bevrijding tot religieus handelen en religieus denken. De erkenning van God is het eerste doel. Dat geldt voor het handelen van Jezus waarin God zich manifesteert, en ook voor het bewustzijn dat God zich over mensen ontfermt.

3. Hoe hier Jezus beter leren kennen?

Voor wie de tekst zo leest, ontsluit zich een wereld van betekenissen met een sterke innerlijke coherentie. We ontdekken geleidelijk aan de figuur van Jezus, zijn opzet en zijn manier van werken. Tegelijkertijd zijn we getuigen van de komst van het Rijk. Dat gebeurt door een heilsdaad van Jezus die Gods grootheid manifesteert en die in de expliciete uiting van dankbaarheid als een liefderijk ingrijpen van God wordt geinterpreteerd: Hij ontfermt zich over zijn volk.

Excursus: Marcus 5,1-20: De bezetene van Gerasa geheeld door Jezus (Jean Bastiaens)

I. De context

Dit genezingsverhaal maakt deel uit van Marcus 4,1-5,43. Na de gelijkenissen over het Koninkrijk van God (Mc. 4,1-33) zijn er vijf confrontaties tussen geloof en ongeloof (Mc. 4,35-6,6a).

In dit laatste stuk treffen we nog twee andere genezingsverhalen aan, die trouwens op typisch marciaanse wijze met elkaar vervlochten zijn: de genezing van een meisje van 12 jaar (op de drempel van haar volwassenheid) en de genezing van een vrouw die al 12 jaar aan bloedverlies lijdt. Jezus is betrokken op mensen die door een zwaar trauma aan de rand van de samenleving en aan de rand van het leven zijn komen te staan:

  • De man in het gebied van de Gerasenen is zichzelf en al zijn eigenwaarde verloren, hij verwondt zichzelf en geeft de mensen geen kans naderbij te komen;
  • Het meisje van 12 jaar zweeft tussen leven en dood en lijkt de overgang naar de volwassenheid niet te kunnen maken;
  • De vrouw die al 12 jaar aan bloedverlies lijdt is een outcast geworden waar de samenleving enkel nog van profiteert ('ze geeft heel haar vermogen uit aan de behandelende artsen').
  • In deze uitzichtloze situaties komt Jezus naderbij. Hij bezit het vermogen dat de samenleving de gekwetsten niet bieden kan: het vermogen namelijk om de persoon en het trauma vrijmoedig onder ogen te zien, het vermogen om taboes te doorbreken (inzake de regels van onreinheid bijvoorbeeld), het vermogen om de eigen kracht over te brengen op de persoon die deze kracht nodig heeft voor zijn/haar genezing.

We geven eerst de tekst van de genezing van de 'bezetene' in het gebied van de Gerasenen.

We onderscheiden zeven scenes.

I.

1 Ze kwamen aan de overkant van het meer, in het gebied van de Gerasenen.

II.

2 Toen Hij uit de boot gestapt was,
kwam Hem meteen vanuit de grafspelonken een man tegemoet
die door een onreine geest bezeten was

3 en in de spelonken woonde.
Zelfs als hij vastgebonden was met een ketting
kon niemand hem in bedwang houden.

4 Hij was al dikwijls aan handen en voeten geketend geweest,
maar dan trok hij de kettingen los en sloeg hij de boeien stuk,
en niemand was sterk genoeg om hem te bedwingen.

5 En altijd, dag en nacht,
liep hij schreeuwend tussen de rotsgraven en door de bergen
en sloeg hij zichzelf met stenen.

III.

6 Toen hij Jezus in de verte zag,
rende hij op Hem af
en viel voor Hem neer,

7 en luid schreeuwend zei hij:
'Wat heb ik met Jou te maken,
Jezus, Zoon van de allerhoogste God?
Ik bezweer je bij God:
doe me geen pijn!'

8 Want Hij had tegen hem gezegd:
'Onreine geest, ga weg uit die man.'

IV.

9 Jezus vroeg hem:
'Wat is je naam?'
En hij antwoordde:
'Legioen is mijn naam,
want we zijn met velen.'

10 Hij smeekte Hem dringend
om hen niet uit deze streek te verjagen.

V.

11 Nu liep er op de berghelling een grote kudde varkens te grazen.

12 De onreine geesten smeekten Hem:
'Stuur ons naar die varkens,
dan kunnen we bij ze intrekken.'

13 Hij stond hun dat toe.
Toen de onreine geesten de man verlaten hadden,
trokken ze in de varkens,
en de kudde van wel tweeduizend stuks
stormde de steile helling af, het meer in,
en verdronk in het water.

VI.

14 De varkenshoeders sloegen op de vlucht
en vertelden in de stad en in de dorpen wat ze hadden meegemaakt,
en de mensen gingen kijken wat er was gebeurd.

15 Ze kwamen bij Jezus
en zagen de bezetene daar zitten,
gekleed en bij zijn volle verstand,
dezelfde man die altijd bezeten was geweest door het legioen,
en ze werden door schrik bevangen.

16 Degenen die alles gezien hadden,
legden uit wat er met de bezetene en met de varkens was gebeurd.

17 Daarop drongen de mensen er bij Jezus op aan
om hun gebied te verlaten.

VII.

18 Toen Hij in de boot stapte,
smeekte de man die bezeten was geweest
om bij Hem te mogen blijven.

19 Dat stond Hij hem niet toe,
maar Hij zei tegen hem:
'Ga naar huis,
naar uw eigen mensen,
en vertel hun wat de Heer allemaal voor u heeft gedaan
en hoe Hij zich over u heeft ontfermd.'

20 De man ging weg
en maakte in Dekapolis bekend wat Jezus voor hem had gedaan,
en iedereen stond verbaasd.

Commentaar

I.
Jezus arriveert met zijn leerlingen (!) aan de overkant van het meer van Galilea, meer bepaald het gebied rondom de stad Gerasa, dat op zijn beurt in de streek van Dekapolis ligt (het Grieks-Romeins 'tienstedenverbond' een coalitie van 'tien steden' die zich zo sterk maken tegenover de omgeving). We zijn dus in 'heidens' gebied (zie ook Mc. 7,31-37, het verhaal van de genezing van een doofstomme dat zich eveneens afspeelt in deze regio). Overigens betekent het Hebreeuwse werkwoord garasj 'uitdrijven' een welkome woordspeling op wat er te gebeuren staat.
II.
Vanaf vers 2 verdwijnen de leerlingen uit beeld, en keren pas terug in vers 16. De camera zoemt in op Jezus, op wat Hij doet en zegt. Zodra Jezus de boot heeft verlaten, komt Hem 'meteen' (euthus: een woord dat Marcus graag gebruikt) iemand tegemoet, als een magneet aangetrokken door Jezus. Het is iemand die in de grafspelonken verblijft: spelonken dus waarin de inwoners van het gebied hun doden te ruste leggen. Het woord heeft geklonken: 'graf', en dus ook 'dood'. De man komt uit 'onrein' gebied, hij is permanent in aanraking met de dood. In deel II horen we tot driemaal toe hetzelfde woord: 'grafspelonken', 'spelonken' en 'rotsgraven' (Grieks: mnmeia). Er wacht ons een confrontatie tussen Jezus en de krachten die werkzaam zijn op het terrein van de dood.

De man die op Jezus afkomt is dan ook 'bezeten' door een 'onreine geest'. Dat de geest 'onrein' is, verbaast niet. De geesten werden geacht graag te vertoeven tussen de graven, op zoek naar een gewillige prooi. De man is 'bezeten', zeggen we in het Nederlands, en bedoeld is: zijn leven en zijn persoon zijn 'bezet' door een kracht die van buitenaf komt. De man is niet vrij en kan niet vrij beschikken over wat hij wel en niet zou willen doen.

De 'bezetenheid' wordt in sterke beelden beschreven in de verzen 3b-5c: de man heeft geen controle over zijn gedrag, hij is destructief in zijn gedragingen, wat zich ten leste vooral tegen de man zelf keert: 'hij sloeg zichzelf met stenen'. Niemand is in staat hem in bedwang te houden, telkens weer slaat hij alle ketens stuk om verder te leven in zijn razernij. Vers 4c klinkt bekend: 'niemand was sterk genoeg' om hem te bedwingen, en de Griekse woordstam verwijst ons naar Marcus 1,7: 'na mij komt iemand die sterker is dan ik' - een uitspraak van Johannes de Doper.

De ernst van de bezetenheid wordt uitgedrukt door Marcus' literaire voorkeur voor dualiteit: geketend 'aan handen en voeten', hij schreeuwt 'dag en nacht' terwijl hij 'tussen de rotsgraven en door de bergen' doolt.

De man is compleet 'eenzaam', en het enige contact met medemensen bestaat hierin dat zij proberen hem 'in de ketenen te slaan', alsof hij dat niet altijd al is! Er is geen enkel zicht op verbetering, de situatie lijkt hopeloos.

III.

Vers 6 herneemt vers 2b: zodra de man Jezus nog maar 'in de verte' ziet, rent hij op Jezus af, alsof hij niet anders kan. Hij valt voor Jezus neer, al is dat niet bedoeld als een houding van verering (proskuneo). Hij schreeuwt het uit: 'Wat heb ik met Jou te maken, Jezus?' Het Grieks kan ook vertaald worden als 'waarom kom Je je mengen in mijn zaken?' De onreine geest weet wie Jezus is, omdat hij als tegenpool door Hem wordt aangetrokken: Hij is Jezus, Jeshua', dat wil zeggen 'God redt' - Hij is 'Zoon van de allerhoogste God'. De geest hoopt, door het noemen van de naam, Jezus te ontmaskeren, Hem in zijn macht te krijgen. En hij voegt er een zweerformule aan toe: 'Ik bezweer je bij God: doe me geen pijn.' Pas in vers 8 vernemen we dat de laatste woorden van de onreine geest een reactie zijn op Jezus' bevel 'om uit de man weg te gaan'. Eventueel ook te vertalen als: 'Kom tevoorschijn uit die man!' Dus: laat je eigenlijke gelaat zien, laat zien wie je bent en wat je met deze mens aanricht. De onreine geest weet dat zijn kennis van Jezus' naam hem niet zal helpen, want hij roept luid: 'Doe me geen pijn!'

Dat laatste is opvallend: want wat de geest veroorzaakt, is dat de bezetene 'zichzelf, dag en nacht, met stenen slaat', en dus zichzelf verwondt. De onreine geest weet: de uitdrijving die nu onvermijdelijk is, zal een pijnlijk proces zijn! De roep klinkt, in deze contradictoire situatie, bijna verscheurend: Doe me geen pijn!'

Nu weten we ook dat Jezus' eerste gezagvol woord niet voldoende was: want op zijn bevel om de bezetene te verlaten, doet de onreine geest een tegenaanval met een beroep op Jezus' naam en zijn kennis van diens identiteit. Er is een volgende stap nodig, waarin omgekeerd Jezus de ware aard van de onreine geest zal openbaren.

IV.
De krachtmeting met de onreine geest gaat naar een hoogtepunt: Jezus vraagt de geest naar zijn 'naam'. De naam, dat weten we al, openbaart wie men is. En wie de naam kent, kan ook de drager van de naam aanroepen of zelfs willen manipuleren.

De geest is echter al uitgeleverd aan Jezus: hij kan niet anders dan zijn eigen naam prijsgeven: 'Legioen is mijn naam, want we zijn met velen.' De geest blijkt een meervoudige identiteit te hebben: alsof er talrijke stemmen door elkaar heen de bezetene gek maken en tot razernij brengen.

'Legioen' is natuurlijk niet zomaar een naam: het is de benaming van een Romeinse legereenheid, van maar liefst 6000 manschappen! Dat geeft aan dit verhaal opeens een nieuwe dimensie: misschien is degene die 'bezet' is, wel het volk Israel, en degene die 'bezet houdt' wel het Romeinse leger. We komen er later nog even op terug.

De onreine geest heeft zijn naam prijsgegeven, en is nu hopeloos verloren. Daarom voorziet hij zelf een uitweg: 'verjaag me niet uit deze streek!' De onreine geest voelt zich immers thuis in de bergen en tussen de rotsgraven, en hoopt daar een nieuw slachtoffer te kunnen vinden.

Let nog even op de wisseling in vers 10: 'Hij smeekte Jezus dringend om hen niet uit deze streek te verjagen' - het laat iets zien van de verwarring waaraan de bezetene ten prooi is, hij laveert tussen een enkelvoudige en meervoudige identiteit.

V.
Het treft dat er juist op die berghelling een kudde varkens gehoed wordt. Deze varkens werden in de heidense cultus gebruikt als offerdieren, misschien juist in de buurt van de necropool. Na de slachting werden de dieren in een cultusmaal gegeten. De onreine geest is zo hopeloos, dat hij niet meer verwacht intrek te kunnen nemen in een mens. Dan maar in de varkens - voor joden nota bene onreine dieren.

Er is nu geen machtswoord van Jezus meer nodig, er staat eenvoudigweg: 'Hij stond hun dat toe'. Hierop verlaten 'de onreine geesten' (meervoud!) de man en trekken binnen in de onafzienbare kudde varkens, wel 2000 stuks (in plaats van een normale grootte van een kudde van 150 tot 300 stuks). Legioen gaat op in een ontelbare menigte van varkens. We weten dat de onreine geesten altijd verwijlen in het domein van de dood, en dus zien we hoe hun destructieve kracht zich nu maximaal ontplooit doordat de volledige kudde van 2000 varkens de steile helling afstormt, recht naar het meer, of liever: recht naar de 'zee'. Want in het Grieks staat er immers thalassa: 'zee'. Het lijkt wel of Legioen de plaats inneemt van het Egyptisch leger dat in de Rode Zee in het water verdrinkt. Hier komt de tweede leeslijn weer even 'boven water': de bezettende politieke macht, Rome, ondergaat hetzelfde lot dat destijds Egypte onderging: de Hebreeen herwonnen wel degelijk hun vrijheid!

VI.
De camera zwenkt nu naar de varkenshoeders: een nieuwe verhaalfiguur. Zij zijn compleet verrast door wat er gebeurt, en in totale verwarring rennen ze naar de stad (en de omliggende dorpen) om gewag te maken van de catastrofe.

Wie kan hun verhaal geloven? De bewoners besluiten onmiddellijk zelf poolshoogte te gaan nemen: ze willen met eigen ogen 'zien' wat er gebeurd is.

Maar wat 'zien' ze als ze bij de plek van het onheil aankomen: Jezus, en ook de bezetene. Die laatste kennen ze blijkbaar, dat is toch de ontembare man die in de necropool woonde? Er staat iets opvallends in vers 15d: 'de man die altijd bezeten was geweest door het legioen': wordt dit gezegd vanuit het perspectief van de verteller of vanuit het perspectief van de streekbewoners? Hadden die bewoners de bezetting door legioen aanvaard, ermee ingestemd? Waren ze handlangers van legioen, die er slechts op uit waren de bezetene 'aan handen en voeten' te ketenen?

Wat 'zien' de bewoners (Grieks: theoroe/em>)? Ze zien Jezus, en naast Hem de bezetene, maar nu niet langer als bezetene, maar 'gekleed en bij zijn volle verstand'. Deze laatste typering is veelzeggend: de bezetene was altijd 'naakt' geweest, hij die zichzelf kwetste, was in zijn verschijning uiterst kwetsbaar. Zijn integriteit werd niet langer beschermd.

Nu is de man 'gekleed': hij is weer mens, met de waardigheid een mens eigen. En hij is 'bij zijn volle verstand': hij is opnieuw een, in plaats van 'veel'. Hij kan weer denken, voelen, communiceren in een richting, in plaats van zich te verliezen in een betekenisloos universum. De bewoners worden door 'schrik' bevangen: ze beseffen dat hier iets gebeurd is dat hen overstijgt, maar begrijpen doen ze het niet.

En juist hier komen de leerlingen van Jezus opnieuw op de proppen: zij hebben alles meegemaakt, zij zijn de 'ooggetuigen', en zij zijn in staat om de verwarde bewoners uit te leggen hoe alles gebeurd is. Dit leidt bij hen echter niet tot geloof, nog niet: ze smeken Jezus juist om uit hun gebied weg te gaan.

VII.
We weten niet wat Jezus de bewoners geantwoord heeft. Hij stapt gewoon weer in de boot, klaar om weer naar de overkant te varen. Maar het verhaal kan hier niet eindigen: wat met de genezen man? Wat is zijn 'toekomst'? De man 'smeekt' (zelfde woord als in vers 17a) Jezus om bij Hem te mogen blijven. Het Grieks zegt letterlijk: 'om bij Hem te mogen zijn' - een zegswijze die ook gebruikt wordt als het gaat om de roeping van de eerste vier leerlingen: 'Jezus creeerde er twaalf, die hij ook apostelen noemde, opdat ze met Hem zouden zijn'. Maar Jezus staat dit niet toe: de man heeft een andere 'bestemming': zijn eigen thuis, dat hij zo lang heeft moeten ontberen. 'Ga naar huis, naar uw eigen mensen', horen we Jezus zeggen, en er klinkt diepe liefde in door, want Jezus wil dat na een leven van vervreemding nu een leven van 'thuiskomen' aanbreekt voor de man. Maar hij krijgt wel een opdracht mee: 'vertel hun wat de Heer allemaal voor u gedaan heeft en hoe Hij zich over u ontfermd heeft.' Twee zaken vallen in dit woord van Jezus op: ten eerste spreekt hij over 'de Heer' (ho Kurios), en dit moet wel God zijn. Ten tweede benoemt Jezus wat er aan de man is gebeurd: teken van Gods 'ontferming' (Grieks: hosaileisen se). Maar deze ontferming werd zichtbaar gemaakt door het handelen van Jezus: in zijn persoon maakt Hij Gods ontferming zichtbaar.

De man geeft gehoor aan Jezus, stemt in met wat voor hem de beste weg is. Maar wat doet hij? Niet alleen gaat hij terug naar het gebied rond de stad Gerasa, hij trekt nu heel de Dekapolis door, een veel groter gebied, om overal bekend te maken wat Jezus voor hem gedaan had. In het Grieks staat er het woord kerussein, dat 'proclameren' betekent en een vaststaand woord is geworden voor de christelijke verkondiging: de man verkondigt het evangelie van en over Jezus zoals het zichtbaar is geworden in zijn eigen leven - dit is pas verkondiging!

We mogen ervan uitgaan dat de tekst de herinnering oproept aan het feit dat er in een heel vroeg stadium van de Jezusbeweging een geloofsgemeenschap is geweest in het gebied van Dekapolis, wellicht specifiek in Gerasa. De 'evangelisatie' gaat dan terug op de man die ooit de naam 'Legioen' droeg.

Het verhaal eindigt met verwondering: want wat deze man heeft meegemaakt is een wonderverhaal, en zijn getuigenis beklijft. Jezus, hoewel allereerst gekomen voor de verlorenen van Israel, heeft dit niet gedaan zonder ook de heidenvolken bij zijn zending te betrekken. Ook daarvan is Legioen getuige.

8 F. Marcus 5,21-43: De genezing van twee vrouwen
1. Dit verhaal bestaat uit twee delen, met het tweede ingebed in het eerste.

  • Dat eerste betreft een jong meisje dat stervend lijkt en waarvoor de vader, Jairus genaamd, om hulp smeekt en zich in de typische houding van de gelovige aan de voeten van Jezus gooit (Mc. 5,23). Dat verhaal wordt onderbroken om plaats te maken voor een oudere vrouw die aan bloedverlies lijdt en zich ook aan de voeten van Jezus werpt. Nadat Jezus de oudere vrouw heeft geholpen, keert het verhaal terug naar het dochtertje van Jairus.
  • Het verhaal over de dochter van de leider van de synagoge gaat ook over geloof. Hier staat Jezus tegenover de macht het menselijk lijden dat zichtbaar wordt in de dood van een kind. Ook deze macht zal Jezus breken: Hij zal het kind, dat slaapt, uit de slaap van het leven-ten-dode wekken, Hij zal haar doen opstaan om deel te hebben aan het volle leven. De bestrijding van de macht van het kwaad is ook de bestrijding van de macht van de dood, want in de geloofsvisie van Israel hangen de zonde, het kwaad en de dood samen. Merk op dat we Jezus hier in zijn eigen taal horen spreken, het Aramees: Talita Koem! Meisje, Ik zeg je, sta op!

2. We beschouwen eerst de ingebedde perikoop over de oudere vrouw.

De versie van Marcus doet de vraag rijzen wat de vrouw genezen heeft: de kracht die van Jezus automatisch uitgaat, of haar vertrouwen waarvan Jezus zegt dat het haar redding is.

  • De vrouw benadert Jezus niet met een vraag. Vermoedelijk durft ze niet. Haar lichamelijke toestand is van die aard dat ze ieder die haar aanraakt, onrein maakt. Ze zal zich dus vergenoegen met een lichamelijk contact, hopend dat niemand iets bemerkt. Maar zij heeft buiten de waard gerekend. 'Jezus voelde meteen dat er een kracht van Hem was uitgegaan' (Mc. 5,30). Hij vraagt wie Hem heeft aangeraakt. Het denkmodel dat achter deze voorstelling van de gebeurtenissen schuilgaat, komt vaak bij primitieve volkeren voor. De genezer is er de drager van een kracht die automatisch aanslaat, wanneer hij wordt aangeraakt.
  • De vrouw heeft van Jezus gehoord en gelooft dat Hij haar kan genezen, daar waar de medische wereld verstek heeft moeten laten gaan. Maar het genezingsproces vraagt ook iets van haarzelf: de moed om naar voren te komen, om zich bekend te maken en 'alles' te vertellen. Nu haar bloed - haar levenskracht! - niet langer uit haar wegvloeit, kan Jezus tegen haar zeggen: 'Uw geloof heeft u gered!'. Het is Jezus die haar genezen heeft, maar ze is gered door haar geloof!

3. Het verhaal van Jairus' dochter.

Hier is geen sprake van enig automatisme. Men vraagt Jezus om hulp en Jezus belooft die ook. Net zoals in het geval van Lazarus in het evangelie van Johannes (Joh. 12,1 en vv.) vragen de joden een genezing, geen opwekking uit de doden. Jezus maakt ook hier het onderscheid tussen 'dood en slaap'. Hij zegt dat de kleine gewoon maar slaapt. Zijn woord tot de dode is een bevel tot leven, en daaraan geeft het meisje onmiddellijk gevolg.

8 G. Marcus 6,30-44. Het teken van de broden (CCV Leerhuis 2011)
1. Situering van Marcus 6,30-44 binnen het groter geheel van Marcus 6,1-8,26.
a. Marcus 6,1-13. De onwil van Nazaret versus de medewerking van de leerlingen.

De houding van de inwoners van Nazaret beinvloedt Jezus' optreden zozeer, dat Hij 'daar helemaal geen machtige daden kon verrichten' (Mc. 6,5). Uit die verbazende opmerking blijkt wel degelijk dat het Rijk Gods tot stand komt, niet door het aanbod alleen, maar ook door het antwoord daarop. Het aanbod wordt maar een gave wanneer de begunstigde het aanvaardt.

Aan de andere kant van het spectrum staan de leerlingen. Zonder een beroep te doen op menselijke middelen zoals proviand, worden ze uitgestuurd met de opdracht om te doen wat Jezus heeft gedaan: oproepen tot bekering, demonen uitdrijven, zieken genezen (Mc. 5,12-13).

b. Marcus 6,14- 8,26 Krachtiger wondertekenen en groeiend onbegrip.

6,14-29: Flashback over de dood van Johannes de Doper

6,30-56: Wonderverhalen bij het meer

6,30-44: Het teken van de broden

6,45-56: Naar de overkant van het meer

7,1-23: Nieuwe conflicten; discussie over zuiverheid

7,24-37: Meer wonderverhalen,
grensoverschrijdend buiten de streek van Galilea

8,1-26: Onbegrip bij de leerlingen + genezing van blinde in twee stappen

8,1-21: Het tweede teken van de broden 8,17-21 eindigt in mineur

8,22-26: Genezing van een blinde Een symboolverhaal,
parallel aan 10,46-52

2. De kenmerkende elementen in deze ganse sectie.

  • Er komt een verhaal in flashback over het dramatisch levenseinde van Johannes de Doper (Mc. 6,14-29). Deze flashback staat op de juiste plaats en werpt een licht op Jezus zelf.
  • Jezus betrekt de twaalf apostelen steeds inniger in zijn zending (Mc. 6,6b-13). Maar Hij leert ze ook om tijd te nemen om alleen te zijn en te bidden (Mc. 6,31).
  • De apostelen missen nog het juiste inzicht in wie Jezus is en waaruit zijn opdracht eigenlijk bestaat. Ze zijn 'hardleers' (Mc. 6,52; 8,17).
  • Het thema 'brood' domineert dit gedeelte (Mc. 6,37; 7,2; 7,27; 8,4; 8,14). Jezus spijst de hongerigen, en de schaarste resulteert in overvloed. Ook anderen dan de gelovigen van Israel kunnen deel krijgen aan deze overvloed (Mc. 7,27-29).
  • Brood gaat ook over 'eten' en de daarbij behorende rituelen. In een scherpe confrontatie met enkele farizeeen en schriftgeleerden verklaart Jezus 'alle spijzen rein' (Mc. 7,19).
  • Het Meer van Galilea blijft Jezus' bevoorrechte omgeving. Ook nu, net als in Mc. 4,35-41, bevinden de leerlingen zich 's nachts op het meer, is er veel wind en verkeren de leerlingen in paniek. Jezus openbaart zich op verassende wijze aan hen: 'Ik ben er! Vrees niet!' (Mc. 6,50).
  • Ook deze sectie eindigt in mineur: de leerlingen zijn even hardleers als de buitenstaanders (vergelijk Mc. 8,18 met Mc. 4,10 -12). Het is nog wachten op een doorbraak. Deze doorbraak komt symbolisch al tot stand in de direct daaropvolgende perikoop over de genezing van een blinde in Betsaida: in Betsaida, een stad in Galilea, brengen de mensen een blinde bij Jezus en vragen Hem die aan te raken. 'Hij genas en zag alles nu heel helder' (Mc. 8,25).

3. Marcus 6,30-44: Het teken van de broden

a. Verzen 30-31: Het doen en het spreken zijn de twee zijden van een medaille.

Hier zien we hoe de twaalf leerlingen van Jezus effectief delen in de opdracht van Jezus zoals die klonk in 1,14-15. Het vertrouwen dat ze van Jezus kregen, heeft hun kracht gegeven om dingen te doen (genezingen en soortgelijk troostwerk) en dingen te onderwijzen (inzicht verschaffen in het geheim van het Koninkrijk van God. Het Koninkrijk van God openbaart zich in het genezingswerk en in de blijde aanzegging dat Jezus Gods redding in persoon is. Wanneer we alleen maar 'doen' schieten we tekort, wanneer we alleen maar 'onderwijzen' schieten we eveneens tekort. Het gaat om een balans van de twee; en het vermogen om deze opdracht goed te vervullen kunnen we alleen maar van Jezus zelf ontvangen (Mc. 6,7). We kunnen er dus om bidden. En we kunnen ons laten zenden.

  • Deze alinea eindigt met een opmerking over de noodzaak van een 'eenzame plaats' en een plek om 'uit te rusten'. Het delen in de zending van Jezus betekent niet dat we geen maat moeten houden. Zoals het houden van de sabbat een gebod is, zo is dat ook met het volgen van Jezus in zijn zending. De 'lege plek' is levensnoodzakelijk. En het uitrusten ook.

b. Verzen 32-44: De broodvermenigvuldiging.

In de tweede alinea (vv. 32-44) bevinden we ons weer midden in het tumult. Soms kunnen we de mensen niet van ons afschudden, en moeten we er zijn. Hoewel Jezus andere plannen had, laat Hij zich vermurwen door de mensen die op Hem afkomen: Hij voelt medelijden en Hij beseft dat ze nood hebben aan iemand die hun leven richting geeft. Jezus is die herder, Hij is degene die zijn volk Tora geeft, die hun de weg naar leven en naar een toekomst wijst, die de weg naar het Koninkrijk van God ontsluit. In de woestijn gaf God niet alleen zijn wet: de tien geboden. Hij gaf het volk ook water om te drinken, en het manna om te eten. 'Zo maakte Hij u duidelijk dat een mens niet leeft van brood alleen, maar van alles wat de mond van JHWH voortbrengt' (Deut. 8,3). De goedgunstigheid van God uit zich niet alleen in zijn woorden, maar ook in de manier waarop Hij ons zijn voedsel schenkt.

Dat brood is geen gewoon brood. Er is iets mee aan de hand. Het wordt niet gekocht bij de bakker. Het wordt verkregen in het gebeuren van de zes grote gebaren:

  • Hij nam de vijf broden en de twee vissen
  • Hij keek omhoog naar de hemel
  • Hij sprak het zegengebed uit
  • Hij brak de broden
  • Hij gaf ze aan zijn leerlingen
  • om ze aan de menigte uit te delen.

Het gaat om nemen, kijken, spreken, breken, geven en uitdelen. De eerste vijf gebaren zijn eigen aan Jezus, het laatste gebaar is eigen aan zijn leerlingen. Het feit dat de mensen, op aanwijzen van de leerlingen, in groepen van honderd en groepen van vijftig gaan zitten, roept de ordening van het Godsvolk in de woestijn op (Ex. 18,21). En het feit dat het gras is, doet verstaan dat het lente is en dat het Feest van Bevrijding (Pesach of Pasen) nabij is.

Het resultaat van het ritueel van dit brood is een alomtegenwoordige verzadiging: 'iedereen at en werd verzadigd' (Mc. 6,42). Er is zelfs over: twaalf manden, zoveel als er apostelen zijn en zoveel als er stammen in Israel waren. Voor het volk is het het resultaat dat telt: zij zijn geen getuige van de aard van het dienstwerk van de apostelen, zij kennen de herkomst van het brood niet. Alleen de leerlingen weten ervan. En toch doorgronden ook zij nog steeds niet wat er hier precies gebeurt!

c. Van schaarste naar overvloed.

De menigte roept medelijden op bij Jezus, omdat ze blijkbaar zo'n grote nood hadden aan iemand die hun leven een goede richting wees. Jezus is die richtingwijzer, Hij brengt onderricht en wijsheid die mensen weer houvast en richtingsgevoel geven.

De leerlingen maken Jezus erop attent dat het al laat op de dag aan het worden is en dat er geen eten voorradig is. Jezus vraagt hen wat er voorhanden is: de leerlingen hadden vijf broden en twee vissen bij zich, veel te weinig natuurlijk voor een grote menigte.

Maar hier gebeurt het wonder voor de ogen van de Twaalf: Jezus gaat uit van de schaarste van de leerlingen, van het weinige dat ze hebben, en laat dat weinige een bron worden van overvloed. Hoe vindt die transformatie plaats? Door dankzegging, door het breken en het delen van het brood. Hierdoor veranderen de schaarste en het gebrek in verzadiging, en er is zelfs over: twaalf manden met brood. In het centrum van dit wonder, dat geschiedt door de handen van de leerlingen, staat Jezus die dankzegt, breekt en geeft. Het 'groene gras' (MC. 39) duidt erop dat het lente is, in de periode van Joodse Pasen (Pesach): Jezus brengt in zijn persoon het brood dat uit de hemel neerdaalt, Hij wordt een bron van bevrijding en verlossing voor heel het volk.

In dit verhaal blijkt dat het weinige voldoende is, en zelfs meer dan dat. Het wonder geschiedt via de handen en het zegenende dankgebed van Jezus. De leerlingen mogen het brood uitdelen en verzamelen wat overblijft. Opvallend daarbij is dat zorgvuldig wordt omgegaan met wat er overblijft. Veel mensen hebben het gevoel dat ze weinig te betekenen hebben. Sommigen laten nogal eens, uitdrukkelijk of onuitgesproken, merken: aan mij heb je niet veel, wat heb ik nu in te brengen? Dat gebeurt vooral wanneer mensen zich vergelijken met anderen die in hun ogen nogal veel presteren. Mensen bloeien op wanneer anderen in hun omgeving uitnodigend, wervend en mobiliserend kunnen optreden. Het geheim zit in het moment waarop mensen in staat zijn dat wat zij in zich hebben, te delen met anderen. Dat veronderstelt geloof in de eigen kracht, hoe klein dan ook, en de bereidheid de vreugde te delen met anderen. Stel dat iedereen het kleine beetje geloof dat hij of zij in zich heeft, deelt en inbrengt in de gemeenschap. Wordt het dan niet een overvloed aan geloofskracht? Dan ontstaat er een gemeenschappelijk gevoel: samen kunnen wij iets!

8 H. Marcus 6,45-56: Jezus loopt over het meer.

Na het 'succes' van het verhaal van 'schaarste die overvloed wordt', gebiedt Jezus zijn leerlingen de boot in te gaan en naar de overkant te varen. Hijzelf zondert zich af om te bidden.

De tocht wordt opnieuw een hachelijke onderneming voor de leerlingen (Mc. 4,35-41): het is nacht, er is veel tegenwind, ze komen amper vooruit. Aan het einde van de nacht komt Jezus hun over het meer tegemoet, maar ze herkennen Hem niet en raken in paniek. Jezus roept: 'Blijf kalm! Ik ben er, wees niet bang.' In het Grieks staan de woorden ege eimi en me fobeisthe. Het eerste roept de openbaring van de Godsnaam op aan Mozes: 'Ik zal er zijn'; in de Griekse vertaling van het Oude Testament (de Septuagint) ook weergegeven met ego eimi ho on (Ik ben die is, Ik ben de zijnde - Ex. 3,14). Net als God, JHWH, is Jezus degene die 'er is', die er zal zijn. Het tweede element, 'wees niet bang', versterkt die identificerende dimensie van Jezus met de Vader. Denk bijvoorbeeld aan Deuteronomium 1,29-30, waar de relatie tussen Gods aanwezigheid en het leven zonder angst eveneens parallel staan: 'Er is geen enkele reden om bang voor hen te zijn. JHWH, uw God, die voor u uitgaat, zal immers voor u strijden.' Steeds nadrukkelijker komt zo de eigen identiteit van Jezus op het voorplan te staan. Maar de leerlingen zijn nog niet in staat om het te vatten.

8 I. Marcus 8,1-21: Het tweede teken van de broden.

Jezus is weer in Galilea en opnieuw geeft Hij aan een grote menigte onderricht. En opnieuw is er gebrek aan eten. En ook nu heeft Jezus medelijden met hen. De leerlingen spreken van gebrek aan brood, ze blijken slechts zeven broden bij zich te hebben. Dan herhaalt zich het scenario van zitten, danken, breken, geven en uitdelen. Het zijn opnieuw de leerlingen die moeten uitdelen, de massa heeft geen weet van het geheim van deze ongeziene vermenigvuldiging. Ook de vis ontbreekt niet. Er is opnieuw eten tot verzadiging toe, en het overschot bestaat uit zeven manden met brood.

Jezus vaart naar het gebied van Dalmanuta. En het klinkt ironisch dat er daar farizeeen zijn die van Hem 'een teken uit de hemel' verlangen, terwijl de leerlingen (en de lezers!) net getuige zijn geweest van het teken van de broden. Hun weigert Jezus een teken te geven!

En weer vaart Jezus 'naar de overkant'. Opnieuw is er gebrek aan brood, nu voor de leerlingen zelf. Blijkbaar hebben ze nog niet begrepen dat het tekort aan brood voor wie in de nabijheid van Jezus verkeert geen reden tot zorgen hoeft te zijn, integendeel! Maar ze hebben het nog niet begrepen. Jezus grijpt de situatie aan voor een verder onderricht aan zijn leerlingen. Het is Jezus zelf die voorziet in het brood dat wij nodig hebben om van te leven. Maar het mag niet besmet raken met het verkeerde zuurdesem, noch met het zuurdesem van de farizeeen noch met het zuurdesem van Herodes, want beiden hebben al helemaal niets van Jezus begrepen. De leerlingen zouden onderhand beter moeten weten. Het teken van 'schaarste en overvloed' is immers tot tweemaal toe onder hen door Jezus verricht. Realiseren zij zich niet wat hier gebeurd is, en wat het overschot van twaalf en zeven manden betekende: 'overvloedige verzadiging' juist als er tekort is?

8 J. Marcus 8,22-26: Jezus geneest een blinde in twee keer.
1. Twee blindenverhalen.

De tekst van Marcus 8,22-10,52 wordt omkaderd door twee genezingsverhalen waarbij telkens iemand van zijn blindheid wordt genezen. In Betsaida, een stad in Galilea, brengen de mensen een blinde bij Jezus en vragen Hem die aan te raken. Pas als Jezus de man een tweede keer de handen oplegt, kan die alles heel scherp zien. De genezen blinde wordt vervolgens naar huis gestuurd. Het tweede verhaal speelt zich af in Jericho. Daar komt een blinde bedelaar, Bartimeus genaamd, zelf op Jezus af. Hij doet een beroep op Jezus. Opvallend is dat Jezus hier niets anders doet dan zeggen dat vertrouwen redding is. De blinde bedelaar heeft genoeg geloof in zichzelf om te genezen. Meteen daarop kan Bartimeus weer zien en hij gaat mee met Jezus op zijn weg naar Jeruzalem.

2. Wie zijn blind?

Net voor ze in Betsaida aankwamen, had Jezus over de leerlingen gezegd dat zij wel ogen hebben, maar niet zien (Mc. 8,18). De eerste blinde die Jezus geneest lijkt op de leerlingen en is tegelijk hun tegenhanger. Eerst ziet de blinde niets, maar na twee keer lukt het Jezus hem alles scherp te doen zien. Dat schept de verwachting dat Jezus ook de leerlingen zal genezen van hun blindheid. Onderweg naar Jericho legt Jezus zijn leerlingen tot driemaal toe uit hoe de weg van de Mensenzoon een weg is naar het leven, ondanks de dood. Maar Hij krijgt hun ogen niet geopend. In Jericho is er de blinde Bartimeus die dankzij zijn vertrouwen plots ziet en Jezus volgt op zijn weg. Een groter contrast met de leerlingen is nauwelijks denkbaar.

Bij de laatste halte voor Jeruzalem is Bartimeus de enige die Jezus niet als een blinde volgt.

De twee blindenverhalen omlijsten het centrale stuk over de weg van de Mensenzoon. Hun genezing staat in scherp contrast met het niet-zien van de leerlingen. Toch moet Jezus met die volgelingen verder. In het afsluitende genezingsverhaal vraagt Jezus aan Bartimeus: 'Wat wilt u dat Ik voor u doe?' De blinde bedelaar vraagt om weer te kunnen zien. Ondanks zijn blindheid ziet Bartimeus scherper dan de leerlingen. Hij beseft dat hij blind is en richt zich tot Jezus. Dat vertrouwen is zijn redding.

8 K. Marcus 10,46-52: De genezing van de blinde Bartimeus.
1. Wat staat allemaal in dit verhaal? Hoe kunnen we het navertellen?

  • Jezus, vergezeld van zijn leerlingen en heel wat volk, verlaat de stad Jericho. Aan de kant van de weg zit een blinde bedelaar, de zoon van Timeus, dat is in het Aramees Bar-Timeus. Zodra deze hoort zeggen dat het Jezus van Nazaret is, begint hij uit alle macht te schreeuwen, zonder enig menselijk opzicht, zonder er zich om te bekommeren over 'wat de mensen wel zouden denken'. Hij schreeuwt: 'Zoon van David! Heb medelijden met mij!'
  • 'Zoon van David' wil zeggen 'de rechtmatige Koning van Israel', de messiaanse Koning, op wie alle hoop is gevestigd en naar wie alle verwachtingen uitgaan. Door het gebruik van precies deze titulatuur wordt het verhaal van de intocht in Jeruzalem, dat kort hierna volgt, geanticipeerd en voorbereid. Tijdens de intocht van Jezus in Jeruzalem, zal het volk uit alle macht uitroepen: 'Gezegend het Rijk dat komen gaat, dat van onze vader David! Hosanna in den hoge!' (Mc. 11,10)
  • Eleison me, heb medelijden met mij (denk aan het Kyrie eleyson uit de mis) is een typische bedelaarsroep, want eleimosun betekent aalmoes. Het vervolg van het verhaal zal echter uitwijzen dat de blinde aan Jezus heel wat anders vraagt dan geld. Hij is zich bewust van een nood die veel dieper zit en die niet met wat geld kan worden gelenigd.
  • De omstaanders, die Bartimeus zo hard hoorden roepen, snauwden hem toe dat hij zijn mond moest houden, dat hij zich moest schamen om in tegenwoordigheid van de rabbi zo te keer te gaan. Maar Bartimeus schreeuwde nog des te harder: 'Zoon van David, heb medelijden met mij!' (v. 49).
  • Jezus hoort hem. Hij staat stil en zegt dat ze de blinde bij Hem moeten roepen. Door deze onverwachte reactie van Jezus, worden de omstaanders genoodzaakt van het ene ogenblik op het andere hun houding te herzien. Eerst snauwden ze Bartimeus toe, nu moeten ze plots, omwille van Jezus, met hem sympathiseren. Enigszins onhandig zeggen zij iets in de aard van: 'Bedaar nu maar, wees maar gerust, heb goede moed, sta op, Hij laat je roepen'.
  • De blinde gooide zijn mantel af, sprong op zijn voeten en liep naar Jezus toe. Uitbundiger en geloviger kan het niet. Voor een arme is de mantel het kostbaarste bezit, het is kleding en dekking tegelijk (zie Ex. 22,25-26). Bartimeus geeft zijn eigen zekerheden op en vertrouwt zich volledig toe aan Jezus. Dat is geloven!
  • Wanneer Jezus hem vraagt wat hij wenst zegt hij: Rabboeni maak dat ik kan zien'.
  • Rabboeni betekent niet zoveel anders dan 'rabbi', leraar. Wel klinkt het inniger en wijst het op meer aandrang. De enige andere plaats waar deze uitdrukking voorkomt, is in Johannes 20,16. Daar is het Maria Magdalena die de Verrezene met Rabboeni aanspreekt, met dezelfde innigheid en eerbied als hier Bartimeus.
  • Jezus geeft aan de blinde hetzelfde antwoord als aan de vrouw met de bloedvloeiing: 'Ga, je geloof heeft je gered' (v. 52; vergelijk met Mc. 5,24). Inderdaad, het is precies het geloof van Bartimeus dat de evangelist in dit verhaal heeft willen beklemtonen.
  • De blinde kan zien. Naar het 'ga weg' luistert hij niet of beter misschien, hij luistert er wel naar, maar nu ziet hij klaar en duidelijk dat hij voortaan moet 'meegaan' waar Jezus gaat, dat hij Jezus moet volgen op zijn weg naar Jeruzalem. Dan zal hij helemaal genezen worden, niet alleen in zijn ogen, maar tot in het diepste van zijn hart. Dan krijgt zijn leven zin, zelfs in lijden en dood.

2. Welk nieuw licht valt op dit verhaal als men het teruggeplaatst in de bredere context?

Het verhaal van de blinde Bartimeus besluit het lange stuk van Mc. 8,31-10.52. De oproep tot navolging staat hier duidelijk op de voorgrond. We beperken ons tot enige gegevens uit Mc. 10,17-45, de perikoop die onmiddellijk voorafgaat. De term 'volgen' komt hier drie keer in voor: verzen 21.28 en 32.

  1. In 10,17-22 treedt een jongeman op Jezus toe met de vraag: 'Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?' Jezus verwijst hem naar de tien geboden, maar deze heeft hij van zijn jeugd af altijd voorbeeldig onderhouden. Jezus kijkt hem liefdevol aan en zegt! 'Een ding ontbreekt u nog: ga al wat ge hebt verkopen en geef het aan de armen; kom dan en volg Mij'. Met andere woorden Jezus vraagt van deze man een radicaal nieuwe levensstijl. Hij moet de 'mantel' van zijn rijkdom, die beschutting biedt en zekerheid schept, afgooien om voortaan met en zoals Jezus voor iedereen persoonlijk beschikbaar te zijn. Maar dat risico, om de veiligheid van zijn bezittingen los te laten en zich voortaan arm en kwetsbaar op te stellen, durft hij niet aan. Hij gaat niet met Jezus in zee. De rijkdom houdt hem te stevig in zijn greep. Bedroefd gaat hij naar huis terug.

  2. Even verder zegt Petrus: 'Zie, we hebben alles verlaten en zijn U gevolgd' (Mc. 10,28). Maar uit het vervolg wordt duidelijk dat dit volgen nog erg onzuiver en onvolmaakt is. De leerlingen trekken wel voort op de weg naar Jeruzalem, Jezus achterna, maar zij zijn ontsteld en bang. De zonen van Zebedeus - en zo zijn er velen - volgen Jezus zelfs met uitgesproken bijbedoelingen. Zij staan te dringen om de eerste plaats. Zij willen eerste minister worden zodra Jezus de macht in handen neemt. Maar Jezus zegt: 'Je weet niet wat je vraagt'. Hun wens wordt door Jezus grondig gecorrigeerd. Wie Jezus wil volgen op zijn weg naar Jeruzalem, moet in staat zijn, zoals Jezus zelf, de beker te drinken van lijden en dood. Hij moet, zoals Jezus, bereid zijn de minste van allen te worden in dienstbaarheid tot het uiterste. Jezus zegt het zo: 'Wie onder u groot wil worden, moet dienaar van u zijn en wie onder u de eerste wil zijn, moet aller slaaf wezen, want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen' (10,43-45). Dit woord staat in het hart van het evangelie. Het zou ook in het hart van het christendom moeten staan en in ons eigen hart...

  3. Daarna volgt, in schril contrast met wat voorafgaat, het verhaal van de blinde Bartimeus, die wel echt in Jezus gelooft en die Hem onvoorwaardelijk volgt op zijn weg naar Jeruzalem. De rijke jongeling, Petrus, de zonen van Zebedeus, zij konden 'zien', maar in feite waren zij 'blind'. Zij zagen niet waar het eigenlijk op aankwam. Zij begrepen nog niet dat het volgen van Jezus alles te maken heeft met kruisdraging, zelfverloochening en dienstbaarheid tot het uiterste. Zij hadden toen nog erg triomfalistische opvattingen over de messias en over het Koninkrijk dat Hij kwam stichten. De blinde Bartimeus daarentegen 'ziet' wel. Hij laat zich door Jezus de ogen openen en zonder dralen volgt hij Hem op zijn weg naar Jeruzalem, een weg waarop men het leven wint door het in dienst van de anderen te verliezen.

Volgens Marcus 'kent' men Jezus alleen maar indien men Hem concreet navolgt. Slechts al doende kan men Hem leren kennen.

Dat men het leven wint als men het in dienstbaarheid aan de anderen prijsgeeft, dat zelfs lijden en sterven een gelukkige toekomst niet in de weg staan, kan men moeilijk theoretisch aantonen of bewijzen. Dat kan alleen de ervaring leren en deze ervaring doet men op indien men, zoals Bartimeus, Jezus onvoorwaardelijk volgt en in Hem gelooft. Zo heeft het verhaal ook en zelfs allereerst een symbolische betekenis. Bartimeus staat er als een symbool en een voorbeeld voor iedere christen. Wij zijn zo blind als Bartimeus. Allemaal hebben we het nodig heel hard om medelijden te schreeuwen tot Jezus, die ook op onze weg voorbijkomt. Jezus, zo mogen we geloven, zal ook ons genezen van onze blindheid. Als wij in Jezus geloven, zullen ook onze ogen opengaan op wat echt de moeite waard is om ervoor te leven en te sterven. En zoals Bartimeus zullen ook wij dan 'inzien' dat we, om tot in het diepst van ons hart gelukkig te worden, Jezus moeten volgen op zijn weg van dienstbaarheid tot het uiterste. Deze weg is in feite dikwijls een kruisweg - liefde die lijden moet - maar we mogen er zeker van zijn dat hij toegang verleent tot het eeuwige leven.

3. Centraal staat het geloof van de blinde Bartimeus. Wat zegt ons dat over 'geloven'?

  • Geloven begint met in te zien dat men iets mankeert en 'medelijden' nodig heeft. Wie zelfgenoegzaam is, kan niet geloven. Geloven is bij uitstek uit zichzelf treden, zich kwetsbaar en hulpbehoevend durven opstellen, zich vanuit een bepaalde noodsituatie naar Jezus begeven, overtuigd dat dit kan helpen.
  • Zoals uit het verhaal duidelijk blijkt, is geloven veel meer dan in zijn hart mooie, desnoods vrome gevoelens koesteren. Het is iets doen, kleur durven bekennen, iets ondernemen, schreeuwen desnoods, uit de naamloze massa naar voren durven treden, het menselijk opzicht overwinnen, moeilijkheden trotseren om zich een weg te banen naar Jezus.
  • Geloven vraagt dus een inspanning en wel een herhaalde en volgehouden inspanning om weerstanden in en rondom ons te trotseren en te doorbreken.
  • Geloven betekent ook de beschuttende mantel van zijn eigen zekerheden durven loslaten om zich zomaar, geheel en al en onvoorwaardelijk, helemaal aan Jezus toe te vertrouwen.
  • Geloven is aan Jezus vragen dat Hij zou maken dat ik kan zien, met zijn ogen. Vanuit zijn Boodschap. Met zijn visie op de mensen en op de wereld en op God. Het is bidden dat ik zou inzien en vatten waar het in mijn leven eigenlijk op aankomt, wat belangrijk is en wat bijkomstig, wat goed voor mij is en wat kwaad. Het is vragen om te mogen inzien en begrijpen dat geven belangrijker is dan krijgen, dat rijkdom levensgevaarlijk is, dat de sabbat er is voor de mens en niet andersom, dat vergeving meer uithaalt dan halsstarrig voet bij stuk houden, dat God van mij houdt zoals ik ben en Hij mij de kracht en de genade schenkt om op mijn beurt van elke medemens, vriend en vijand, te houden, enz.
  • Geloven is ten slotte ook Jezus bewust volgen op zijn weg, vanuit de steeds sterker wordende zekerheid dat deze weg van onvoorwaardelijke dienstbaarheid de goede is, die waar God achter staat.

Beknopte bibliografie

  • Bulckens Jef (red.). Ziende blind? Bijbelse wonderverhalen exegetisch en catechetisch toegelicht. Verslagboek van de Vliebergh-Sencie-Leergang 1975.
  • Devisscher Luc, Wondere verhalen over Jezus van Nazaret. In: Ademtocht, november 2017.
  • Drewermann Eugen. Hij legde hun de handen op. De wonderen van Jezus. Zoetermeer. Meinema. 1993.
  • Fuller Reginald. Interpretatie van de Wonderen van Jezus. Antwerpen. Patmos. 1971.
  • Kamphaus Franz. De wonderverhalen in de evangelies. (Van exegese tot verkondiging 3). Boxtel. KBS. 1973.
  • Lamberigts Sylvester. Dit boek gaat over Jezus. De evangelien verstaan-bidden-bespreken-leven. Lannoo. 1987.
  • Lohfink Gerhard. Jezus van Nazaret. Wat wou Hij? Wie was Hij? Carmelitana. 2014.
  • Lohfink Gerhard. Hoe heeft Jezus genezen? In: Lohfink Gerhard. Jezus niet buitenspel zetten. Antwerpen. Halewijn. 2015. pp. 49-71.
  • d'YdewalleStany, De wonderbare genezingen door Jezus. Map Leerhuis met Marcus. Een uitgave van de Bijbeldienst Bisdom Brugge. Leerhuis 2017-2018, pp. 27-29.
  • Weisser Alfons. Een wonder? Wat de Bijbel onder wonderen verstaat. Boxtel. KBS. 1979.

Ons tijdschrift voor Bijbel en Liturgie

Viermaal per jaar verschijnt Vrienden van Bijbelhuis Zevenkerken. Dit tijdschrift gaat dieper in op de relatie tussen Bijbel en liturgie. Daarbuiten komen ook andere bijdragen over de Bijbel aan bod. Leden van de redactie...  lees meer »

Lectionarium

Op zoek naar een zondagslezing of commentaar? Wekelijks kunt u op onze blog terecht voor tekst, audio en commentaar. Hier vindt u het archief, De "lees meer" knop brengt u naar de lezing van de komende week.  lees meer »

Waken met de psalmen - Benoît Standaert OSB

Een psalmodie of nachtwake met psalmen is een ascetische praktijk die vandaag terug aanspreekt. Psalmodiëren is immers opstijgen naar herstel, naar bevrijding, naar redding, naar messiaanse vervulling, naar vrede. Pater Benoît Standaert en Hilde Laureys hebben voor ons de psalmen ingesproken. Ze werken met het hele psalterium over één week gespreid...  lees meer »