Vragen en antwoorden bij de parabels

Parabels

Vraag 1

Waarom zouden we over de parabels spreken?

1 A. Omwille van de kracht van die verhalen.

Parabels horen thuis in een vertelcultuur. Sommigen kijken misschien minachtend neer op al die verhaaltjes uit de Bijbel, maar ze hebben ongelijk, want verhalen zijn krachtig en veel welsprekender dan geleerde theoretische uiteenzettingen.

1 B. Omdat je Jezus zo beter leert kennen.

Het is het belangrijk om Jezus zelf aan het Woord te laten. Dat doen we door stil te staan bij de gelijkenissen en de parabels, want daar hoor je Jezus. Parabels en gelijkenissen behoren tot het meest oorspronkelijke deel van Jezus' optreden. Het was zijn typische, joodse manier van onderrichten. De parabels dienen inderdaad om zijn boodschap te verduidelijken en toegankelijk te maken, ook voor eenvoudige mensen.
Ze geven ook een inkijk in de intieme relatie van Jezus met zijn Vader. Hij heeft het altijd over gratuite en uiteindelijk onherleidbare liefde, die geeft zonder te meten. Jezus blijft ons zonder ophouden uitnodigen om deze liefde tot de maatstaf van ons leven te maken.

1 C. Omwille van de blijvende actualiteit van de parabels.

We opteren voor een contextuele leesmethode, waarbij we allereerst rekening houden met de evangelische context van de gelijkenis (zoals ze oorspronkelijk bedoeld werd), maar daarnaast ook met de context van de hedendaagse lezer (alsof de parabel door Jezus in deze tijd werd uitgesproken en aan onszelf werd gericht). De gelijkenissen zouden ons immers ook vandaag aan het denken moeten zetten. Ze zijn actueler dan we vermoeden als we ze tenminste existentieel lezen en op ons eigen leven durven toepassen.

1 D. Omwille van de vragen in het leerplan.
1. Hoe Jezus leren kennen?

Bij Jezus valt onder andere op (cf. p. 20)
  • dat Hij in alles verrast, vernieuwt, verdiept, bemint, en dat Hij spreekt vanuit zijn verbondenheid met de Vader;
  • dat Hij dikwijls woorden en beelden uit het dagelijks leven gebruikt om beslissende dingen over God te zeggen (cf. de methode van de parabels);
  • dat Hij vertrekt vanuit concrete situaties en personen. Hij neemt mensen zoals ze zijn. Zonder etiketten. Zonder vooroordelen;
  • dat Hij mensen met hun doen en laten in vraag stelt. Hij komt altijd aan met een aanbod dat leven bevordert. Hij geeft zijn eigen mening, standpunt te kennen - maar laat mensen vrij. Hij legt hun iets voor, maar Hij legt hun nooit iets op! Hij stelt mensen voor keuzen, maar daarin laat Hij mensen vrij;
  • dat Hij aanvaardt dat een mens zijn eigen levensweg gaat, de loop van zijn eigen geschiedenis volgt. Maar Hij nodigt hem uit om zijn levensgeschiedenis op een Andere manier te bekijken, op de manier waarop Hij - Jezus - haar bekijkt: een geschiedenis waarin God aanwezig is;
  • dat Hij mensen leert om op een 'andere' manier te kijken: Hij geeft ons 'nieuwe ogen' om te kijken, 'nieuwe oren' om te horen ...;
  • dat Hij met heel wat uitspraken uitdaagt met als bedoeling de draagwijdte en de kracht van de liefde te openbaren. Dat is de profetische dimensie van de parabel. Jezus formuleert deze kracht in woorden, maar Hij geeft ze metterdaad gestalte in zijn daden en door zijn dood op het kruis.

2. Wat is de betekenis van de verhalen en het spreken in parabels? (In de eerste graad)

  • 1b Verhalen p. 69:
    Jezus als verteller van verhalen; Jezus spreekt in parabels
  • 1a Tijd p. 88:
    Het spreken in parabels
  • 1a verhalen p. 88:
    Wat doen verhalen met mensen? Levensbeschouwingen zijn verhalen van gegrepen zijn; De Bijbel, het verhaal van God met (concrete) mensen.

3. Hoe benadert en ontmoet Jezus de mensen? (In de tweede graad)

  • 4ASO Ontmoeten p. 111: Jezus' spreken in parabels

4. Hoe verwoorden wat Jezus ter harte gaat en wat christen zijn betekent? (In de derde graad)

  • 6ASO Leven als christen p. 122:
    Het karakteristieke van het christelijk leven verwoorden vanuit het Marcusevangelie (Wie zeggen jullie dat Ik ben?; Vragen van en aan Jezus; de weg die Jezus gaat; geloof als engagement).
  • 6BSO Kijk op leven, vraag naar zin p. 150:
    Doorheen het evangelie een rijke kern van zingeving aangeven.
    Het Marcusevangelie benaderen in kleinere stukken vanuit de opdracht: welke vragen worden gesteld door en aan Jezus (wenken 14)?
  • 6TSO Liefde en eenzaamheid p. 176:
    De parabels van de verloren zonen (Lc. 15) en de barmhartige Samaritaan (Lc. 10)
  • 7 jaar Groeien in persoonlijk engagement p.189:
    Lezen van Bijbelverhalen als spiegel voor mensen op zoek naar zichzelf.
  • 7 jaar Beginnend levensbeschouwelijk engagement p. 195:
    Bijbelverhalen als neerslag van Godservaringen van mensen.

Vraag 2

Parabels horen thuis in een vertelcultuur. Waarom zijn verhalen zo krachtig?

2A. Het parabelonderricht van Jezus past helemaal bij de verhalende mentaliteit van de oosterse mens, die op vele punten anders is dan de westerse mens.

Voor ons, moderne mensen, bekend met de eisen van de historische wetenschappen is het vaak moeilijk een "vertellende cultuur" te begrijpen. In zo"n cultuur worden de diepste levensgeheimen in verhalen en parabels vertolkt. Wij hebben blijkbaar de 'narratieve' onschuld verloren.
Ook het Nieuwe Testament dat ons verhaalt over Jezus, staat in een "narratieve cultuur", niet in een cultuur als de onze, die de verhalende onschuld heeft vervangen door historische wetenschappen. We kunnen het ene noch het andere verwaarlozen. Voor ons is het verhaal - ook het Jezusverhaal - pas dan goed te beluisteren, als wij tot een tweede naiviteit, een tweede verhalende onschuld komen, dat wil zeggen wanneer wij door de geschiedeniswetenschap en de kritiek heen zijn gegaan, en zo terugkeren tot een 'verhalende onschuld', die dan zelf haar kritische kracht herwint op wetenschap en kritiek. Dan moeten we, bewust van de narratieve cultuur der oudheid, allereerst naar de evangelieteksten gaan met de vraag: wat willen deze evangelien eigenlijk verhalen, als zij bv. de parabels en de wonderdaden van Jezus vertellen? (Edward Schillebeeckx, 1974)

Het parabelonderricht van Jezus past helemaal bij de verhalende mentaliteit van de oosterse mens, die op vele punten toch anders is dan de westerse mens. Deze is onrustig en heeft nergens tijd voor. In deze jachtige levensstijl is hij erg zakelijk geworden. Hij denkt nuchter en koel, liefst in cijfers en formules. In een gesprek wil hij onmiddellijk de hoofdzaak voor zich zien in een korte, bondige en klare formulering of definitie. De oosterse mens daarentegen leeft langzamer, denkt als het ware ook langzamer en heeft tijd genoeg. Met een gekende boutade zou je kunnen zeggen: de westerse mens heeft het uurwerk, de oosterse mens heeft de tijd. Hij heeft tijd voor verhalen, om ze te vertellen en om ernaar te luisteren. Hij heeft meer fantasie, gebruikt een overvloed van woorden en houdt van beeldrijke en symbolische taal. (Sylvester Lamberigts, 2006)


2B. Tussen verhalen van mensen en verhalen van God beweegt zich het geloof. Het eigen verhaal (ervaring) wordt gedeeld met anderen en verbonden met het verhaal van God (openbaring). Zo ontdekt de mens sporen van God in zijn bestaan.

Misschien is de verhalende dimensie van de werkelijkheid ondertussen opnieuw ontdekt. Vertelhuizen en verhaalzolders schieten als paddenstoelen uit de grond. De verhaalstructuur van het leven zelf is teruggevonden. Mensen zijn immers op zichzelf een "verhaal'. Mensen begrijpen zichzelf beter dankzij het vertellen van het eigen levensverhaal, een verhaal dat trouwens constant verandert. In ontmoetingen met anderen doen ze dat verhaal. Het herkenbare is de basis van een gesprek. Iedere keer komt ook wel iets naar boven dat het gewone overstijgt en de werkelijkheid op zijn kop zet. Verhalen over geboorte en dood, vreugde en verdriet brengen een stukje vervreemding binnen in het gesprek, omdat ze binnen het alledaagse toch ook ongewoon zijn. Het zijn momenten waar het alledaagse raakt aan het hemelse en waarbij mensen openstaan voor het onzegbare. God laat zijn geheim vermoeden en een glimp van zijn Koninkrijk wordt zichtbaar.

Verkondiging zal zich bewegen tussen deze verhalen van mensen en de verhalen van God. In een geloofsgesprek wordt dit eigen verhaal (ervaring) gedeeld met anderen en verbonden met het verhaal van God (openbaring). Een onvermoede samenhang licht op, waardoor de mens sporen van God ontdekt in zijn bestaan en uitgedaagd wordt om die ook te volgen.


2C. Uit eerbied voor dit ondoorgrondelijke voelt de mens zich als het ware verplicht om zijn toevlucht te nemen tot een eindeloze variatie aan beelden en vergelijkingen. De realiteit is zo omvattend, rijk en diep, dat zij niet in een beeld gevat kan worden.

Daarbij komt nog dat de oosterse mens diep doordrongen is van de onzegbaarheid der dingen. Hij ervaart de werkelijkheid om zich heen als uiterst complex, als een grote en diepe realiteit die uiteindelijk ondoorgrondelijk is en altijd mysterieus blijft. Uit eerbied voor dit ondoorgrondelijke voelt hij zich als het ware verplicht om zijn toevlucht te nemen tot een eindeloze variatie aan beelden en vergelijkingen. Telkens zal een of ander facet van de werkelijkheid even oplichten in het verhaal, waarna in nieuwe verhalen telkens weer andere facetten en andere nuances van diezelfde mysterieuze werkelijkheid naar voren worden geschoven. Anders zou de toehoorder een verkeerd beeld of een verkeerde indruk kunnen krijgen. Want de realiteit is zo omvattend, rijk en diep, dat zij onmogelijk in een beeld gevat kan worden.

N.B.: Zie ook de bespreking van de "oorsprongsverhalen". Er zijn twee verhalen die elkaar niet tegenspreken, maar andere facetten van het mens-zijn belichten: een "ideaalbeeld" en de "begrensdheid" van diezelfde mens.

Als Jezus beeldspraak gebruikt om over God en zijn Koninkrijk te vertellen, als Hij in parabels en gelijkenissen spreekt, betekent dit dus dat Hij spreekt op een manier die past bij het levensgevoel van de oosterse mens. Over God en zijn Koninkrijk kan men trouwens alleen maar in beelden spreken. God helemaal uitzeggen kan niemand. Geen enkele menselijke definitie en geen enkel systeem kan Hem vatten. God is altijd groter en verder. Alleen beelden kunnen helpen om Hem dichterbij te brengen en iets van zijn wezen en zijn manier van doen te laten oplichten. Gelijkenissen, die vertrekken van wat de mensen kennen, zijn het enige middel om enigszins aanvaardbaar en verstaanbaar over God te spreken. Marcus zegt dan ook dat Jezus 'alleen in gelijkenissen tot de mensen sprak'. (Mc. 4,34). (Sylvester Lamberigts, 2006)


2D. Bijbelverhalen zijn niet zomaar verhaaltjes! Verhalen zijn krachtig. Wat een verhaal kan bewerken, zie je in de inmiddels beroemd geworden parabel die de profeet Natan aan koning David vertelde (2 Sam. 12,1-7).

1 Twee mannen leefden eens in dezelfde stad; de een was rijk, de ander arm. 2 De rijke bezat heel veel schapen en runderen, de arme had niets, behalve een enkel lammetje dat hij gekocht had. Hij had het in leven kunnen houden en het was bij hem opgegroeid tussen zijn kinderen. Het dier at van zijn bord, het dronk uit zijn beker en het sliep op zijn schoot. Het was als een dochter. 4 Op een dag kreeg de rijke man bezoek, maar hij kon er niet toe komen om een schaap of rund uit zijn eigen kudde te nemen en dat klaar te maken voor de reiziger die bij hem was gekomen Hij pakte het lam van de arme en maakte dat klaar voor zijn gast. 5 David was diep verontwaardigd over die man en hij zei tot Natan: `Zowaar JHWH leeft: de man die dat gedaan heeft verdient de dood. 6 En het lam moet hij vierdubbel vergoeden, omdat hij er niet voor is teruggeschrokken zo iets ergs te doen." 7 Toen sprak Natan tot David: 'Die man, dat bent u!' (2 Sam. 12,1-4)

Dit verhaal vertelde de profeet Natan aan koning David, na diens overspel met Batseba en de moord op haar echtgenoot Uria (2 Sam. 11-12). Het is een schoolvoorbeeld van een parabel: een uit het leven gegrepen verhaal, waar David geboeid naar luistert, maar dat bij nader inzien over hemzelf blijkt te gaan. Het is een open verhaal. David rondt het zelf af: "Zowaar de Heer leeft, de man die dat gedaan heeft verdient de dood. En het lam moet hij vierdubbel vergoeden omdat hij er niet voor is teruggeschrokken zoiets ergs te doen."
Natan hoeft nog maar een ding te zeggen: "Die man dat bent u!" - en plots wordt het voor David duidelijk dat de profeet hem geen voorval uit het koninkrijk is komen vertellen maar een verhaal over hem, David zelf; een verhaal om hem tot inzicht en ommekeer te brengen. Naast het gedrag van David heeft Natan een verhaal geplaatst. Dat is ook letterlijk de betekenis van het Griekse woord parabol: naast elkaar-plaatsing of vergelijking.
Natan heeft met zijn verhaal een reactie van David proberen uit te lokken. Het leidt er uiteindelijk toe dat hij zichzelf veroordeelt. De parabel heeft gediend als een soort omweg om David tot het inzicht te brengen dat hij verkeerd heeft gehandeld. Zo gaat het altijd met de parabels. Ze zijn in feite bedoeld voor een toehoorder, die via de omweg van een verhaal tot een bepaald inzicht wordt gebracht, meestal tot een soort bekentenis, tot het toegeven dat hij het bij het verkeerde eind had. Het open einde heeft dus te maken met het feit dat het verhaal niet zomaar een verhaaltje is, maar eigenlijk over het leven van de toehoorder zelf gaat. Na dat open einde moet er geen afronding van het verhaal komen, maar een reactie van die toehoorder. Dat betekent dat we ons, om een parabel goed te begrijpen, altijd moeten afvragen voor welke toehoorder het verhaal eigenlijk is bedoeld en tot welke reactie hij wordt verleid. Een parabel is dus zeker geen verhaal "met een boodschap" of een verhaal "met een zedenles"!

Hier zien we hoe een nochtans louter verzonnen verhaal aan mensen de waarheid kan duidelijk maken. In het Nieuwe Testament staan de eerste drie evangelien vol van dergelijke verhalen en parabels, die mensen de ogen openen en die meestal krachtiger zijn dan geleerde en abstracte uiteenzettingen.

Vraag 3

Hoe werkt een parabel?

3 A. Van een goed vertelde parabel kan je zeggen dat hij...
1. afstand schept.

Wie een parabel begint te vertellen, wekt de indruk dat hij plots over iets anders begint, zodat de toehoorder zich afvraagt wat dit vreemde verhaal hier komt doen. In die zin kun je zeggen dat een parabel afstand schept of vervreemdt. David keek verrast op toen Natan hem plots over twee mannen, een rijke en een arme, begon te vertellen. Simon de farizeeer moet al even vreemd hebben opgekeken toen Jezus ineens begon te vertellen over een geldschieter, die twee schuldenaars had. (Lc. 7,36-50)


2. uitdaagt.

Maar juist omdat de parabel een soort "spelbreker" is en enigszins irriteert, zet hij aan het denken en spitst hij de aandacht. Hij bezit een provocerende of uitdagende kracht. Het is trouwens niet toevallig dat veel parabels in het evangelie beginnen of eindigen met een vraag: 'Wat denkt u van het volgende'? of 'Wie van deze drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?' (Lc.10,36) Het is duidelijk dat deze vragen, over het hoofd van de personen uit de tekst heen, tot de toehoorders en tot de lezers van het evangelie gericht zijn. Zij worden hierdoor aan het denken gezet. Van hen wordt een antwoord verwacht. Parabels zijn 'doordenkertjes'. Zij dwingen de toehoorders erop door te denken, het bevreemdende dichterbij te halen.
Met opzet vertellen de parabels daarom meestal ongewone en paradoxale dingen, waardoor de toehoorders geschokt en geergerd worden. Dat degenen die maar een uur gewerkt hebben, evenveel loon krijgen als degenen die de hele dag hebben gezwoegd, schokt de toehoorders en ergert hen. Maar dit schokeffect is in de parabel juist bedoeld. Het wil de toehoorders dwingen hun eigen alledaagse manier van leven ter discussie te stellen en het eens vanuit een andere hoek te bekijken, namelijk vanuit de nieuwe levensmogelijkheden die door de parabels worden ontsloten. Door ergerlijke, verrassende of paradoxale dingen te vertellen, gaan de parabels regelrecht in tegen onze spontane en gewone manier van handelen. De vader van de verloren zoon vergeeft hem niet enkel, maar hij doet daarbij nog uitzinnige dingen: hij staat zijn zoon op te wachten, rent hem tegemoet, valt hem om de hals en wil dat de terugkeer met een groot feest wordt gevierd. (Lc. 15,11-32) Door de verrassende barmhartigheid van de vader zo sterk in de verf te zetten, ontsluit deze parabel een nieuwe wereld, een nieuwe manier van leven. De parabelverteller doet dit in de hoop dat de toehoorders dit zullen begrijpen en meer nog, dat zij voortaan even barmhartig en vergevingsgezind zullen handelen en leven.


3. oproept. (Sylvester Lamberigts, 2006)

Een parabel wil dus niet enkel een nieuw inzicht bijbrengen, hij bevat ook en vooral een oproep om anders te gaan leven. Hij zet aan tot handelen, wil niet enkel 'leren', maar ook en vooral 'bekeren': de dingen anders bekijken en naar die nieuwr visie handelen. Hij zegt tot ieder van ons: 'Doet u dan voortaan net zo' (Lc.10,57). Een goed vertelde parabel plaatst de luisteraar voor de keuze tussen twee zienswijzen of levensmogelijkheden: de oude houding van iemand die bijvoorbeeld niet wil vergeven, of de nieuwe, breeddenkende houding van onvoorwaardelijke barmhartigheid, die door Jezus wordt voorgehouden. Wie een parabel gehoord heeft, zal moeten kiezen tussen zijn eigen standpunt en het standpunt van Jezus. Hij is na het parabelverhaal niet langer dezelfde als voorheen. Hij staat nu onvermijdelijk voor een beslissing. Hij moet nu reageren, positief of negatief, maar neutraal blijven kan hij niet. Hij moet zich nu ofwel openen voor de nieuwe wereld van God die Jezus in de parabels ter sprake brengt, ofwel er zich hardnekkig voor sluiten. In die zin keert een parabelwoord nooit vergeefs of zonder resultaat terug.

Het wil de toehoorders dwingen hun eigen alledaagse manier van leven ter discussie te stellen en het eens vanuit een andere hoek te bekijken.

3 B. Parabels gaan over verleden, heden en toekomst, met de toekomst als leessleutel.
1. De drie aspecten van het taalgebeuren vindt men in de parabels terug: verrassing, begrip en beslissing.

De drie aspecten van het taalgebeuren vindt men in de parabels terug, stelt Jan Lambrecht.

    1. Er is het moment van de verrassing. Bv.: Iemand vindt de schat of de parel.
    2. Er is het moment van begrip. Plotseling 'begrijpt' de vinder en hij beseft de waarde van schat of parel. Hij overweegt over te gaan tot de actie. De vroegere bezittingen dienen verkocht.
    3. Ten slotte neemt die persoon de uiteindelijke beslissing. Hij doet de stap. Hij waagt het. Hij engageert zijn hele bestaan voor de nieuw gekregen evidentie. Hij koopt de schat of de parel.

2. Met deze drie aspecten van het woordgebeuren worden de drie tijdsdimensies verbonden: verleden, heden en toekomst. Zo hanteert een parabel performatieve taal die actualiseert.

1. De toekomst laat zich zien.

Een geheim wordt openbaar; men staat verbijsterd en verrast; men vermoedt een nieuwe wereld, een authentieke bestaansmogelijkheid; het Rijk Gods kondigt zich aan.

2. Men moet dan breken met zijn verleden.

Er dringt zich een ommekeer op tegenover het verleden, een exodus-situatie: het bekende land wordt verlaten; de bezittingen worden verkocht. Men verliest zijn oude zekerheden.

3. Nu, in het heden, is er een ingrijpende beslissing tot doen.

Men kiest voor de authenticiteit; men stelt zich onder Gods Koningsheerschappij; men wordt aldus een 'nieuwe schepping'.

Zo brengt het woordgebeuren dat de parabel in strikte zin is, iets tot stand. Een parabel is "performatief'': hij beoogt en bewerkt een levensverandering, een gewijzigd bestaan.

Dit heeft dus ook betrekking op de actualisering van de parabels. Het gaat niet alleen om verstandelijk inzicht in wat er in het nieuwtestamentische verleden (Jezus, de traditie, de evangelisten) gebeurd is - om aldus beter van ons geloof verantwoording te kunnen afleggen - maar ook en vooral om de functie van de parabels in ons leven. Wat moeten ze teweegbrengen? Hoe worden ze geactualiseerd, vandaag en morgen? (Jan Lambrecht, 1976)

Carine De Vogelaere stelt dat een parabel intrigeert. Er is bij het begin herkenning, identificatie en instemming. Tot er irritatie optreedt of verzet en angst omdat duidelijk wordt dat er iets gevraagd wordt van de hoorders. Het mechanisme van een parabel zorgt voor actieve betrokkenheid, waardoor de hoorder of lezer voor een keuze komt te staan. Naarmate die meer ingrijpend is, zal de parabel als ongemakkelijker ervaren worden. Anders dan een leerverhaal laat een parabel echter ruimte om zelf conclusies te trekken en heeft hij daardoor een minder verplichtend karakter. Al dan niet ingaan op de uitnodiging tot verandering behoort tot de verantwoordelijkheid van de hoorder.

Maar omdat verhalen gemakkelijker bijblijven dan andere teksten, bestaat het risico dat parabels hun kracht verliezen omdat ze te bekend zijn. We kunnen ons nog moeilijk laten verrassen door iets wat vertrouwd klinkt. En een vroeger gehoorde (bv. moraliserende) uitleg van het beeld of de metafoor houdt het risico in dat we denken dat er slechts een interpretatie mogelijk is. Een metafoor kan immers haar kracht verliezen. In het begin klinkt ze verrassend en soms zelfs ongepast. Na veel en lang gebruik, wordt ze dikwijls als letterlijk gelezen en verdwijnt de spanning tussen gelijkenis en verschil. Voor vele christenen is de metafoor 'God is Vader' in dat stadium. Het lijkt een definitie en is niet langer een beeld dat wil uitdrukken wie God is. De metafoor wordt enkel nog letterlijk begrepen. (Carine Devogelaere, 2014).
Voor ons bestaat de uitdaging er dus in de rijke metaforische traditie van het christendom te herontdekken.

3. Van de tijdsdimensies is de toekomst de leessleutel.

Een parabel schept een eigen wereld waar we mogen binnentreden om er deel van uit te maken. Hij is als een icoon die de kijker binnenvoert in een wereld waarin God aanwezig is. Die wereld bestaat nog niet. Maar we geloven dat hij werkelijkheid kan worden in de toekomst. Die wereld zoals God hem droomt, is al verborgen aanwezig in de tekst. In het evangelie krijgt deze toekomst soms ook de naam 'Rijk Gods' of 'eeuwig leven'. Ze wordt meestal uitgedrukt in beelden en parabels. Woorden schieten immers tekort om wat nog niet bestaat te beschrijven. Maar er gaat een aantrekkingskracht van uit die het hele leven kan kleuren.

Deze benadering vanuit de toekomst steunt op de overtuiging dat de Bijbeltekst ook een alternatieve wereld ontvouwt die nog te realiseren is. We lezen Bijbelteksten meestal als verhalen die verleden tijd zijn of misschien ook als teksten met een boodschap voor vandaag. De fundamenten van die toekomstige wereld liggen wel in de historische gebeurtenissen en hun overlevering, maar 'de wereld van de tekst' (Paul Ricoeur) is meer dan deze elementen uit het verleden. Die wereld is letterlijk toe-komst en komt op onverwachte en onvoorspelbare wijze op ons toe. Hij is het nieuwe perspectief dat we ontvangen door te luisteren naar de Geest die spreekt in het eigen hart en door medemensen en gebeurtenissen.

Enkel wanneer we die toekomst als criterium nemen, kunnen we soms moeilijke passages begrijpen. Zo wordt bijvoorbeeld in de parabel van de onwillige genodigden duidelijk waarom een man die geen bruiloftskleed draagt, wordt uitgesloten. Het verhaal vertelt over een koning die een bruiloft geeft voor zijn zoon en daarbij heel breed uitnodigt. Gods toekomst is inclusief maar met respect voor de menselijke vrijheid. Die toekomst wordt zo de norm om tekstpassages te beoordelen. (Carine Devogelaere, 2014)

Vraag 4

Jezus vertelt parabels... maar is Jezus zelf ook geen parabel?

4 A. Jezus vertelt niet alleen parabels die schockeren.

Het vertellen van een parabel, het gebeuren zelf van een parabel, is een wonderbaarlijk verschijnsel. Meestal zit er een paradox, een opzettelijk schokeffect in. De werkers van het laatste uur krijgen evenveel loon als zij die de hele dag hebben gezwoegd; dit schokt niet alleen ons sociaal gevoel, maar ook dat van de omstaanders die de parabel toen beluisterden. De vijf zogenaamde dwaze bruidsmeisjes uit Matteus 25,1-13 lijken ons het sympathiekst, terwijl de vijf anderen, de "wijzen", die weigeren de anderen te helpen, door de hedendaagse jeugd die het verhaal hoort, onmiddellijk voor 'rotmeiden' worden uitgescholden, maar ook toen reeds. Een parabel speelt immers rond een kern van 'ergernis', minstens van paradox en het ongewone. De parabel zet de dingen vaak op hun kop; zij wil ons conventionele verstaan en bestaan doorbreken. De parabel wil de luisteraar aan het denken zetten door een ingebouwd element van 'bevreemding' en 'vervreemding' in een gewoon alledaags gebeuren. Je wordt geconfronteerd met ongewone toestanden die je dwingen er verder over na te denken. Parabels zijn "doordenkertjes". Het vertrouwde gebeuren wordt tegen een onvertrouwde achtergrond geplaatst en daardoor ontstaat een stimulerende uitdaging.

We worden door haar door elkaar geschud. De bedoeling hiervan is: te dwingen je eigen leven, je doen en laten eens vanuit een andere hoek te bekijken. Parabels ontsluiten andere, nieuwe levensmogelijkheden, vaak in contrast met ons conventionele handelen; zij bieden kansen tot een nieuw werkelijkheidservaren.

Parabels hebben een praktisch-kritische - profetische - kracht die aanzet tot vernieuwing van leven van de samenleving. Ofschoon ontleend aan bekende gebeurtenissen uit het dagelijkse leven, gaan zij - door invoeging van het ergerlijke, paradoxale of verrassende element - dwarsliggen tegen ons spontaan oordelen en gedrag. Parabels verhullen in het concreet menselijke, wereldlijke leven van alle dag een dieper appel. Parabels verwijzen niet naar een Andere wereld, maar naar een nieuwe mogelijkheid in onze wereld: naar een reele mogelijkheid om het leven en de wereld heel anders te gaan zien en te beleven dan wat gebruikelijk is. In de wereld van Jezus' parabels leeft en oordeelt men anders dan in de wereld van de gewone, alledaagse sleur.

Met uitzondering van drie parabels (de rijke vrek; de rijke man en Lazarus; de tollenaar en de farizeeer) zijn alle parabels "wereldlijk". God komt er niet rechtstreeks ter sprake. En toch, iedereen die ernaar luistert, weet dat hij door deze verhalen geconfronteerd wordt met Gods heilshandelen in Jezus: zo handelt God, en dat kan je zien aan het handelen van Jezus zelf. Als je tenminste ziet met een hart dat tot ommekeer bereid is. De parabel blijft daarom 'hangen' zolang de luisteraar niet beslist om voor of tegen de nieuwe levensmogelijkheid te zijn die erin geopend wordt; en uiteindelijk beslist hij/zij voor of tegen Jezus van Nazaret. Zal ook de luisteraar die nieuwe wereld binnentreden? Hij wordt voor de keuze geplaatst tussen twee levensmodellen. Zal hij de nieuwe "logica van genade en erbarmen" die de parabels onthullen, accepteren en die radicale omslag in zijn eigen leven meemaken? Of zal hij deze uitdaging naast zich neerleggen en terugkeren tot het leven van alledag? Jezus en zijn wereld komen tenslotte "ter sprake" in de parabels die een nieuwe wereld openen, een wereld waar alleen genade en liefde wonen en die onze menselijke lijdensgeschiedenis, gevolg van kortzichtig handelen, onder kritiek plaatst en veranderen wil. Het verhaal is bovendien boventijdelijk en blijvend actueel. Hetgeen wordt verhaald heeft steeds een relatie tot mijn heden, hier en nu. Ikzelf moet, hier en op dit ogenblik in het reine komen met de parabel, de vraag beantwoorden of ik die nieuwe levensmogelijkheid als de mijne zal erkennen. (Edward Schillebeeckx, 1974)

4 B. Jezus is zelf een parabel die shokkeert.

Jezus zelf, - zijn persoon, zijn verhalen en zijn daden, - is een parabel. Het 'schok'-effect markeert dan ook zijn leven.
Jezus is een levende Godsparabel: zo ziet God om naar de mens. In het verhaal van Jezus wordt het verhaal van God verteld.

Het evangelist Marcus zag dit scherp. In Marcus 2,1 tot 3,5 zijn vijf schokkende verhalen samengebracht, verspreide daden van Jezus waardoor zijn omstanders gedwongen worden stelling tegenover Hem te nemen: genezing van een lamme (wiens zonde Hij vergeeft) (Mc. 2,1-12); een etentje van Jezus bij tollenaars, mensen die geld en accijnzen voor de Romeinen innen (Mc. 2,13-17); Jezus' verdediging van zijn leerlingen, die niet vasten als Jezus bij hen is (Mc. 2,18-22); Jezus' verantwoording van het gedrag van zijn leerlingen die uitgerekend tijdens de sabbatrust aren plukken (Mc. 2,23-28) en tenslotte, als climax, hoe Jezus zelf op sabbat de verschrompelde hand van een hopeloos man geneest (Mc. 3,1-6). De reactie van de leiders volgt onmiddellijk: "De farizeeen gingen naar buiten en aanstonds smeedden zij met de herodianen plannen om Hem uit de weg te ruimen." (Mc. 3,6; zie ook de context van Mt. 12,14 en Joh. 5,18)

Het verhaal dat Jezus zelf is, wordt door velen niet begrepen. Maar de parabel is zo provocerend dat een neutrale houding er tegenover onmogelijk wordt. Zonder openheid voor de mogelijke boodschap in het verhaal ziet men immers alleen het onbegrijpelijke (Mc. 4,11-12) en van de Wet afwijkende, ergerlijke gedrag van Jezus. (Mc. 6,2-3; zie Mt. 11,6; 15,9) Men moet stelling nemen omdat het verhaal van Jezus niet alleen een nieuwe, andere levensmogelijkheid ontsluit, maar daarin juist onze eigen feitelijke, heilig gekoesterde levenshouding onder vernietigende kritiek plaatst.

N.B.: Zie ook bij het oorspronkelijk einde van het Marcusevangelie. De vlucht van de vrouwen is voor de lezers een uitdaging: hoe zullen ze zich nu zelf positioneren tegenover dat wonderlijke verhaal over Jezus?

Uit zelfbehoud verwierpen sommigen daarom de Jezusparabel, deze was voor hen heterodox, gevaarlijk voor eigen gevestigde gewoonten. De executie van Jezus op het kruis is van dit onbegrip tegenover de levende parabel van God uiteindelijk een innerlijk gevolg.

In het omzien naar de mens en zijn lijdensgeschiedenis, naar tollenaars en zondaars, naar armen, lammen en blinden, naar ontrechten en door "boze geesten" van zichzelf vervreemde mensen, is Jezus een levende Godsparabel: zo ziet God om naar de mens. In het verhaal van Jezus wordt het verhaal van God verteld.

Het is God zelf die in het levensverhaal van Jezus voor ons een nieuwe wereld ontsluit, een ander werkelijkheidservaren en een andere levenspraxis: zo luidt het nieuwtestamentisch verhaal over Jezus als antwoord van de eerste christenen op het verhaal van Jezus zelf. Daarom gaan alle levensverhalen van Jezus herleven in het leven of het verhaal van de gelovige gemeenschap. Aldus wordt de Kerk een verhaal- en tafelgemeenschap van mensen die zich voor de kritische kracht van Jezus' levensparabel hebben ontsloten. Zo kunnen ook wij nog vandaag het Jezusverhaal beluisteren. En aan ons wordt nu de vraag gesteld of we ons leven daarop durven riskeren. (Edward Schillebeeckx, 1974)

Vraag 5

Hoe leren wij in zijn parabels Jezus kennen?

5 A. Parabels behoren tot een oorspronkelijke deel van Jezus' optreden.

Het was zijn typische manier van onderricht. We staan hier op vaste historische bodem, vlak bij Jezus. Op vele plaatsen ziet men achter de Griekse tekst de Aramese moedertaal van Jezus nog doorschemeren en ook de gebruikte beelden zijn duidelijk aan het Palestijnse leven ontleend.

5 B. Parabels maken zijn boodschap duidelijk en toegankelijk.

Door op die manier, met heldere en sprekende beelden, over zijn God te vertellen, maakte Jezus de meeste kans om verstaan te worden, want daar was het Hem uiteindelijk om te doen. De parabels dienen inderdaad om zijn boodschap te verduidelijken en toegankelijk te maken, ook voor eenvoudige mensen, dus niet om ze verborgen te houden, zoals sommigen nog altijd menen op grond van Marcus 4,10-12.

5 C. In zijn parabel haalt Jezus zijn beelden vooral uit de relaties tussen mensen.

Het is opvallend dat Jezus zijn beelden vooral haalt uit de relaties tussen mensen, niet uit de natuur. Niet de berg, de zee of het vuur zijn voor Hem beeld van God, maar bijvoorbeeld wel een barmhartige vader die zijn losbandige zoon van harte vergeeft, of een goede vriend bij wie men nooit tevergeefs aanklopt, zelfs niet in het midden van de nacht.

5 D. Hij getuigt daarin van de gratuite en uiteindelijk onverklaarbare liefde van zijn Vader.

Wanneer Jezus over God spreekt, vermijdt Hij ook alles wat te maken heeft met macht, superioriteit, dwang of geweld, maar heeft Hij het altijd over de gratuite en uiteindelijk onverklaarbare liefde die geeft zonder te meten, die blijft uitnodigen zonder ophouden en die van al het zijne ook het onze wil maken.

5 E. Parabels waren ook een bron van onbegrip.

Jezus deed zijn uiterste best om God en zijn Koninkrijk met beelden en gelijkenissen dichterbij te brengen en voor iedereen verstaanbaar te maken. Toch werd Hij dikwijls niet begrepen, niet alleen door ongelovige buitenstaanders, maar vaak ook door zijn eigen leerlingen, die hardleers zijn en meer dan eens bijkomende uitleg nodig hebben. Want het verhaal houdt de toehoorders een spiegel voor waarin ze zich al dan niet kunnen herkennen en rond het verhaal verzamelen zich zo drie groepen: medestanders betuigen hun instemming, tegenstanders zetten zich er tegen af en omstanders halen hun schouders op.

Vraag 6

Welke soorten 'parabels' zijn er?

Er zijn echter verschillende genres of categorieen, namelijk gelijkenis, parabel in strikte zin, voorbeeldverhaal en allegorie. (Luc Devisscher, 2003)

1. De gelijkenis

De termen "parabel" en 'gelijkenis' worden meestal in vage en algemene zin door elkaar gebruikt. "Parabel', van het Griekse woord parabol , betekent letterlijk: het naast elkaar stellen, dus het vergelijken van twee dingen die gelijkenis vertonen.

Een gelijkenis is een vergelijking, waarin twee dingen (beeld en werkelijkheid) naast elkaar worden gesteld en met elkaar worden vergeleken. 'Dan zal het met het Koninkrijk der Hemelen gaan als met tien meisjes, die met hun lampen op weg gingen, de bruidegom tegemoet' (Mat. 25,1). Of, na de gelijkenis van het verloren schaap: 'Zo zal er in de hemel meer blijdschap zijn over een zondaar die zich bekeert, dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben.' (Lc. 15,7). Men kan dus altijd een beeldhelft en een zaakhelft onderscheiden.

N.B.: Dat sluit aan bij wat we ook in het Oude Testament al zien in de zogenaamde spreuken. Ook een spreuk of "mashal" is eigenlijk een vergelijking die twee dingen naast elkaar plaatst.
"De uitspraken van een rechtvaardige zijn als zuiver zilver,
De gedachten van een goddeloze zijn niets waard." (Spr. 10,20)

In de gelijkenis van de vijgenboom (Mc. 13) is vers 28 de beeldhelft: 'Leer van de vijgenboom deze les: zo gauw zijn takken uitlopen en in blad schieten, weet je dat de zomer in aantocht is.' De zaakhelft vinden we in vers 29: 'Zo moeten jullie ook weten, wanneer je die dingen ziet gebeuren, dat het einde nabij is.' In de beeldhelft van de vergelijking gaat het bovendien om een typisch geval of een gewone, regelmatig terugkerende gebeurtenis.

De werkwoorden staan daarom meestal in de tegenwoordige tijd.

De gelijkenis maakt een vrij koude, nuchtere indruk; ze richt zich vooral tot het nadenkende verstand; ze bedoelt onderricht en uitleg te verschaffen. Voorbeelden zijn er bij de vleet: de gelijkenis van het mosterdzaadje, het onkruid tussen de tarwe, de gist, de schat in de akker, de parel, het sleepnet, enzovoort. De toepassing is niet altijd uitdrukkelijk aanwezig, maar wordt soms overgenomen door de inleidende formule: 'Het is met het Koninkrijk van God als met...'. Je leert iets bij door het onderricht.

2. Een parabel in strikte zin

Dit is een doorlopend verhaal dat onmiddellijk begrepen wordt en dus geen toepassing nodig heeft. Beeld en zaak zijn hier een. Een uitdrukkelijke overgang van beeld naar zaak is overbodig, omdat de toehoorder direct begrijpt dat het verhaal op zijn eigen leven toepasselijk is. Geen typisch geval, maar een eens gebeurd, meestal ongewoon en uniek voorval wordt verteld.

Dit parabelverhaal hoeft geen inleiding, maar valt met de deur in huis. 'Een zaaier ging het land op om te zaaien' (Mt. 13,3); 'Een rijk man had een rentmeester' (Lc. 16,1). Hier moet de toehoorder zelf de toepassing maken - zoals David na het verhaal van Natan. De werkwoorden staan in de verleden tijd. Omdat de parabel een verhaal is waarbij de toehoorder onmiddellijk betrokken wordt, is hij niet zozeer onderricht, maar eerder verkondiging en oproep: verkondiging van een goddelijk heilsgebeuren en oproep om aan dit gebeuren niet schouderophalend of onverschillig voorbij te gaan. Een parabel in strikte zin is bijvoorbeeld het verhaal van de zaaier (Mc. 4,3-9).

Jan Lambrecht vergelijkt de twee zo: de verschillen tussen gelijkenis en parabel in strikte zin zijn dus groot. De gelijkenis is onderrichtend, uitleggend; ze richt zich tot het verstand; ze maakt een nogal koude, nuchtere indruk; ze doet een beroep op vaststelbare gegevens, op evidenties die in het betoog van de gebruiker bewijskracht bezitten. De parabel in strikte zin is niet zo expliciet; de goede parabel weet te boeien door haar verhaal; de luisteraar wordt meegevoerd, aangegrepen, ontroerd, maar de helderheid van de parabelzin moet hij zelf bewerken; de parabel brengt een proces op gang en de hele persoon, verstand en beslissingsvermogen, is erin betrokken. Men zegt soms, niet ten onrechte: een gelijkenis leert, een parabel bekeert. (Jan Lambrecht, 1976)

3. Het voorbeeldverhaal

Dit is een verhaal dat als voorbeeld tot navolging wordt verteld. In tegenstelling tot de parabel in strikte zin moet hier geen toepassing worden gemaakt door de toehoorder. Beeld of vergelijking ontbreekt hier; alleen de zaak of de toepassing is aanwezig en wel als een uit het leven gegrepen voorbeeld dat wil aansporen tot navolging. Zo is het verhaal van de barmhartige Samaritaan een voorbeeldverhaal. Op de vraag van een wetgeleerde: 'Wie is mijn naaste?', geeft Jezus een concreet voorbeeld van iemand die zich als 'naaste' gedraagt (Lc. 10,29-37). Hier is geen toepassing nodig, enkel navolging van het voorbeeld: 'Doe dan voortaan net als hij.' (v. 37). Een voorbeeldverhaal is ook de gelijkenis van de hebzuchtige boer, die grotere schuren bouwt voor zijn oogst en denkt aan rusten, eten, drinken, genieten, en zich veilig waant voor jaren, maar dezelfde nacht nog sterft (Lc. 12,16-20). Deze gelijkenis illustreert wat Jezus bij wijze van vermaning zegt: 'Pas op voor iedere vorm van hebzucht! Ook al heeft een mens nog zo veel, zijn leven bezit hij niet' (Lc. 12,15). Voorbeeldverhalen vinden we alleen bij Lucas. Denk aan het reeds vermelde wondermooie verhaal van de barmhartige Samaritaan (Lc. 10,50-37), van de rijke dwaas of de dwaze rijke (Lc. 12,16-21), van de verloren zoon (Lc. 15,11-32), enzovoort.

4. De allegorie

De allegorie ten slotte is een gekunsteld en irreeel beeldverhaal waarin elk onderdeel van het beeld zijn speciale betekenis heeft. Terwijl in een gelijkenis eigenlijk maar een voor de hand liggend punt belang heeft, hebben in een allegorie vele of alle details van het beeld een overeenkomstige betekenis. Een allegorie is dus een uitgewerkte vergelijking of metafoor: aan iedere term uit de beeldhelft beantwoordt een term in de zaakhelft of de toepassing. Op die wijze gaan we de weg op van de raadseltaal: een mysterieus verhaal is ontstaan waarvoor een sleutel nodig is om het in al zijn details te kunnen begrijpen. Daar waar een gewone parabel onmiddellijk duidelijk wordt - die man, dat bent u! - moet een allegorie met behulp van een code ontcijferd worden: elk element moet worden vervangen door datgene waar het naar verwijst. Voorbeelden zijn: de uitleg van de parabel van de zaaier (Mt. 15,18-23) en van het onkruid tussen de tarwe (Mt. 13,36-43).

Vraag 7

Welke boodschap vinden we in de gelijkenissen? (Sylvester Lamberigts, 2006)

7 A. Om uit te leggen wat het 'Koninkrijk van God' inhoudt en betekent. Daartoe gebruikte Jezus geen ingewikkelde theorieen, maar vertelde Hij parabels en gelijkenissen. De gelijkenissen die Jezus vertelde zijn allemaal vervuld van het 'geheim van het Koninkrijk van God'.
1. Eerst een woordje uitleg bij het begrip 'Koninkrijk van God'.

  • Het "Koninkrijk van God" is een sleutelwoord in de prediking van Jezus. Matteus heeft het in de gelijkenissen altijd over het 'Koninkrijk van de Hemel'. Dat is een schroomvolle omschrijving voor "Koninkrijk van God". Hij schrijft immers aan christenen uit het jodendom, die uit heilige huiver voor het transcendente de naam van God liefst zo weinig mogelijk in de mond nemen.
  • Wanneer Jezus het "Koninkrijk van God" verkondigt bedoelt Hij daarmee niet in de eerste plaats het hiernamaals of het leven over de dood heen, maar wel het geluk van de mensen hier en nu, in dit leven. Zijn belofte over de nabijheid van Gods Koninkrijk is dus geen wissel op een verre toekomst in een andere wereld, maar zij betreft allereerst onze eigen, huidige mensenwereld. Daar moet dit Koninkrijk op de eerste plaats werkelijkheid worden. Dit neemt natuurlijk niet weg dat er ook over de dood heen nog heel wat te verhopen en te verwachten valt, maar dat moet gezien worden als de heerlijke bekroning en voltooiing van wat hier en nu, in onze menselijke en wereldlijke geschiedenis reeds begonnen is.
  • Ook het begrip "Koninkrijk" verdient een woordje uitleg. Het slaat niet zozeer op een rijksgebied (het Franse royaume), maar eerder op het heersen zelf (het Franse royaute). Met 'Koninkrijk van God, wordt dus het actief heersen van God bedoeld. In het algemeen kun je zeggen dat Gods Heerschappij of, als je wilt, het God-zijn van onze God bestaat in zijn helpend en helend omzien naar de mensen, vooral naar mensen in de knoei of aan de rand. Gods 'hoogheid" wordt zichtbaar in zijn neerbuigende liefde en zijn onvoorwaardelijke goedheid voor de mens, wiens geluk Hij wil, allereerst hier en nu, in dit leven. De God van Jezus is een God die het helemaal opneemt voor de mens, allereerst voor de gebukte en de gekneusde mens, want juist voor hem heeft Hij een voorkeurliefde. Als wij deze God aan het woord en aan het werk laten, als Hij voluit en actief mag heersen in ons leven, als wij alles wat in onze samenleving moet gebeuren radicaal vanuit God durven denken, dan krijgen we geleidelijk aan een nieuwe wereld, waar het voor iedereen goed om wonen is.
  • Om uit te leggen wat het 'Koninkrijk van God" allemaal inhoudt en betekent, gebruikte Jezus geen ingewikkelde theorieen, maar vertelde Hij parabels en gelijkenissen. Al deze parabels over het Koninkrijk van God zijn impliciete zelfopenbaringen van Jezus, want in Hem, in alles wat Hij zegt en doet, komt Gods Koninkrijk midden onder ons. Als een parabel bijvoorbeeld Gods goedheid illustreert, gaat het over Gods goedheid die zichtbaar wordt in Jezus. Vandaag zou die goedheid zichtbaar moeten worden in zijn volgelingen, in iedereen die zich christen durft noemen.

2. Het 'Koninkrijk van God' is gave, want het koninkrijk van God wordt ons geschonken.

In een eerste groep gelijkenissen verkondigt Jezus dat het Koninkrijk van God geen utopie hoeft te blijven. Het wordt ons geschonken. Zoals Jezus zelf mogen ook wij er vast op hopen, zelfs tegen alle schijn in.

  • Bij het zaaien gaat er wel veel zaad verloren, omdat het op de weg, op de rotsgrond of tussen de distels valt, maar toch mag je als zaaier hopen op een rijke en overvloedige oogst, dankzij het zaad dat in goede grond terechtkomt. (Mc. 4,3-8).
  • Het mosterdzaadje mag dan het kleinste van alle zaden zijn, maar als je voldoende geduld en vertrouwen hebt, zul je het zien ontkiemen en opschieten tot een reuzenstruik met grote takken, waarin de vogels kunnen nestelen. ]e mag dus niet te vlug de moed verliezen (Mc. 4,30-32).
  • De vijgenboom staat er in de winter wel troosteloos bij, maar hij krijgt opnieuw zachte twijgen en bladeren, wat betekent dat de barre winter wijkt en de heerlijke zomer in aantocht is (Mc. 13,28).
  • Het klompje zuurdesem is niets in vergelijking met de drie maten meel waarin het verwerkt wordt, maar toch zal het heel het deeg doen gisten (Mt. 13,33).
  • Een arme dagloner die op een vreemde akker werkt, doet er plots de ontdekking van zijn leven: hij vindt er een schat die heel zijn leven verandert (Mt. 13,44).
  • Een koopman op zoek naar mooie parels, vindt uiteindelijk een parel van heel grote waarde, de parel van Gods Koninkrijk (Mt. 13,45-46). Wie zoekt die vindt..
  • De werklieden die eerst rond het elfde uur worden aangeworven om te werken in de wijngaard, krijgen toch een volledig dagloon uitbetaald, juist zoals de werkers van het eerste uur. En dit zomaar, gewoon omdat de landheer ingoed is. (Mt. 20,1-16).
  • Het bruiloftsfeest dat een koning voor zijn zoon geeft, dreigt in het water te vallen omdat de eerste genodigden liever hun eigen weg gaan en weigeren naar het feest te komen. Maar uiteindelijk gaat het feest toch door en loopt de feestzaal vol met mensen die wel op de uitnodiging ingaan (Mt. 22, 1-10).
  • Wanneer de bruidegom op zich laat wachten en de bruidsmeisjes indommelen, wordt er in de nacht plots geroepen: 'Daar is de bruidegom! Ga hem tegemoet!' (Mt. 25,1-13).
  • Op de weg van Jeruzalem naar Jericho valt iemand in de handen van rovers, die hem lelijk toetakelen. Een priester en een leviet, van wie je zou denken dat zij zeker zouden helpen, laten hem gewoon links liggen. Ten slotte wordt hij toch geholpen en wel door een Samaritaan, een door de ]oden gehate vreemde, de laatste van wie men dit zou verwachten (Lc. 10,30-37).
  • Een vriend komt na een lange reis bij je aankloppen en je wilt hem goed ontvangen, maar het is nacht en je broodkast is leeg. Een hopeloze situatie? Toch niet! Je hebt immers een andere goede vriend, die hiervoor begrip heeft en die je ook in het midden van de nacht gerust mag storen; hij zal je alles geven watje nodig hebt (Lc. 1 1,5-8).
  • De vijgenboom die men wilde omhakken omdat hij al drie jaar geen vruchten droeg, mag blijven staan en krijgt een nieuwe kans. De grond eromheen wordt omgespit en bemest in de hoop dat hij volgend jaar wel vrucht zal dragen (Lc. 13,6-9).
  • Het verdwaalde schaap wordt niet aan zijn lot overgelaten, maar blijft erbij horen. Het wordt intens en met liefde gezocht en uiteindelijk ook gevonden (Lc. 15,4-6).
  • De jongste zoon die er thuis uittrok en een losbandig leven leidde, wordt door zijn vader niet afgeschreven. Wanneer hij terugkeert, rent zijn vader hem tegemoet en richt hij een groot feest voor hem aan (Lc. 15,1 1-32).
  • Een arme weduwe vraagt een rechter herhaaldelijk om hulp, maar steeds stoot zij op een weigering. Ten slotte zal deze gewetenloze rechter toch capituleren en haar recht verschaffen (Lc. 1 8,1-8).

In parabels zijn er zoveel beelden van hoop, zoveel schijnbaar hopeloze situaties die "toch" worden rechtgezet! Zij maken duidelijk dat het Koninkrijk van God er zeker komt. God is immers onze goede Vader, op wie we altijd mogen rekenen. Hij maakt een nieuwe toekomst mogelijk, ook daar waar wij, kleine gelovigen, menen aan het einde van de toekomst te staan. Deze gelijkenissen moet je lezen als moedeloosheid je overvalt, als je godsdienstles voor de zoveelste keer werd geboycot, als je in de nieuwsberichten weer pijnlijke verhalen over corruptie hebt gehoord, als je denkt dat je inzet voor een betere wereld toch niets uithaalt. Deze gelijkenissen verkondigen ondubbelzinnig dat je inspanningen wel de moeite lonen en dat je mag hopen op een betere toekomst, ondanks alles.

3. Het 'Koninkrijk van God' is opgave, als we bereid zijn er ook zelf aan mee te werken

Het Koninkrijk van God wordt ons geschonken als we ook zelf de handen uit de mouwen steken. Het is dus niet alleen een gave van God, maar ook een opgave voor de mens. Of God in ons leven God mag zijn, hangt ook af van onszelf. Waar wij Hem niet toelaten, kan Hij niet aanwezig komen. Waar wij elkaar haten, kan Hij geen liefde zijn. Zo ernstig neemt God de mens dat Hij aanvaardt een probleem te worden waar wij - mensen - voor elkaar een probleem geworden zijn. Van Jezus kan men zeggen dat Hij tot het uiterste heeft meegewerkt om het Koninkrijk van zijn God werkelijkheid te laten worden. Nooit is zoveel van God en van zijn Koninkrijk te zien en te ervaren geweest op deze wereld als toen Jezus er was. Toen is er zoveel van God en van zijn Koninkrijk te zien en te ervaren geweest dat men gezegd en geschreven heeft - en terecht! - dat God zelf in Jezus zijn volk bezocht had en dat het Koninkrijk van de Hemel in Jezus midden onder ons gekomen was. Of men dit ook op onze dagen zal kunnen zeggen, zal van ieder van ons afhangen. Of we God aan het woord laten of niet. Of we ons bekeren of niet. Of we naar het voorbeeld van Jezus (1) verstandig zijn of niet, of we (2) aandacht hebben voor de medemens of niet, of we het ondanks moeilijkheden en crisis (3) in geloof geduldig uithouden of niet.

1. Verstandig of niet

Een aantal gelijkenissen roepen ons op om verstandig te zijn. We zijn verstandig als we beseffen dat er beslissende dingen voor de deur staan, dat God ons medeverantwoordelijk heeft gemaakt voor de vestiging van zijn Koninkrijk, dat onze huidige wereld alleen maar toekomst heeft, als we bereid zijn Jezus na te volgen en in zijn voetsporen te treden.

  • Verstandig is degene die steeds attent en alert blijft voor wat komen gaat, zoals de deurwachter die thuis de wacht houdt terwijl zijn heer op reis is (Mc. 13,34-36).
  • Verstandig is de mens die, met het oog op de zondvloed die de oude toekomstloze wereld zal wegspoelen, zijn huis niet op zand, maar op de rotsgrond van de Bergrede bouwt (Mt. 7,24-25).
  • Verstandig is de mens die met vreugde alles verkoopt wat hij bezit om het stuk grond te kunnen kopen waarin hij de schat van het Koninkrijk van God heeft ontdekt (Mt. 13,44).
  • Verstandig is de zoon die op de vraag van zijn vader om in de wijngaard te gaan werken weliswaar eerst neen antwoordt, maar later berouw krijgt en dan toch gaat (Mt. 21,28-29).
  • Verstandig is de huiseigenaar die wakker blijft als hij weet dat er die nacht bij hem zal worden ingebroken (Mt. 24,43).
  • Verstandig is de trouwe dienaar die, wanneer zijn heer uitblijft, doet wat hij moet doen en er niet zomaar op los leeft (Mt. 24,45-47).
  • Verstandig zijn de bruidsmeisjes die niet alleen hun lampen, maar ook de olie (van hun goede werken) meebrengen, want anders gaat het feest aan hun neus voorbij (Mt. 25,1-13).
  • Verstandig is de dienaar die begrepen heeft dat hij iets moet doen met de talenten die zijn heer hem heeft toevertrouwd en dat hij ze niet uit angst mag begraven (Mt. 25,14-30).
  • Verstandig is degene die zich niet laat buitensluiten en alle moeite doet om door de smalle deur naar binnen te gaan (Lc. 13,24-30
  • Verstandig is de genodigde op een bruiloftsfeest die niet staat te duwen en te dringen om de ereplaats te bemachtigen, maar die de minste plaats uitkiest. Misschien wordt hij dan door de gastheer uitgenodigd om dichterbij te komen zitten (Lc. 14,8-1 1).
  • Verstandig is de torenbouwer die er eerst eens bij gaat neerzitten om de kosten te begroten en te zien wat hij voor dit werk allemaal nodig heeft en of hij het wel aankan (Lc. 14,28-50)
  • Verstandig heet de rentmeester die inziet dat hij gebruik moet maken van de korte tijd dat hij nog rentmeester is om zich uit zijn hachelijke situatie te redden (Lc. 16,1-8).

  • Dom daarentegen zijn de pachters die de knechten en uiteindelijk zelfs de geliefde zoon van de eigenaar doden om de erfenis voor zichzelf te hebben (Mc. 12,1-9).
  • Dom zijn de bouwers die de steen afkeuren die later, dankzij de Heer, de hoeksteen zal worden (Mc. 12,10-11).
  • Dom is de man die, zonder aan een mogelijke zondvloed te denken, zijn huis op zand bouwt (Mt. 7,26-27).
  • Dom zijn de mensen die zich op het marktplein noch door de klaagzang, noch door het feestlied laten aanspreken, omdat ze liever buitenspel blijven en alleen maar luisteren naar zichzelf (Mt. 11,16-19).
  • Dom is de zoon die op de vraag van zijn vader om in de wijngaard te gaan werken 'ja' antwoordt, maar dan uiteindelijk niet gaat (Mt. 21,30-31).
  • Dom is de slechte dienaar die, wanneer zijn heer uitblijft, niet doet wat hem werd opgedragen, zijn geboden in de wind slaat en ervan profiteert om zijn eigen gang te gaan (Mt. 24,48-52).
  • Dom zijn de bruidsmeisjes die geen olie meenemen voor hun lampen. (Mt. 25,1-13)
  • Dom is degene die zonder feestkleding op een bruiloft verschijnt (Mt. 22,11- 13).
  • Dom is de boer die voor zijn overvloedige oogst grotere schuren bouwt, alsof hij de hele eeuwigheid voor zich heeft en de dood geen vat op hem heeft (Lc. 12,16-23).
  • Dom zijn de genodigden die allerlei uitvluchten zoeken om niet naar het feestmaal te moeten gaan (Lc. 14,16-24).
  • Dom is de rijke vrek die alle dagen feest viert, maar die geen oog heeft voor de bedelaar die voor zijn poort ligt en hem nog liever laat creperen, dan hem wat eten te geven (Lc. 16,19-31).

2. Aandacht voor de medemens of niet

Nogal wat gelijkenissen wijzen ons op de waarde van de medemens. Oninteressante en minder sympathieke mensen laten wij liever links liggen. Juist op deze mensen richt Jezus onze aandacht.

  • In het Koninkrijk van God dat Jezus verkondigt, leggen mensen een geschil zo snel mogelijk bij, onderweg nog, nog voordat ze op de rechtbank zijn aangekomen (Mt. 5,25-26).
  • In het Koninkrijk van God heeft elk schaap een onvervangbare waarde, zelfs al is het afgedwaald en heb je nog negenennegentig andere schapen die misschien "interessanter" zijn (Mt. 18,12-14).
  • In het Koninkrijk van God dat in Jezus zichtbaar wordt, is de dienaar even mild en vergevensgezind als de koning, van wie hij eerst zelf vergeving en medelijden heeft ontvangen (Mt. 18,23-35).
  • In Gods Koninkrijk ben je blij als werkloze stakker eens een baas te ontmoeten die zo goed is dat hij hem de kans geeft om, met een uurtje te werken in de avondkoelte, evenveel te verdienen als jijzelf, die voor datzelfde loon een hele dag in de hitte hebt moeten werken (Mt. 20,1-16).
  • In het Koninkrijk van God blijf je in de ongewenste, oninteressante en onaanzienlijke andere, in de hongerige, de dorstige, de naakte, de vreemdeling, de zieke en de gevangene, een broer of zuster van de Koning zien (Mt. 25,31-46).
  • In het Koninkrijk van God dat Jezus verkondigt, kan Simon de farizeeer meevoelen met de vreugde en de dankbaarheid van een vrouw die vergiffenis van zonden krijgt, en die zich daardoor zo bevrijd voelt dat ze zich buitensporig gedraagt, de voeten van Jezus nat schreit en met haar haren afdroogt (Lc. 7,36-50).
  • In het Koninkrijk van God loop je niet, zoals de priester en de leviet het deden, met een boog om een hulpbehoevende medemens heen, maar doe je, zoals de Samaritaan het ons voordeed, alles om hem te helpen (Lc. 10,25-37).
  • In het Koninkrijk van God dat in Jezus doorbreekt, laat de rijke en feestvierende boer de arme Lazarus voor zijn deur niet van honger omkomen, maar hij laat hem delen in zijn overvloed (Lc. 16,19-31).
  • In het Koninkrijk van God ben je blij als je weggelopen broer, die zijn geld met hoeren heeft verbrast, terugkomt er voor hem een groot feest wordt aangericht, terwijl dat voor jou, die nochtans onberispelijk bent, niet gebeurt (Lc. 15,11-32).
  • In het Koninkrijk van God loopt men niet hoog op met zichzelf en kijkt men niet minachtend neer op de anderen, omdat men weet dat men alles aan God te danken heeft en dat men zonder zijn genade gewoon niemand is (Lc. 18,9-14).

3. In geloof geduldig uithouden of niet

In feite staan we nog ver af van de nieuwe wereld die Jezus verkondigt en die in Hem nabijkomt. De oude wereld is immers geweldig taai en laat zich niet zo gemakkelijk door een nieuwe vervangen. Daarom roept Jezus ons in een aantal gelijkenissen op om gelovig en geduldig vol te houden, ons niet te laten ontmoedigen en niet defaitistisch te worden.

Jezus zelf gaf de moed nooit op. Telkens opnieuw stootte Hij op onbegrip, zelfs bij zijn beste leerlingen, maar toch bleef Hij zijn best doen om hen bijkomende uitleg en steeds duidelijker voorbeelden te geven, in de hoop dat zij eindelijk zouden begrijpen waar het Hem om te doen was. Zelfs toen zijn lichaam op het kruis gebroken werd, heeft Hij niets van zijn ideaal teruggenomen. Zijn sterven was een nieuwe, zij het de laatste kans om het Koninkrijk van zijn God nabij te brengen. Vandaag wordt ook van ons gevraagd dat wij het in geloof geduldig uithouden.

  • Ofschoon je weet dat deze wereld een ondankbare akker is, moet je toch de durf hebben om het zaad van Jezus" boodschap kwistig uit te strooien en te blijven geloven in een overvloedige oogst (Mc. 4,3-8).
  • Als je gezaaid hebt, moet je vertrouwen en geduld hebben. Terwijl je slaapt en zonder dat je weet hoe, ontkiemt het zaad, schiet het op en nadert de tijd van de oogst (Mc. 4,26-29).
  • Als je gelovige ogen hebt, kun je in het kleine, uiterst nietige mosterdzaadje nu al een hele boom zien, met zingende vogels erin (Mc. 4,30-32).
  • Zoals de boer, tussen wiens tarwe een vijand onkruid heeft gezaaid, moet je geduld hebben en kunnen wachten. Je moet de tarwe en het onkruid samen laten opgroeien. De tarwe blijft aanwezig, ook al zie je ze door het onkruid misschien niet meer zo goed, en je mag er zeker van zijn dat zij de toekomst voor zich heeft en in je schuur terechtkomt wanneer de tijd van de oogst zal aanbreken (Mt. 13,24-30).
  • Met geduld en vertrouwen moet je ook een klein klompje zuurdesem durven bekijken. Het lijkt haast niets, maar toch kan het drie maten meel doen rijzen en helemaal doortrekken (Mt. 13,33).
  • Het kan moeilijk en ontmoedigend zijn om midden in de nacht van deze wereld je brood te moeten breken met een ander, vooral als je er zelf geen hebt; maar durf te geloven dat God je vriend is, bij wie je ongegeneerd kunt aankloppen en die je zeker zal helpen (Lc. 11,5-8).
  • Het is niet gemakkelijk gerechtigheid te bekomen in een wereld waarin rechters en zovele andere verantwoordelijke instanties corrupt zijn en weigeren mee te werken. Maar laat je, juist zoals de weduwe uit het evangelie, niet ontmoedigen. Blijf aandringen en volhouden, zoals de weduwe het deed en zoals Jezus het deed. Nooit opgeven, maar telkens weer opnieuw beginnen. Je moet als christen taaier durven zijn dan deze taaie oude wereld. Dan zul je overwinnen en eens komt er dan een nieuwe wereld de heerlijke wereld van Gods Koninkrijk (Lc. 18, 1-8).

Vraag 8

Wat is de diepere betekenis van de parabels over het zaad bij Marcus? (Mc. 4,1-34)

De vijf parabels nemen het zaad als basismetafoor. Ze vertellen wat de toehoorders reeds lang weten: dat het zaad niet op alle gronden hetzelfde rendement heeft. Zij worden in de parabel echter aangemaand om naar een diepere betekenis van het gezegde te gaan zoeken. De woorden "wie oren heeft om te horen, moet horen" (Mc. 4,9), zijn het signaal dat ook nog iets anders bedoeld wordt dan een mededeling over zaaigoed en opbrengst ervan. (Sylvester Lamberigts, 2006) (CCV, 2010)

8 A. Het zijn parabels over "het geheim van het Koninkrijk"
1. Het Koninkrijk van God is een geheim dat om onthulling vraagt.

Niet iedereen kan het zien! Marcus spreekt over 'het geheim van Gods Koninkrijk' (Mc. 4,11). Om het geheim te onthullen, is openheid, alertheid en een manier van luisteren nodig. Het vraagt om een moedig en goed luisteren. Het Koninkrijk van God wordt zichtbaar als een ongemeende kracht. Die kracht kunnen wij niet zelf bewerken, het is een kracht die ontluikt, zoals zaad ontluikt.

2. Met Jezus is het Koninkrijk van God nabij gekomen.

Deze tekst betreft dus het hart van Jezus' zending. Het 'Koninkrijk' is immers geen land (een "koninkrijk") dat je kunt afpalen, maar een ruimte waar God de plaats kan innemen die Hem toekomt (een "koningschap"), een ruimte waarin Hij in verbinding kan treden met de mensen die Hij het leven heeft gegeven. Jezus maakt de weg naar dit 'Koninkrijk' toegankelijk. Het is door Hem na te volgen dat we het Koninkrijk kunnen binnengaan.

3. Het Koninkrijk is een gave Gods en het is ook een opgave.

In deze perikoop staan drie van de vijf gelijkenissen in verband met 'zaad': zaad is iets wonderlijks, het is meestal heel klein, maar er kan iets heel groots uit voortkomen. Het zaad is bovendien een gave: wij hebben het niet zelf gemaakt. Het is een gave Gods. Het is ook een opgave. Wij moeten er eigenlijk alleen maar voor zorgen dat het zaad kan gedijen, dat het in goede aarde kan vallen, dat het niet overwoekerd wordt door onkruid enzovoort. Wij zijn wel medewerkers in het Koninkrijk van God, maar de gave komt van elders. Niet het doen is het belangrijkste, maar wel het ontvangen en de zorg dat het zaad kan uitgroeien, zodat er een rijke oogst kan komen. Die nadruk op de gave en de daarbij behorende ontvankelijkheid van de mens, wordt heel sterk uitgedrukt in de gelijkenis van de zaaier die het zaad uitstrooit en dan wacht totdat het ontkiemt en opschiet, terwijl hij slaapt. Pas als de oogst rijp is, komt de zaaier weer echt in actie (vv. 26-27).

8 B. Een parabel over een zaaier en het zaad (Mc. 4,1-20)
1. In de eerste negen verzen vertelt Jezus de parabel.

De beelden zijn ontleend aan het leven van alledag. Iedereen die in Galilea opgroeit, heeft weet van de weerbarstige bodem, de vele stenen en keien die daar liggen, de droge grond. Het kost heel wat moeite om de aarde vruchtbaar te laten zijn. Maar er zijn ook vlaktes waar de omstandigheden heel wat beter zijn.

In de gelijkenis valt op dat de boer kwistig is met het zaad: hij zaait het overal rond, goed wetende dat het niet overal wortel zal kunnen schieten. Maar dat geeft niet, alle hoop wordt gesteld op die plekjes waar het zaad in goede aarde kan vallen, wortel kan schieten, kan uitgroeien en uiteindelijk vruchten kan voortbrengen. Er zijn de vijanden van het zaad: de vogels die het komen wegpikken, de rotsachtige ondergrond, de felle zon, de distels. Het is dus niet vanzelfsprekend dat het zaad de kans krijgt om zich te openen en te groeien.

2. Voorafgaand aan de uitleg wil Jezus de leerlingen inwijden in het geheim van het Koninkrijk van God. (vv. 10-12)

Zien waar het Koninkrijk van God zich manifesteert, waar het openbloeit en zichtbaar wordt, vraagt om grote alertheid, openheid en een oor dat goed kan luisteren. Niet iedereen is in staat om onbevooroordeeld te luisteren, sommigen blijven 'buiten' staan: aan de buitenkant, zonder zich te engageren. Ze horen de woorden wel, maar ze krijgen voor hen geen betekenis, het raakt hun hart niet. En zo komen ze ook niet tot inkeer, en blijft de ervaring van vergeving hun onthouden. (Dit wordt verder uitgewerkt in C)

3. In de derde alinea (vv. 13-20) legt Jezus de parabel aan de leerlingen uit.

a. Het zaad is het Woord dat wordt gezaaid.

Deze uitleg is een allegorie, omdat meerdere details uit Jezus" parabel in de uitleg een overeenkomstige betekenis krijgen en geidentificeerd worden. Er wordt niet gezegd wie de zaaier is, maar wel dat het zaad het Woord is, een uitdrukking die in de uitleg niet minder dan zeven keer voorkomt. Het Woord is de Goede Boodschap of het evangelie van Jezus.

Het Woord van God wordt kwistig gezaaid. God is nooit zuinig geweest met zijn sprekend aanwezig zijn, al was dit altijd bemiddeld: bij monde van Mozes, de profeten, de zoekers naar Wijsheid, bij monde van Jezus uiteraard en zijn eerste volgelingen. In de uitleg blijft de identiteit van de zaaier onbestemd: het kan zowel God zijn, Jezus als een leerling.

b. De vier plaatsen waar het zaad valt, zijn vier manieren van luisteren naar dat Woord.

In de uitleg gaat het over vier verschillende soorten mensen (toehoorders of lezers).

Het zaad van Jezus" Woord heeft in zich voldoende levenskracht, maar of het ook vrucht draagt wordt bepaald door de ontvankelijkheid van de grond waarin het bij de leerlingen en de lezers terechtkomt.

  1. Het zaad dat op de weg valt zijn zij die de boodschap wel horen, maar zij gaat het ene oor in en het andere uit. Je luistert wel naar het Woord, maar het wordt je onmiddellijk weer ontnomen, zoals de vogels het zaad wegpikken dat op de weg is gevallen. Hier is het Satan die het weggrist: hij is de aanklager van de mens (in het boek Job) en degene die verdeeldheid zaait (de "duivel" als diabolos). Hij wil niet dat de mens gehoor geeft aan het Woord.

  2. Het zaad op de rotsgrond zijn zij die het Woord meteen en met vreugde in zich opnemen, maar het schiet geen wortel omdat ze te oppervlakkig zijn; de boodschap heeft aanvankelijk wel enig effect, maar ze dringt niet door. Je luistert wel naar het Woord, en het maakt je zelfs blij, maar het krijgt de kans niet om diep te wortelen. Je mist de rust om het Woord in je te laten verankeren. En zo gauw het moeilijk dreigt te worden, haak je af: je wilt alleen gelukkig worden op je eigen voorwaarden. Wanneer je leven door beproeving geraakt wordt of wanneer mensen je schamper aanspreken op je geloof, ben je al weg. Als ze vanwege het Woord vervolgd of beproefd worden, staan ze niet sterk genoeg en houden ze niet stand. Het zijn mensen die snel opgebrand zijn, mensen als een strovuur.

  3. Het zaad dat tussen de snelgroeiende distels valt zijn zij die het Woord wel gehoord hebben, maar het blijft zonder vrucht, omdat ze het laten verstikken door duizenden andere dingen die ze na een tijd belangrijker gaan vinden. Er zijn altijd zoveel zorgen: de zorgen voor het dagelijks leven, de verleiding van geld, rijkdom, carriere en zovele andere dingen van deze wereld. Er is zoveel waar we aan moeten denken. Het Woord kan niet de grond van je bestaan worden. Je laat je heen en weer slingeren tussen je zorgen en je hang naar rijkdom en zoveel anderen dingen waar je veel belang aan hecht. Zo wordt het Woord overwoekerd.

  4. Toch is er een fantastische en overvloedige oogst, dankzij het zaad dat op goede grond valt: dat zijn zij die het Woord horen en het ook innerlijk in zich opnemen en aanvaarden. Het Woord krijgt kans om wortel te schieten in je hart. Het Woord maakt je sterk om zorgen en beproevingen te boven te komen en leert je ermee om te gaan. Je weet op tijd te kiezen waar het op aankomt. En langzaam maar zeker merk je dat het vrucht begint te dragen in jou.

Zij die het Woord echt beamen door er bewust voor te kiezen en er dagelijks werk van te maken, brengen overvloedig vrucht voort, sommigen dertigvoudig, anderen zestigvoudig en nog anderen zelfs honderdvoudig. Waarin die vruchten precies bestaan, wordt niet gezegd. Gaat het om steeds meer gelovigen die zich door het goede voorbeeld van de christenen bij Jezus aansluiten? Of om gelovigen die steeds meer goed doen? Waarschijnlijk om beide tegelijk.

In geen geval mogen we de voornaamste boodschap van deze parabel uit het oog verliezen, namelijk dat de oogst uiteindelijk overvloedig zal zijn. Dat moedigt ons aan om, ondanks alles en tegen de klippen op, het Woord toch te blijven zaaien. Naar het voorbeeld van Jezus, die er niet mee ophield, ondanks de tegenstand en het onbegrip die Hij ontmoette. Voor christenen die zich bijvoorbeeld hard inzetten en zich vragen stellen omtrent het resultaat van hun inzet, kan deze parabel een grote troost en een sterke stimulans zijn. (Sylvester Lamberigts, 2006)

8 C. Meer over "Het geheim van het Koninkrijk"? (Mc. 4,10-12)
1. Het is een cryptische parabel die zowel vermomming en onthulling is.

a. Een parabel is vermomming.

De parabel spreekt indirect over een situatie, omdat een aantal mensen de boodschap niet mogen verstaan. Zo is het spreken in parabels een tactische zet, een tactische zet om te spreken zonder monddood gemaakt te worden. Aldus ontstaan er bij de toehoorders van de parabel twee groepen: 1) diegenen die haar wel verstaan (uit zichzelf of omdat ze hun werd uitgelegd) en 2) diegenen die haar niet verstaan. Parabels dragen zo bij tot de cohesie van de groep, maar ze versterken tegelijkertijd het antagonisme van degenen die zich uitgesloten voelen.

Maar men kan er ook nog een andere zin aan geven. Het waarom van de parabels wordt in deze perikoop uitgedrukt aan de hand van een citaat uit Jesaja (Jes. 6,9-10). Daarin wordt de profeet door God naar het hardleerse volk gestuurd dat toch niet zal luisteren. De schrijver van dit evangelie worstelt, zoals velen van zijn medegelovigen, met de vraag hoe het komt dat zovele joden de boodschap van Jezus niet hebben aanvaard. Is hun onmacht te wijten aan hun lot of aan hun onwil? Konden ze haar niet aanvaarden of wilden ze niet?

b. Een parabel is ook openbaring.

Aan de hand van het bekende iets zeggen over het Onuitsprekelijke. Men kan immers niet anders dan het Ongeziene beschrijven aan de hand van het bekende, de wereld van God in termen van de mens. De parabel leent zich bij uitstek voor een spreken over God in een religie van de incarnatie.

2. Meer over de "verstokking" in Marcus 4,10-12.

10 Toen hij weer alleen was met zijn volgelingen en met de Twaalf, stelden ze Hem vragen over de gelijkenissen. 11 Hij zei tegen hen: 'Aan jullie is het geheim van het Koninkrijk van God onthuld; maar zij die buiten blijven staan, krijgen alles te horen in gelijkenissen, 12 opdat ze scherp zien, maar geen inzicht hebben, opdat ze goed horen, maar niets begrijpen, anders zouden ze zich bekeren en vergeving krijgen".

De centrale vraag van de parabel over de zaaier en het zaad is: hoe draagt het Woord vrucht in ons? Kan het zaad ontkiemen of krijgt het geen kans? Slechts een deel van het zaad krijgt kans om te kiemen, maar als dat gebeurt, zal het ook vruchten in overvloed voortbrengen. Het komt erop aan goed te luisteren, daar begint alles mee!

Het valt op hoe genereus de zaaier is: hij zaait zonder maat, zonder berekening, in het vertrouwen dat een gedeelte wel in goede aarde zal vallen. Maar niet iedereen is zo genereus. Sommigen kunnen zelfs niet luisteren naar het Woord, ze blijven buitenstaanders. De gelijkenissen die de 'buitenstanders' horen, dringen niet door in hun eigenlijke betekenis, want als dat wel zou gebeuren, zou er een inzicht ontstaan en zou dat het begin zijn van een proces van ommekeer en bekering. En het einde van een weg van bekering is de vergeving. Die vergeving onthouden ze zichzelf, door de verharding van het hart en de weigering om echt te luisteren.

De tekst klinkt als een ernstige waarschuwing: bij welk kamp willen we ons aansluiten, bij dat van hen die niet willen luisteren of bij het kamp van zijn leerlingen? In het laatste geval maken we tenminste een kans om onze vooroordelen opzij te schuiven en vanuit een eerlijke openheid te luisteren naar het Woord. We doen de tekst daarom het meest recht als we deze verstaan als een (dringende) profetische oproep om tot luisteren te komen, en dat tegen de donkere achtergrond van de profetie van Jesaja, waarnaar deze verzen verwijzen (Jes. 6,9-10). Wie zich openstelt voor het Woord, voor Jezus' verkondiging van het Rijk Gods, zal misschien gaandeweg gaan delen in het geheim van dit Koninkrijk (v. 11). (CCV 2010)

"Begrijpen jullie deze gelijkenis niet?" Dit is een open vraag van Jezus aan zijn leerlingen en tegelijk aan de lezers. Niet alleen buitenstaanders begrijpen de diepe betekenis van Jezus" woorden niet, maar ook de eigen leerlingen verstaan Hem vaak niet of helemaal verkeerd. Ook "binnen" de kring van ingewijden kan men 'buiten' blijven staan. Zogenaamde intimi van Jezus kunnen eveneens blind of doof zijn voor wat Jezus bedoelt en met zijn gelijkenissen wil duidelijk maken. Zeker wanneer er straks stormen zullen opsteken in de Kerk en wanneer de weg van Jezus, evenals de weg van de navolging, een harde kruisweg blijkt te zijn, zal ook het geloof van de leerlingen gaan wankelen. Zij zullen de moed verliezen en het niet meer zien zitten (zie 4,40). Jezus vervolgt: als jullie de gelijkenis van de zaaier niet begrijpen, "hoe (in de betekenis van: op welke wijze) zullen jullie alle andere gelijkenissen dan verstaan?" Wie de parabel van de zaaier met zijn alles overtreffende boodschap van hoop ondanks crisissen en beproevingen begrijpt, verstaat inderdaad alle parabels en verstaat uiteindelijk heel het evangelie. Hij wordt een mens van hoop, bezield door een dynamiek die aanzet tot handelen en navolging van Jezus. Maar wie deze gelijkenis niet begrijpt, zal ook de andere gelijkenissen niet verstaan. Hoe de leerlingen concreet zullen reageren, zullen we in het vervolg van het evangelie vernemen. Maar de vraag van Jezus is ook tot de lezers en tot ieder van ons gericht. Hoe verstaan wij deze gelijkenis en hoe reageren wij zelf? (Sylvester Lamberigts, 2006)

8 D. De parabel is een spiegelverhaal binnen het geheel van het Marcusevangelie.
1. Het geheim van het Koninkrijk en het geheim dat Jezus zelf met zich meedraagt.

In het vervolg van het evangelie zal steeds duidelijker blijken dat dit geheim van Gods Koninkrijk ook te maken heeft met de vraag naar Jezus" identiteit. Jezus zelf draagt een geheim met zich mee. Hij roept voortdurend vragen op. "Wie is Hij toch?" (Mc. 4,41) Deze vraag staat centraal in het evangelie van Marcus, maar wordt eerst op het einde helemaal beantwoord, wanneer de honderdman na Jezus" dood aan het kruis, uitroept: "Werkelijk, deze mens was Gods Zoon" (Mc.15,39). Dat Jezus de Zoon van God en de messias is, stond reeds in het openingsvers van het evangelie en het werd in 1,11 door een stem uit de hemel plechtig verkondigd toen Hij in de Jordaan door Johannes gedoopt werd. Toen wist echter nog niemand wat voor een soort messias en Zoon van God Jezus zou worden. Zelfs na drie duidelijke lijdensvoorspellingen blijven de beste van zijn leerlingen dromen van een aardse en politieke messias, die een aards koninkrijk zal stichten waarin zijzelf carriere kunnen maken en de eerste plaatsen zullen bekleden. Dat de Zoon van God een lijdende dienaar is, die de weg van het lijden en van de dienstbaarheid tot het uiterste gaat, zal eerst ten volle blijken in Jezus" kruisdood. In het passieverhaal, onder meer in het getuigenis van de honderdman, keren de titels van het begin terug, maar nu met een geheel andere inhoud. In het begin van het evangelie kon niemand vermoeden hoezeer de 'Goede Boodschap' van en over Jezus, de Christus en de Zoon van God, van nederigheid, lijden en oproep tot navolging doordrongen is.

2. Deze parabel geeft een goed beeld van het eerste deel van het Marcusevangelie.

Deze parabel is een spiegelverhaal. Daarin wordt verteld hoe Jezus het woord van Gods Koninkrijk preekt en mensen geneest. Wat Hij zegt en doet wordt kort geresumeerd in drie samenvattende berichten (Mc. 1,14-15; Mc. 3,7-12; Mc. 6,6b) en verder geillustreerd met tal van verhalen, vooral van genezingen en van duiveluitdrijvingen. Maar al vlug botst Jezus op tegenstand en onbegrip. Dit onbegrip komt van de kant van de farizeeen en de herodianen, die nu al overleggen hoe ze Hem uit de weg kunnen ruimen (Mc. 3,4b-6). Het komt ook van de mensen uit zijn vaderstad, waar Hij geen enkel wonder kan doen (Mc. 6,1-6a) en het komt ten slotte van zijn eigen leerlingen, die geen inzicht hebben en hardleers worden genoemd (Mc. 8,14-21). Ondanks dit onbegrip van velen, heeft Jezus in het eerste deel van het evangelie toch succes. De oogst is overvloedig. Hij brengt immers grote menigten op de been en raakt op vele plaatsen bekend. De kring van toehoorders en het gebied dat Hij bestrijkt worden steeds groter.

In Marcus 3,9 moeten de leerlingen voorkomen dat Hij door de menigte onder de voet wordt gelopen en ook in Marcus 4,1 is er sprake van een enorme menigte. Bij de eerste wonderbare spijziging is er een massa mensen aanwezig waarvan alleen de mannen al op vijfduizend worden geschat (Mc. 6,44). Bij de tweede spijziging zijn er vierduizend mensen die gevoed worden. Succes dus bij vele mensen. Maar ook succes in de breedte, want Jezus verlegt zijn activiteiten voortdurend. Hij begint aan de oever van het meer en in Kafarnaum, maar al vlug trekt Hij ook naar de dorpen in de omtrek en wordt geheel Galilea zijn werkterrein. Zijn optreden krijgt zelfs zoveel ruchtbaarheid, dat men van overal naar Hem toekomt, niet alleen vanuit Galilea, maar ook vanuit Judea, Jeruzalem, Idumea, het Overjordaanse en de streek rond Tyrus en Sidon (Mc. 3,7-8). Jezus treedt verder ook op in het land van de Garasenen aan de overkant van het meer en later gaat Hij naar Tyrus en Sidon. Ten slotte trekt Hij door het gebied van de Dekapolis en gaat Hij naar de dorpen rond Caesarea Filippi.

Succes dus op brede schaal. De parabel van de zaaier is daarvan een mooie afspiegeling: een kwistig en veelbelovend begin, een opeenvolging van beproevingen en ten slotte een succesvolle doorbraak. (Sylvester Lamberigts, 2006)

Appendix 1

De parabel van de zaaier (Jean Bastiaens, Leerhuis 2017-2018)

Tekst: Marcus 4,1-20 (NBV)

Inl. 1 Weer ging Hij naar het meer om de mensen te onderwijzen; er kwam een enorme menigte om Hem heen staan. Daarom ging Hij in de boot op het meer zitten, terwijl de menigte op de oever bleef staan. 2 Hij onderwees hen uitvoerig en sprak hen toe in gelijkenissen. Hij zei:

A 3 "Luister. Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien.

4 Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg, en de vogels kwamen en aten het op. 5 Een ander deel viel op rotsachtige grond, waar maar weinig aarde was, en het schoot meteen op omdat het niet diep in de grond kon doordringen; 6 en toen de zon opkwam verschroeide het jonge groen, en omdat het geen wortel had, droogde het uit. 7 Weer ander zaad viel tussen de distels, en de distels schoten op en verstikten het en het bracht geen vrucht voort. 8 Maar er waren ook zaadjes die in goede grond vielen en wel vrucht voortbrachten: ze schoten op en groeiden en droegen vrucht. Sommige leverden het dertigvoudige op, andere het zestigvoudige en weer andere het honderdvoudige."

B 9 En Hij zei: "Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!"

C 10 Toen Hij weer alleen was met zijn volgelingen en met de Twaalf, stelden ze Hem vragen over de gelijkenissen. 11 Hij zei tegen hen: "Aan jullie is het geheim van het Koninkrijk van God onthuld; maar zij die buiten blijven staan, krijgen alles te horen in gelijkenissen, 12 "opdat ze scherp zien, maar geen inzicht hebben, opdat ze goed horen, maar niets begrijpen, anders zouden ze zich bekeren en vergeving krijgen."

B" 13 Hij zei tegen hen: "Begrijpen jullie deze gelijkenis niet? Hoe zullen jullie alle andere gelijkenissen dan begrijpen?"

A" 14 De zaaier zaait het Woord.
15 Sommigen zijn als het zaad dat op de weg valt: het Woord wordt wel gezaaid, maar wanneer ze het gehoord hebben, komt meteen Satan om het Woord weg te graaien dat in hen gezaaid is.
16 Anderen zijn als het zaad dat op rotsgrond is gezaaid: wanneer zij het Woord hebben gehoord, nemen ze het meteen met vreugde in zich op, 17 maar in hen schiet het geen wortel, ze zijn te oppervlakkig, en als ze vanwege het Woord worden beproefd of vervolgd, houden ze geen ogenblik stand.
18 Weer anderen zijn als het zaad dat tussen de distels is gezaaid: ze hebben het Woord wel gehoord, 19 maar de zorgen om het dagelijks bestaan en de verleiding van de rijkdom en hun verlangens naar allerlei andere dingen komen ertussen en verstikken het Woord, zodat het zonder vrucht blijft.
20 Maar er zijn ook mensen die zijn als het zaad dat op goede grond is gezaaid: zij horen het Woord en aanvaarden het en dragen vrucht, sommigen dertigvoudig, anderen zestigvoudig en weer anderen honderdvoudig."

Commentaar bij Marcus 4,1-20

We lezen uit hoofdstuk 4 het eerste deel van de zogenaamde "parabelrede" van Jezus in het Marcusevangelie. Jezus onderwijst de menigte en parabolais, dat wil zeggen in allerlei soorten van gelijkenissen en puntige verhalen (Hebreeuws: masjal). Dat eerste deel is echter meer dan dat. Het bevat:

  • Een parabel over de zaaier (A)
  • Een oproep om te horen en de boodschap te vatten (B)
  • Een commentaar bij het spreken van Jezus in gelijkenissen (C)
  • Een oproep om (het belang van) de parabels werkelijk te begrijpen (B")
  • Een allegoriserende uitleg van de parabel van de zaaier, toegespitst op de manier van luisteren (4 soorten "hoorders"). (A")

De commentaar staat in het midden en wordt geflankeerd door twee oproepen. Er is iets ernstigs aan de hand met het luisteren naar Jezus: Hij wordt door veel mensen gevolgd, "een enorme menigte" (v. 1), maar lang niet iedereen weet door te dringen tot de diepere lagen van die boodschap, omdat men slecht luistert, te oppervlakkig luistert of te opportunistisch is in het volgen van Jezus (meegaan met de hype). Er bevinden zich ook mensen onder het gehoor die "buitenstaanders" (v. 11) willen blijven: zij willen zich niet engageren voor Jezus en het Koninkrijk van God, of erger nog: zij wijzen Jezus en zijn prediking af. Precies dat gegeven is ook een thema in de parabel: de zaaier strooit kwistig in het rond met het kostbare zaad, maar het vindt lang niet overal goede grond om in te aarden, integendeel: de grote meerderheid van het kostbare zaad gaat verloren!

Hier raken we aan een kerneigenschap van hoe het Koninkrijk van God gestalte krijgt en groeit: de verkondiging ervan vindt maar bij weinigen echt gehoor, maar als het gehoor vindt, dan leidt dat tot een geweldig grote vermenigvuldiging van zijn inzet: dertigvoudig, zestigvoudig, ja honderdvoudig!
Wanneer je dat beseft, is het niet zo erg dat zeg maar drie vierde van het zaad verloren gaat, want de opbrengst van dat ene vierde overtreft al het verlies.

De parabel (A) is dus geweldig bemoedigend voor mensen die zich, net als Jezus, "het goede nieuws" (evangelie) eigen trachten te maken en een bron laten worden van een levensstijl en een niet aflatende inzet voor de zaak van het Koninkrijk van God. Als er veel zaad verloren gaat, is dat niet iets om over te treuren, want het is duidelijk dat in de parabel alle aandacht uitgaat naar dat ene deel dat vruchtbaar is - de vreugde over de opbrengst daarvan klinkt euforisch in de climactische opsomming: dertigvoudig, zestigvoudig, honderdvoudig!

Vanaf vers 9 (B) slaat de toon van Jezus" spreken echter om: van de vreugde om de opbrengst, keren we naar een bezorgdheid om het goede luisteren. Het perspectief is niet langer dat van de zaaier (actief), maar nu van degene die iets ontvangt (passief), iemand die luistert naar Jezus en naar zijn gelijkenissen. Hiermee wordt tevens al de toon gezet voor de allegoriserende uitleg van de parabel van de zaaier: het viervoudige lot van het zaad wordt nu toegepast op een viervoudige manier waarop mensen luisteren naar het Woord van Jezus (het zaad is het Woord). De uitleg spitst de betekenis van de parabel dus op een nieuw punt toe.

De allegorische uitleg wordt voorbereid door een gesprek tussen de leerlingen en Jezus (C): zij vragen Jezus waarom Hij altijd spreekt in de vorm van een masjal, van "gelijkenissen". Kan Hij zijn onderricht (didache) niet klaar en helder in enkele uitgangspunten, richtlijnen en leefregels gieten? Waarom die poetische en ook welhaast vrijblijvende manier van spreken in gelijkenissen? Het antwoord van Jezus verrast. Het verrast omdat de joodse Schriften - ons "Oude Testament" - van oudsher gebaseerd zijn op een samengaan van "voorschrift" (halacha) en "verhaal" (haggada). Je kunt de Bijbelse boodschap nooit reduceren tot "voorschriften" of tot "klare boodschappen" - dat weet Jezus ook wel! Het antwoord verrast, en het onthult ons dat Jezus zelf bezig blijkt te zijn met iets dat Hem zorgen baart: een grote groep van mensen - ook onder zijn gehoor - wenst eigenlijk "buitenstaanders" te blijven, ze willen zich niet openstellen voor de profetische boodschap van Jezus over de komst van het Koninkrijk van God. Dat is een bekend thema bij de grote profeten van Israel: de profeten lijden onder het feit dat het volk en zijn leiders (!) geen gehoor wensen te geven aan de Godswoorden. Jezus citeert uit het boek Jesaja om zijn punt duidelijk te maken. Het citaat komt uit hoofdstuk 6, uit het roepingsvisioen van Jesaja als profeet. Reeds Jesaja moest er zich op voorbereiden dat zijn profetische woorden zouden afketsen op een muur van onverschilligheid en zelfingenomenheid. Reeds Jesaja moest ervaren dat mensen zich graag nestelen in hun positie (hun gemak, hun welvaart, maar soms ook hun ongemak) en niet in beweging willen komen, niet willen omkeren - om zo meer vrije en open en verantwoordelijke mensen te worden. Soms willen mensen hun eigen genezing niet - dat is een choquerende waarheid die we allemaal telkens weer in onze eigen omgeving (of in ons eigen leven?) kunnen waarnemen.

Natuurlijk krijgt het deel C van onze tekst extra gewicht, wanneer je bedenkt dat dezelfde realiteit ook voor de leerlingen van Jezus een confronterende ervaring zou worden: hun verkondiging van het evangelie van de Verrezene, na Jezus" sterven en verrijzen dus, zou evenmin kunnen rekenen op een massale bijval van de kant van het volk Gods. Er zou ook afwijzing zijn, ja zelfs conflict en uitsluiting. Sommige joodse volgelingen van Jezus moesten, enkele decennia na Jezus, gaan ervaren dat ze niet langer welkom waren in de hun vertrouwde synagoge - ze werden zelf "buitenstaanders".

Vers 13 (B") maakt de overgang mogelijk tussen "de zorg" van Jezus (en de Marciaanse gemeente) over het afwijzen van de verkondiging van het Koninkrijk van God en de uitleg van de parabel van de zaaier. In deze uitleg zal het gaan om vier manieren van "horen": drie manieren die in niets verzanden, en een manier die uitgroeit tot het voortbrengen van een immense hoeveelheid "vruchten".

Hoewel het perspectief van de uitleg (A") dus anders is, volgt die wel getrouw de elementen van de parabel uit deel A.

Bij de eerste groep van hoorders is het zaad geen lange tijd beschoren: vrijwel onmiddellijk komt Satan om het weg te graaien. "Satan" is de tegenspeler van God, hij sticht verwarring, stelt alles in vraag, benoemt iets al gauw als naiviteit, is cynisch, drijft mensen uiteen, twijfelt aan de goede bedoelingen enz. enz. De malafide maar spitsvondige werkwijzen van Satan zijn legio! Welnu, voor Satan is het "een makkie" om Jezus en zijn verkondiging onderuit te halen!

Bij de tweede groep van hoorders speelt de oppervlakkigheid hen parten. Het gaat om mensen die best positief staan tegenover Jezus en zijn boodschap, maar te weinig tijd vrij maken om er zich echt in te verdiepen, omdat het voor hen niet belangrijk genoeg is. Zo gauw de wind omslaat en het leerlingschap van Jezus ook iets blijkt te "kosten", is men weg.

Bij de derde groep van hoorders is er iets anders dat hen vervreemdt van Jezus en zijn boodschap: dat zijn de dagelijkse zorgen en de begeerte naar geld en rijkdom. Deze mensen staan open voor Jezus en zijn boodschap, maar verliezen telkens weer de band omdat hun aandacht verdeeld is: er is ook zoveel dat om aandacht vraagt, in je gezin, in je werk, in je sociale omgeving. En hoe gemakkelijk is het niet om echt op te gaan in de zorgen die je hebt? Of omgekeerd: hoe moeilijk is het niet om je niet te laten opvreten door je zorgen, zorgen die heel reeel zijn en soms ook heel zwaar doorwegen? Of, vanuit evangelisch perspectief: hoe kun je vanuit je zorgen verbonden blijven met Jezus en de levengevende Vader?

Bij de vierde groep hoorders gaat het er echt anders aan toe: zij horen het woord (het Woord), en zij "aanvaarden" het en dragen vrucht. Deze mensen zijn echt "ontvankelijk" voor Jezus en zijn boodschap, en laten zich niet afleiden of intimideren door de meningen van anderen of de verwachtingen die de samenlevingen van hen heeft. Zij zijn vrij. Zij beluisteren het Woord en proberen ernaar te leven: zoeken naar gemeenschap en naar wat "gemeenschappelijk" is, zoeken naar stilte en gebed, zoeken naar wie niet meetelt of afgeschreven wordt, het leven delen en meedelen, enz. enz.
Door het Woord vertrouwen te schenken en het te doen, ondervinden zij dat het Woord levenskrachtig is en betrouwbaar, en in die zin "bewaarheid" wordt (en "waarheid" wordt).
Het onderricht van Jezus in deze eerste 20 verzen van hoofdstuk 4 is ongemeen rijk. Het opent veel perspectieven, en stelt zowel mijzelf - persoonlijk - als de gemeenschap (de Kerk) voor tal van vragen. Deze vragen formuleren, uitspreken en delen is op zich al een manier van "luisteren" ("horen")!

In de contemplatieve dialoog oefenen we ons in het worden van goede hoorders, die vruchten mogen dragen - tot eer en geluk van God, van de mensen en van onszelf.

Appendix 2

Jezus onderricht zijn leerlingen door parabels (Frans Essel)

Marcus 4,1-20
[1] Weer ging Hij naar het meer om de mensen te onderwijzen; er kwam een enorme menigte om Hem heen staan. Daarom ging Hij in de boot op het meer zitten, terwijl de menigte op de oever bleef staan. [2] Hij onderwees hen uitvoerig en sprak hen toe in gelijkenissen. Hij zei: [3] "Luister. Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien. [4] Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg, en de vogels kwamen en aten het op. [5] Een ander deel viel op rotsachtige grond, waar maar weinig aarde was, en het schoot meteen op omdat het niet diep in de grond kon doordringen; [6] en toen de zon opkwam verschroeide het jonge groen, en omdat het geen wortel had droogde het uit. [7] Weer ander zaad viel tussen de distels, en de distels schoten op en verstikten het en het bracht geen vrucht voort. [8] Maar er waren ook zaadjes die in goede grond vielen en wel vrucht voortbrachten: ze schoten op en groeiden en droegen vrucht. Sommige leverden het dertigvoudige op, andere het zestigvoudige en weer andere het honderdvoudige." [9] En Hij zei: "Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!"

[10] Toen Hij weer alleen was met zijn volgelingen en met de Twaalf, stelden ze Hem vragen over de gelijkenissen. [11] Hij zei tegen hen: "Aan jullie is het geheim van het Koninkrijk van God onthuld; maar zij die buiten blijven staan, krijgen alles te horen in gelijkenissen, [12] "opdat ze scherp zien, maar geen inzicht hebben, opdat ze goed horen, maar niets begrijpen, anders zouden ze zich bekeren en vergeving krijgen."
[13] Hij zei tegen hen: "Begrijpen jullie deze gelijkenis niet? Hoe zullen jullie alle andere gelijkenissen dan begrijpen? [14] De zaaier zaait het
Woord. [15] Sommigen zijn als het zaad dat op de weg valt: het Woord wordt wel gezaaid, maar wanneer ze het gehoord hebben, komt meteen Satan om het Woord weg te graaien dat in hen gezaaid is. [16] Anderen zijn als het zaad dat op rotsgrond is gezaaid: wanneer zij het Woord hebben gehoord, nemen ze het meteen met vreugde in zich op, [17] maar in hen schiet het geen wortel, ze zijn te oppervlakkig, en als ze vanwege het Woord worden beproefd of vervolgd, houden ze geen ogenblik stand.[18] Weer anderen zijn als het zaad dat tussen de distels is gezaaid: ze hebben het Woord wel gehoord,[19] maar de zorgen om het dagelijks bestaan en de verleiding van de rijkdom en hun verlangens naar allerlei andere dingen komen ertussen en verstikken het Woord, zodat het zonder vrucht blijft. [20] Maar er zijn ook mensen die zijn als het zaad dat op goede grond is gezaaid: zij horen het Woord en aanvaarden het en dragen vrucht, sommigen dertigvoudig, anderen zestigvoudig en weer anderen honderdvoudig."

Jezus gaat naar het meer om die mensen die willen luisteren te onderrichten. Allen die zijn broers en zusters willen worden, zijn zijn publiek. Hij vormt zijn leerlingen in de allereerste plaats door het vertellen van parabels.

In de parabel van de zaaier die we vandaag beluisteren, gaat het in de eerste plaats om de zaaier, om Jezus zelf. Het is immers van groot belang dat op een bepaald ogenblik de zaaier uitging om te zaaien, dat Jezus kwam om zaad van vreugde en hoop in de mensengeschiedenis te zaaien. Dat alleen is al Rijk Gods in ons midden.

Het probleem waarom mensen kijken en niet zien en luisteren, maar niet horen en zich niet bekeren, is een probleem dat ook bij de beginnende Kerk aan de orde zal zijn geweest. Waarom gelooft niet iedereen in het evangelie dat wordt verkondigd?

Het blijft ook vandaag een actuele vraag. Wordt het dan niet aan iedereen gegeven de geheimen van het Rijk Gods te kennen? Het geheim van de genade van de ontvankelijkheid zullen wij wel nooit helemaal begrijpen. Maar toch zal dit geheim nooit helemaal losstaan van de omgeving die de mens rond zichzelf bouwt.

In de uitleg die Jezus geeft, zien we dat slechts een van de vier groepen het Woord in zich opneemt om het vrucht te laten dragen. De anderen hebben het Woord ook gehoord, want het ligt gezaaid in hun binnenste, maar het kan de duur van het leven niet doorstaan. Het kwaad, het lijden en de rijkdom zijn drie verschillende oorzaken die het Woord doen sterven in het hart van de mens.

Het Rijk Gods wordt dus niet opgedrongen. Het groeit en wordt vruchtbaar waar het goede aarde vindt. Opdat het zaad zou groeien, moet dus aan de bodem worden gewerkt, eerst en vooral bij onszelf, maar ook aan onze inzet voor anderen. In de eerste Kerk had men de ervaring dat er mensen zijn die leven bij het ogenblik en geen wortel schieten in het geloof, of door de zorgen om de rijkdom hun leven laten verstikken. Onze pastorale problemen zijn niet nieuw. Daarom mogen wij ook de hoop in ons bewaren dat daar waar goede aarde is, er ook door de Heer gezaaid wordt en vruchten niet uit zullen blijven.

Hij die zaait gaat nog altijd uit om te zaaien. Om het zaad te zien groeien moet men kunnen kijken met de ogen van het geloof en mag men Jezus en zijn Kerk niet benaderen met een verharde en wantrouwige blik. Als wij maar wat goede grond kunnen zijn en in de opvoeding wat goede grond kunnen klaarleggen, wordt het evangelie weer vruchtbaar met vruchten van het Rijk Gods.

Marcus 4,21-25
[21] Tegen de menigte zei Hij: "Je steekt toch geen lamp aan om hem onder de korenmaat te laten uitdoven of onder een bed weg te bergen? Nee, je zet hem op een standaard. [22] Alles wat verborgen is, moet openbaar worden gemaakt, en alles wat in het geheim is ontstaan, moet aan het licht komen. [23] Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!"

[24] Hij zei ook tegen hen: "Let goed op wat je hoort: met de maat waarmee je meet, zal jou de maat genomen worden, en er zal je zelfs meer worden toebedeeld. [25] Want wie heeft zal nog meer krijgen; maar wie niets heeft zal zelfs het laatste worden ontnomen."

Wanneer Jezus ons vandaag spreekt over de lamp op de standaard en over de maat die gebruikt wordt, dan gaat het toch in de eerste plaats om het horen van Gods Woord. Het zijn uitspraken die met de parabel van de zaaier verbonden worden. "Let op wat je hoort", zegt Jezus.

Het Rijk Gods moet zichtbaar worden. De lamp is het Woord dat gezaaid wordt, het evangelie of de persoon van Jezus zelf. Het is bedoeld als een licht voor de mensen die in duisternis zitten. Als Gods liefde mens wordt in deze wereld, dan is het om zichtbaar gemaakt te worden in tekenen van hoop, om een beweging op gang te brengen, om mensen rond Jezus te verzamelen, om het aangezicht van de wereld te vernieuwen. Niets wat Jezus brengt is geheim of verborgen. Het moet doorgegeven worden, anders kan het geen licht voor de wereld zijn.

Zo wordt ook ons eigen leven bepaald en onze roeping omschreven. Wij zijn als een lamp die Gods licht bevat dat moet uitstralen voor het oog van de mensen. Wij hebben het licht en de stralingswarmte van zijn liefde in ons, om er andere mensen mee te verlichten en te verwarmen.

En wanneer het Woord Gods niet doorgegeven wordt, maar uit angst of ongeloof onder de korenmaat of de rustbank verborgen wordt, dan nog is dat niet het einde. Eens zal het aan het licht komen, want wat gezaaid is zal ontkiemen en groeien. Gods Woord wordt nooit tevergeefs gesproken.

Het Woord over de maat die wij gebruiken, spreekt over iets anders. Het is een oproep om als christen barmhartig te zijn in onze dagelijkse omgang met medemensen. Er is een verband tussen Gods barmhartigheid voor ons en onze barmhartigheid voor medemensen, zoals het ons ook in het Onzevader geleerd wordt.

Belangrijk is evenwel dat wij die luisteren in grote mate ontvankelijk staan voor dit Woord. Dat wij dus goede grond vormen voor het zaad. Hoe ontvankelijker, hoe meer wij de vreugde van het Rijk zullen mogen ervaren. Daarom is het voor ieder van ons belangrijk dat wij het Woord van God, het hele evangelie willen ontvangen en ernaar leven, zodat wij het bezitten. Door te leven naar het Woord worden wij rijker in leven, rijker in liefde en meer geschikt voor het Rijk Gods. "Aan wie heeft, zal gegeven worden", is dan ook begrijpelijk, want het gaat over liefde en barmhartigheid.

Hoe ontvankelijker wij luisteren, hoe meer we zullen mogen beluisteren.

Marcus 4,26-34
[26] En Hij zei: "Het is met het Koninkrijk van God als met een mens die zaad uitstrooit op de aarde: [27] hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit, terwijl het zaad ontkiemt en opschiet, ook al weet hij niet hoe. [28] De aarde brengt uit zichzelf vrucht voort, eerst de halm, dan de aar, en dan het rijpe graan in de aar. [29] Maar zo gauw het graan het toelaat, slaat hij er de sikkel in, omdat het tijd is voor de oogst."

[30] En Hij zei: "Waarmee kunnen we het Koninkrijk van God vergelijken en door welke gelijkenis kunnen we het voorstellen? [31] Het is als een zaadje van de mosterdplant, het kleinste van alle zaden op aarde wanneer het gezaaid wordt. [32] Maar als het na het zaaien opschiet, wordt het het grootste van alle planten en krijgt het grote takken, zodat de vogels van de hemel in zijn schaduw kunnen nestelen."
[33] Met zulke en andere gelijkenissen maakte Hij hun het goede nieuws bekend, voorzover ze het konden begrijpen; [34] Hij sprak alleen in gelijkenissen tegen hen, maar wanneer Hij alleen was met zijn leerlingen, verklaarde Hij hun alles.

Het Rijk Gods wordt in het evangelie nooit bepaald. Jezus zegt dat het nabij is en dat het zelfs midden onder ons is, maar nergens geeft Hij er een klare omschrijving van. Het is een mysterievol gebeuren dat enkel in vele vergelijkingen enigszins inzichtelijk te maken is.

De parabels over het Rijk Gods die we vandaag beluisteren geven een beeld van hoe dat Rijk Gods in ons midden tot stand komt. Het beeld van het zelfgroeiende zaad en van het mosterdzaadje laat aanvoelen dat het Rijk Gods in een groeiproces aan het gebeuren is, dat het dus de tijd van de groei nodig heeft om te komen. Zonder het woord te noemen spreken beide parabels over een groot vertrouwen.

De parabel van het zelfgroeiende zaad is daarom ook de parabel van de geduldige landman die zijn vertrouwen op God stelt. Hij slaapt en staat op en onderwijl leeft hij in de zekerheid dat God zal voltooien wat Hij begonnen is. God heeft het initiatief genomen en in Jezus het beslissend begin gemaakt en daarin ligt ook de waarborg van de voltooiing. Wij moeten op God niet vooruitlopen. Zoals Jakobus ook zegt: "Heb geduld, broeders en zusters, tot de Heer komt. Denk eens aan de boer, die geduldig blijft wachten op de kostbare opbrengst van zijn land, tot de regens van najaar en voorjaar zijn gevallen" (Jak. 5,7). Wellicht is men tijdens het leven van Jezus en in de eerste Kerk wel wat ongeduldig geworden en begon men zich vragen te stellen over het zichtbaar worden van het Rijk Gods. Ook nu stellen mensen zich vragen waarom er niet met machtige tekens en wonderen wordt ingegrepen en waarom Jezus zijn tegenstrevers niet overtreft om het Rijk Gods ongehinderd tot stand te laten komen.

De parabel over het mosterdzaadje ligt in dezelfde lijn. Het begin van het Rijk Gods is klein en onopvallend. Wellicht veel te klein voor ons ongeduld en te nietig om er geloof aan te hechten. Maar het groeit tot het een grote boom wordt. Het Rijk Gods groeit in vrijheid tussen de mensen. God forceert het ritme van de menselijke vrijheid niet. Jezus heeft de wereld niet veroverd, maar enkel van Galilea naar Jeruzalem Gods liefde geopenbaard. Maar dit is voldoende om uit te groeien, want in Jezus is de kracht niet tegen te houden. Ook nu niet, wanneer wij vanuit de liefde van de Heer, hier en daar een klein begin maken aan het Rijk Gods.

In al ons pastoraal werken, in de geloofsopvoeding en religieuze begeleiding en in al ons bezig zijn mogen wij niet moedeloos worden en onszelf niet overschatten en dus deze parabels niet vergeten. Jezus geeft ze ons als beelden om ze in ons geheugen mee te dragen. Wij willen immers blijven beseffen dat God de groeikracht geeft in al wat wij doen. Jezus" verblijf op aarde was slechts een klein begin, ook de eerste Kerk en ook wijzelf zijn maar een klein begin. Maar het bezit een innerlijke groeikracht waaruit we vertrouwen mogen putten. Er is een tijd van zaaien, zegt Prediker, en er is een tijd van oogsten.

Vraag 9

Hoe vult Matteus dat aan? De drie gelijkenissen over "het zoeken naar zin".

Na Matteus" versie van de parabel van de zaaier (Mt. 13,1-23) en het onkruid in de tarwe (Mt. 13,24-30) en het mosterdzaadje (Mt. 13,31-35) en de uitleg bij de parabel van de zaaier (Mt. 13,36-43), zijn er nog drie gelijkenissen (Mt. 13,44-45). Ze geven ieder op hun manier iets herkenbaars aan van onze zoektocht naar wat ons leven richting en houvast kan geven.

9 A. Wat is de eigen invalshoek van Matteus?
1. Jezus is de nieuwe Mozes.

Zoals alle evangelisten, heeft Matteus zijn eigen achtergrond en ook een eigen publiek tot wie hij zich richt. Matteus heeft een joods publiek en wil duidelijk maken dat Jezus geen breuk betekent ten aanzien van de joodse voorgeschiedenis, maar dat Jezus helemaal in die lijn staat ofschoon Hij daar duidelijk een eigen wending aan geeft. Hij is, zo zegt Matteus, de vervulling van de joodse geschiedenis. Jezus is de nieuwe Mozes. Om dat te illustreren tekent hij Jezus af als Mozes. Dat blijkt duidelijk uit de structuur van zijn verhaal. Dat verhaal is opgebouwd rondom vijf grote redevoeringen van Jezus. Daarmee wil hij zeggen: zoals van Mozes gezegd werd dat hij de vijf eerste boeken van de Bijbel heeft geschreven, zo ook Jezus: vijf redevoeringen. De bergrede, de zendingsrede (de leerlingen die op pad worden gestuurd), en als derde de parabelrede waaruit we nu zullen lezen.

2. Het Rijk der Hemelen.

Hoofdstuk 13 bevat uitsluitend gelijkenissen over het Rijk der Hemelen. Matteus probeert duidelijk te maken wat daarmee bedoeld is. Het valt op dat Matteus als enige onder de evangelisten spreekt over Rijk der Hemelen, waar de anderen het hebben over het Rijk Gods. Als goede jood gebruikt Matteus een omschrijving waarmee hij de naam van God vermijdt. Want het kon niet dat men God rechtstreeks zou noemen of aanspreken. Maar zoals de andere evangelisten het hebben over het Rijk Gods, als over God die werkzaam is in onze geschiedenis hier en nu, zo heeft Matteus het over Rijk der Hemelen, niet over wat na dit leven komt of wat boven deze wereld is. Het gaat over de aarde waar wij leven, die tot hemel kan worden. De hemel is een omschrijving van de woonplaats van God. Welnu, God woont op aarde als bron van het ware, het goede en het schone dat onder ons te vinden is.

9 B. Waarom Matteus het Rijk der Hemelen vergelijkt met een schat die gevonden wordt?
1. Omdat mensen op zoek zijn naar iets van blijvende waarde.

Sommigen zijn druk op zoek naar iets waarmee ze zich kunnen verbinden; iets wat hun leven zin en betekenis geeft. In onze dagen kan men zich daar zelfs actief in trainen. Zoals leren mediteren. In deze drukke tijden, zeker heel prijzenswaardig.

2. Omdat de gelijkenis een verrassend antwoord geeft op dat zoeken.

Hier is sprake van een man die niets bijzonders doet of zoekt. Er is geen sprake van technieken die hij beheerst. Hij is ook niet in meditatie verzonken. Meest voor de hand liggend lijkt dat hij, gezien de context, gewoon aan het werk is. Er staat eenvoudigweg: hij vond een schat. En blijkbaar is hij daarover zo verheugd, dat hij die schat verbergt en de akker koopt. De schat is hem blijkbaar alles waard. Je denkt: die heeft geluk. Ongelooflijk veel geluk: een schat waarvoor je alles over hebt. En die hij zomaar vindt. Alsof hij er toevallig met zijn voet tegen stoot. Die heeft geluk! Doch er is een spanningsvolle dynamiek met de volgende gelijkenis: vinden n zoeken.

9 C. Waarom Matteus nu verder vertelt over een koopman die op zoek is naar mooie parels.
1. Omdat die man op zoek is.

Er wordt niet gezegd hoe lang het zoeken duurt en hoeveel tegenslagen hij reeds heeft moeten incasseren. Hoeveel keer hij zich reeds bedrogen heeft gevoeld, pseudoparels heeft gekocht die hem hebben teleurgesteld. Hij zoekt. Het zoeken heeft een goede naam in de Bijbel. Mensen die huis en goed verlaten en de wereld intrekken op zoek naar hun kostbare parel: kijk maar naar Abraham, en Mozes en Jezus. Wie op zoek gaan, drukken een verlangen uit. Ze zijn niet zelfgenoegzaam. Niet gesetteld. Het vergt soms een hele zoektocht eer we onze parel vinden. Er komt vaak veel studiewerk en opzoeking bij kijken, veel luisteren naar zinzoekers en mensen die iets te vertellen hebben. Maar ieder moet zijn/haar parel vinden. Dat gaat soms via vele kronkelwegen.

2. Omdat mensen op zoek zijn naar God.

Wie of wat mensen zich bij God voorstellen, levert heel verschillende beelden op. Tegengestelde beelden zelfs. Er is heel de geschiedenis door heel wat afgoderij blijven bestaan, ook binnen de officiele godsdienst. De Bijbel staat vol allusies op afgodische praktijken die zich ook binnen de eigen gemeenschap afspelen. En toch speelt dit alles zich af binnen de horizon van de zoektocht naar de parel die het leven glans kan geven.

In onze postmoderne samenleving is deze situatie alleen nog maar complexer geworden.

Waar vinden mensen nog iets betrouwbaars om hun leven op te bouwen?

3. Omdat het uiteindelijk gaat om wat je ontdekt als kostbare parel.

Er zijn talloze mogelijkheden die ons iets voorspiegelen dat ons leven glans kan geven. De markt dijt steeds meer uit. Kiezen wordt moeilijk en lastig. Mensen binden zich niet meer definitief en onherroepelijk. Het kan uiteraard leiden tot een zekere oppervlakkigheid, maar niet noodzakelijk. Het kan ook leiden tot een waardering voor visies die ons vroeger onbekend waren. En dat kan ook winst betekenen. We hoeven niet langer de gevangene te zijn van een enkele visie. Sommigen bekennen zich tot verschillende levensbeschouwingen tegelijk. christen en boeddhist bijvoorbeeld. Het hoeft echt geen nivellering of relativisme te betekenen. Maar het gaat uiteindelijk om wat je ontdekt. Niet als de waan van de dag of als het zoveelste probeersel, maar als kostbare parel.

Iets analoogs merken we in ons ethisch aanvoelen. We mogen dan terechtgekomen zijn in een heel gediversifieerde samenleving, waar geen enkele levensbeschouwing zich als superieur kan laten gelden, toch merken we dat er grenzen zijn waarachter we niet meer terug kunnen. Zelfs in de zakenwereld en in de politieke strijd, zijn er waarden die niet meer straffeloos ontkend kunnen worden. Dat betekent geenszins eensgezindheid. Wel een gedeeld streven naar menswaardigheid en waarachtigheid. Iets als "ethisch bankieren" willen de meeste banken toch op hun blazoen laten schitteren. Het geeft de indruk dat men oog en gevoel heeft voor humane waarden. Je moet uiteraard niet naief zijn. Maar je moet ook niet doemdenken. Zo zijn er ook kleine pareltjes die best mooi zijn. De jongeren die helemaal niets met de Kerk te maken hebben, maar die duidelijke keuzes maken voor sociale projecten, die zelfs een vaste financiele bijdrage afstaan, al moeten ze zelf spaarzaam met hun financies omgaan.

9 D. Waarom de derde gelijkenis die gaat over een sleepnet dat in zee wordt geworpen, daar mooi op aansluit.

Omdat wij in onze zoektocht naar wat echt waardevol is, niet ontkomen aan het zoeken, aan trial and error.

Het Rijk der Hemelen gelijkt op een sleepnet dat in zee wordt geworpen. Er is geen sprake van een filter die erop gemonteerd is. Neen, gewoon lukraak bijeenbrengen. Niet te vlug oordelen over wat goed is en wat waardeloos. Al te gemakkelijk zijn zaken weggegooid die achteraf toch heel deugdelijk bleken te zijn. En omgekeerd: het is niet omdat je zelf iets waardevols gevonden hebt, dat je andere zaken kunt verketteren of als minderwaardig bestempelen. En dat kun je alleen maar laten gebeuren. Je kunt het niet forceren. Niet te vlug toehappen. Je voelt wel aan wanneer je echt een kostbare parel gevonden hebt. Het maakt je tolerant en begrijpend voor mensen die andere opties in hun leven inbouwen.

Vraag 10

Waarom en hoe waakzaam zijn? De drie parabels in Matteus 25

Deze vijfde en laatste rede "over de laatste dingen" bevat drie zeer belangrijke parabels.

  1. De parabel over de tien bruidsmeisjes, waarvan er vijf wel en vijf geen olie meenamen voor hun lampen. Deze parabel roept op tot waakzaamheid en oplettendheid in dienst van Gods Koninkrijk.
  2. Deze parabel zegt echter niet uitdrukkelijk waarin die waakzaamheid bestaat. Dat vernemen we in de parabel van de talenten.
  3. Nog duidelijker wordt ons gezegd waaruit die waakzaamheid bestaat in de derde parabel over het eindoordeel, waar de talenten gelijkgesteld worden met liefde en barmhartigheid tegenover de allerminste van onze broeders en zusters. (Sylvester Lamberigts, 2006)
10 A. Wat bedoelt Matteus met "Wees dus waakzaam, want je kent dag noch uur" in de parabel over de tien bruidsmeisjes? (Mt. 25,1-13)

Mensen dienen "klaar te staan" en "voorbereid te zijn".

Matteus heeft het oorspronkelijke verhaal dus een plaats gegeven in Jezus" redevoering over het einde der tijden en de terugkeer van Jezus als oordelende Mensenzoon (de parousie). Hij heeft bovendien de laatste zin duidelijk zelf toegevoegd, zoals blijkt uit het feit dat hij die uitdrukking elders ook gebruikt (Mt. 24,36.42). "Wees dus waakzaam, want je kent dag noch uur". Het gaat trouwens niet zozeer om "waakzaamheid" in het verhaal, maar om "klaar staan" en "voorbereid zijn". Want ook de wijze meisjes vallen in slaap.

Bij Jezus" prediking van het Rijk Gods is er sprake van voorbereid zijn op het Rijk Gods: je moest je immers bekeren als je in dat Rijk wilde binnenkomen. Ook hier is weer sprake van het uitlokken van een reactie van de toehoorders en het verleiden tot zelfveroordeling. Jezus hoopt dat wie naar zijn parabel staat te luisteren zal zeggen: "Wat dom van die meisjes om zich niet voor te bereiden! Ze wisten toch dat de bruidegom zou komen!". Dan zal Jezus zeggen dat als ze dat vinden, ze dus eigenlijk vinden dat ze zelf ook dom zijn, want ze horen van Hem dat het Rijk Gods eraan komt en toch bereiden ze zich niet voor, want ze bekeren zich niet!

Bij Matteus krijgt het verhaal een eigen betekenis. Dit houdt verband met de "parousie-verwachting". Maar er waren daar in die periode problemen mee. De terugkomst van Jezus liet nogal op zich wachten. Dit bracht Lucas ertoe die verwachting af te zwakken of te relativeren. Matteus doet dit niet: hij is blijkbaar bang dat de waakzaamheid zal verslappen met alle mogelijks noodlottige gevolgen van dien. Hij gelooft dus wel degelijk nog in die spoedige terugkeer. En waar het volgens hem dan om zal gaan, is de afrekening voor de goede werken. Matteus is met andere woorden bang dat de inzet voor een hoogstaand evangelisch leven zal verslappen, omdat de verwachting van de parousie steeds minder aandacht krijgt.

Appendix 3

Bezinning bij de parabel van de tien bruidmeisjes

1. Het is dikwijls vruchtbaar om het niet op voorhand eens te zijn met de Bijbeltekst. Een echte dialoog met de tekst kan immers nauwelijks tot stand komen als de lezer de tekst al bij voorbaat gelijk geeft. Wil je de kans lopen door de Geest overtuigd te worden van een Bijbelse waarheid, dan moet je bereid zijn om aanvankelijk weerstand te bieden en tegenspraak te leveren. Het is altijd de moeite waard om dat risico te lopen. De tekst zorgt vrijwel altijd voor verrassende openingen.

2. Bij deze parabel valt het me niet moeilijk om het met de tekst oneens te zijn.

  • Zowel de wijze meisjes als de bruidegom maken een meedogenloze indruk, die strijdig is met wat wij geacht worden te willen: hulpvaardigheid, geduld, begrip, vergevingsgezindheid. In deze parabel worden deuren dichtgegooid voor degenen die zich vergist hebben. Maar was Jezus nu juist niet degene die deuren opende voor falende mensen? En als de wijze meisjes staan voor de "goede" christenen, moeten die dan de feestzaal binnengaan in het volle besef dat die anderen de boot gaan missen, misschien zelfs wel met een beetje leedvermaak? Moet je als volgeling van Jezus je eigen ziel willen redden met achterlating van anderen?
  • Er is nog een ander aspect dat ons niet bevalt: de wijze meisjes hadden vooruitgedacht, ze hadden reserves in huis gehaald, gespaard voor hun eigen behoeften in de toekomst, en die reserves wensten ze niet te delen met degenen die te veel in het nu hadden geleefd. Is de clou van het verhaal: zorg dat je altijd klaar bent, want zo niet, dan word je achtergelaten; zorg dat je voorraad hebt (liever te veel dan te weinig) en pas op met delen, want dan mis je zelf misschien de boot?

3. De olie is iets onmededeelbaar. Iemand heeft een moderne versie geschreven, over meisjes die naar een popconcert gingen en aanstekers bij zich hadden. De dwaze meisjes hadden in hun voorpret al zoveel met die aanstekers gespeeld, dat ze leeg waren toen de sterren het podium betraden, zodat ze niet mee konden zwaaien met hun vlammetjes. En de wijze meisjes die zuinig waren geweest, konden hun aansteker natuurlijk op het moment supreme niet delen. In die versie lees je de hint dat de lamp en de olie misschien staan voor iets wat niet mededeelbaar is, iets intrinsiek persoonlijks. Iets wat je niet kan uitlenen, omdat het onvervreemdbaar is: je kunt het een ander wel gunnen, maar die ander moet het zelf verwerven. In deze parabel is dat de ontvankelijkheid voor Gods scheppende liefde. Dat is de olie. Het is ook een volgehouden en aandachtig verlangen om antwoord te geven op die scheppende liefde.

Parabels - voorgelezen of uitgebeeld - laten ons nooit koud. Ze veroorzaken integendeel onrust. Het verhaal laat ons niet onberoerd, omdat we goed aanvoelen dat om toegang te verkrijgen tot het feest in Gods Koninkrijk, tot een bruidsleven met Hem als bruidegom - er van onze kant een leven tegenover moet staan dat daaraan beantwoordt. De bruid moet de bruidegom waardig zijn. Het Rijk Gods is geen feestzaal waar jan en alleman zonder toegangskaartje zal binnen geraken. Er zal nagegaan worden wat je van je leven terecht hebt bracht. We weten maar al te goed dat we er niet willekeurig om het even wat van mogen maken, dat niet alles zomaar door de beugel kan. God neemt ons als partner au serieux - dat beseffen we maar al te goed. Hoe men ook poogt dat aanvoelen het zwijgen op te leggen en het weg te wuiven - het besef houdt stand dat we verantwoordelijk zijn voor ons doen en laten.

Wat wordt hier met de olie bedoeld? Het is zoals in elke liefdesverhouding: de ene is aan de ander onderlinge liefde verschuldigd. De bruidegomsliefde waartoe de Heer ons uitnodigt, moet met bruidsgenegenheid worden beantwoord. Deze draagt de kenmerken van trouw gegeven zijn aan Hem en 'de minsten van de zijnen'. Zij is de olie die de lampen brandend houdt.

De vijf domme meisjes begingen een fatale fout. Ze hadden verwacht aan het bruiloftsfeest zonder meer, naief weg, zonder tegenprestatie, te kunnen deelnemen. Een grondige misrekening. Want het feest dat de Heer geeft, is geen vrijblijvend avondje uit. Je moet je op de gepaste manier kunnen aanmelden door een palmares voor te leggen van zich wegschenkende liefde die naar de Bruidegom en de zijnen uitgaat. De fatale fout was dat de meisjes dachten dat de liefde van een kant kon komen.

Het is goed dat wij op tijd en stond aangemaand worden om waakzaam te zijn en voorbereid: 'Wees gereed, want je kent dag noch uur.' Lichtvoetig door het leven gaan mag, maar je moet wel te allen tijde de olie van de wederzijdse liefde bij je hebben. Als plotseling in de nacht van de dood het einde aanbreekt, dan is dat einde geen duisternis en vergetelheid, maar het helle licht van de bruiloft met God de Heer. Om er aan deel te nemen, mag de olie niet ontbreken. In dat licht moeten vaststellen dat je er toch geen bij hebt, is fataal: hoe goed de Bruidegom ook is, zonder wederzijds betuigde liefde kan er geen bruiloft zijn.

10 B. Over welke "talenten" gaat het in "De parabel van de talenten"? (Mt. 25,14-30)
1. Het verhaal heeft niets te maken met de idee dat God van ons verwacht dat we onze talenten ontwikkelen, zoals de uitleg klinkt die we tegenwoordig meestal horen.

Het ontwikkelen van zijn talenten is om te beginnen al geen erg joodse of Bijbelse idee.

Het is eerder iets Grieks-Romeins. Jezus heeft daartoe niet opgeroepen. Hoe dikwijls wordt niet de raad gegeven aan jonge mensen dat ze hun talenten moeten ontwikkelen? En christenen verwijzen dan naar Jezus' parabel uit het evangelie volgens Matteus, die inderdaad aan de oorsprong ligt van de huidige betekenis van het woord "talent" in onze moderne talen. In het evangelie betekent "talent" echter niet een aangeboren begaafdheid of aanleg voor iets. Talent was in Jezus' dagen in de eerste plaats de maat voor een gewicht: ongeveer 25 tot 30 kilo. En daarom was het ook de maat voor een hoeveelheid geld. "Talent" staat in de NBV in het enkelvoud, zoals ook het geval zou zijn indien het over euro of dollar zou gaan. Een talent stond gelijk aan 6.000 denarien. In een andere parabel van Matteus (Mt. 20,2) is een denarie het dagloon van een arbeider. Dus vijf talent is een enorme som van 30.000 daglonen!

Als de heer uit de parabel staat voor de hemelse Vader, dan zijn de talenten niet onze begaafdheden. Ze staan voor Gods schepping die aan de mens is toevertrouwd, voor alles wat God ons in zijn goedheid tot onze beschikking stelt. De parabel is dus geen aansporing tot de ontwikkeling van onze persoonlijkheid en van onze persoonlijke bekwaamheden in dienst van onze zelfontplooiing, van onze eigen toekomst en van ons privaat geluk. De parabel heeft niets te maken met de raad aan schoolkinderen dat ze goed moeten studeren en maximaal hun "talenten ontwikkelen" om later zo veel mogelijk te kunnen produceren en verdienen. Voor de Heer geldt dat iedere dienaar zo goed mogelijk zorg draagt voor wat hem door de Heer is toevertrouwd. Dat is het enige dat telt.

2. En wat doen de dienaars met wat hun is toevertrouwd?

  • De eerste twee dienaars verdubbelen het hun toevertrouwde deel. Van respectievelijk vijf en twee talent, weten zij er tien en vier te maken. De derde dienaar echter doet niet meer dan zijn deel veilig en zonder risico bewaren.
  • Wanneer later de afrekening komt, worden de eerste twee dienaars door de heer geloofd als "voortreffelijke, goede en betrouwbare dienaars". Zij zijn welkom bij het feestmaal van hun heer. De derde dienaar echter wordt door de heer "slecht" en ook "lui" genoemd.
  • Het Griekse woord (oknoros) dat hier gebruikt wordt, betekent: talmend, aarzelend, onbeslist, besluiteloos, bang. Het is de houding van iemand die niet kan besluiten om aan de slag te gaan, iemand die geremd is, die misschien wel zou willen, maar het niet durft.
  • De NBV vertaalt het door "laf'. Laf is iemand die uit angst wegvlucht uit een situatie waarin op hem beroep wordt gedaan. Dat hij bang is, zegt deze dienaar trouwens zelf: "Uit angst besloot ik uw talent te begraven" (v. 25). Er zijn mensen die bang zijn om iets verkeerd te doen en doen daarom helemaal niets. Zij gebruiken hun mogelijkheden niet en durven niet uit hun schelp komen. Zij trekken zich passief in een hoekje terug en graven zich in.
  • Wie het Matteusevangelie een beetje kent, weet dat woorden zoals "vrezen", "bang zijn" en "aarzelen" door hem gelijkgesteld worden met "kleingelovigheid". Zo bijvoorbeeld in het verhaal van het stillen van de storm, waar Jezus tot zijn leerlingen zegt: "Waarom hebben jullie zo weinig moed, kleingelovigen?" (Mt. 8,26) Hetzelfde horen we in het verhaal van Petrus, die over het water naar Jezus toestapt, maar dan plots bang wordt; hij krijgt van Jezus het verwijt te horen: "Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?" (14,31) Diezelfde "kleingelovig-heid" wordt ook in deze parabel van de talenten bedoeld, zoals trouwens blijkt uit het feit dat de eerste twee dienaars niet alleen "goed", maar ook pistis worden genoemd, een Grieks adjectief dat door "betrouwbaar" wordt vertaald, maar dat ook "gelovig" betekent.

3. Bang voor verantwoordelijkheid...

  • Een praktijk uit de rabbijnse rechtspraak ontsloeg iemand van zijn verantwoordelijkheid, wanneer hij een hem toevertrouwde geldsom in de grond stopte om ze te bewaren. De derde slaaf zocht daarin zijn persoonlijk heil: bevrijding van de last van een verantwoor-delijkheid. En hij beschuldigt daarbij nog zijn patroon! Het is waar dat zijn heer binnenhaalt waar hij niet heeft uitgestrooid. Maar is dat een teken van hardheid? Of is het integendeel niet de uitdrukking van een groot vertrouwen dat verwacht dat de knechten delen in de zorg en de verantwoordelijkheid van hun heer? Daarom worden de eerste twee dienaars uitgenodigd om "binnen te treden in de vreugde van de heer'. Zij die hebben gedeeld in zijn zorgen, kunnen ook delen in zijn vreugde. De derde slaaf is ieder die God niet vertrouwt, maar in Hem een boeman ziet. In zijn bezorgdheid voor zichzelf, deelt hij niet in Gods zorg voor de gang van zaken in de wereld. Hij is niet begaan met Gods schepping. Hij geeft niet om de wereldvrede, ligt niet wakker van de slachtoffers van de vele oorlogen en het geweld dat mensen elkaar aandoen, of van de armoede en de honger van anderen. Hij weigert Gods medewerker te zijn en verliest daarmee ook de bron van de ware vreugde.
  • In deze parabel heeft Matteus de scrupuleuze en conservatieve christenen van zijn kerkge-meenschap op het oog die, uit angst om verkeerd te handelen, blijkbaar geen enkel risico durven nemen, die alles laten zoals het is en wier grote zorg erin bestaat alles wat de Heer hen toevertrouwde, alleen maar veilig op te bergen en te handhaven. Zulke houding wordt radicaal afgewezen.

4. Waakzaamheid zoals Jezus die wil, betekent het ons toevertrouwde erfdeel gebruiken en vrucht laten dragen.

      • We mogen het goede zaad niet zo diep onder de grond begraven dat het verstikt. Christenen moeten hun geloof in Jezus vertalen in daden van liefde, zonder benepen angstvalligheid, zonder vrees voor risico"s. Wie zijn leven wil redden en behouden, zal het zeker verliezen. Hij zal uiteindelijk met lege handen staan en vruchteloos geleefd hebben. Jezus houdt van "avontuurlijke" mensen, die iets wagen en ondernemen. Natuurlijk kun je dan falen, maar wie alleen angst heeft om te falen, zal zeker falen. Wie nooit iets verkeerd doet, heeft niet echt geleefd. Jezus wil ons bevrijden van onze angst. Christenen zijn mensen die durven en handelen, geen bangeriken en geen conservatieven die het echte leven schuwen.
      • Om op dit punt zeker niet mis verstaan te worden, geeft Jezus in de laatste parabel die Hij vertelt en die onmiddellijk volgt op het verhaal van de talenten, een aantal voorbeelden die duidelijk maken welke vruchten Hij op de eerste plaats bedoelt: eten en drinken geven aan wie honger en dorst heeft, de vreemdeling onderdak bezorgen, de naakte kleden, de zieke en de gevangene bezoeken. Het gaat dus om daden van liefde en barmhartigheid jegens medemensen in nood, met wie Jezus zelf zich vereenzelvigt. Dat zijn de vruchten die van christenen verwacht worden. Die talenten (gaven van liefde die we ontvingen) moeten we vrucht laten dragen, iedereen - in zijn eigen levensomstandigheden. Voor Jezus - en Matteus volgt Hem hierin - is "geloven" duidelijk een werkwoord. Het is allereerst een kwestie van "doen", van dagelijks "beleven". Bang in je schelp terugkruipen, alles bij het oude en het vertrouwde laten, alles veilig opbergen en niets meer wagen, zijn houdingen die niet passen bij een christen. Trouw zijn aan de boodschap van Jezus betekent: de handen uit de mouwen steken, proberen en durven, risico"s lopen, verbeelding en fantasie hebben, niet ouderwets zijn, bij de tijd blijven, oog en oor hebben voor wat er rondom je gebeurt, je creatief, zonder berekening en met al je mogelijkheden inzetten voor medemensen in nood.

5. Jezus geeft ons het voorbeeld.

  • Jezus is Gods trouwste en meest voortreffelijke dienaar. Het evangelie staat er vol van. Hij gebruikt al zijn mogelijkheden om het Koninkrijk van zijn God te verkondigen en te realiseren. Hij zoekt de mensen op, zonder iemand uit te sluiten, maar de armen het eerst, en door zijn liefde komt het in hen te voorschijn. Hij trekt rond, Hij onderneemt iets, Hij is van de morgen tot de avond actief en Hij geeft vooral blijk van durf. Angst voor God of om iets verkeerd te doen, heeft Hij niet. Integendeel, uit het gebed tot zijn Vader put Hij juist de kracht om echt mens te zijn zoals God het wil, vooral door medemensen in nood te helpen en uiteindelijk zijn leven voor hen te geven. Het slaafs en bang in stand houden van een bepaalde orde is voor Hem niet voldoende. In Gods naam wil Hij de wereld immers veranderen en verbeteren. Daarom verlegt Hij voortdurend grenzen, duldt Hij geen middelmatigheid, geen sleur, geen fatale berusting of passief afwachten. Hij durft te geloven in de mogelijkheden van eenvoudige en gewone mensen. Hij durft het aan ongeschoolde vissers uit te kiezen om van hen zijn rondreizende predikers te maken. Op het eerste gezicht lijkt dit hoogst onrealistisch. Vissers zijn vissers en horen bij hun netten. Deze orde mag je niet verstoren. Maar Jezus doet het toch, en met welk resultaat. Op sabbat behoor je de handen vrij te houden om God te dienen. Zo wil het de religieuze orde. Maar Jezus durft ook deze orde doorbreken. Hij laat zich ook op sabbat rustig inpalmen door zieken en miseriemensen. In plaats van hen volgens het religieuze boekje af te wijzen, geneest Hij hen, terwijl Hij zegt: "De sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat" (Mc. 2,27). Misschien is dat wel de meest humanistische en de meest gedurfde uitspraak die Hij ooit gedaan heeft. Als van iemand gezegd kan worden dat hij zijn talenten niet begraven heeft, dan is het wel van Jezus.

6. Meer over het zogenaamde Matteuseffect.

In vers 29 wordt gezegd dat "wie heeft, nog meer zal krijgen en dat aan wie niets heeft, zelfs nog zal worden ontnomen wat hij heeft". Anders gezegd: rijken (en rijke landen) worden steeds maar rijker en armen (en arme landen) steeds maar armer. Men heeft dit het "Matteuseffect" genoemd. Op zichzelf beschouwd verwoordt deze uitspraak natuurlijk een evident onrecht en is zij allesbehalve evangelisch. Je moet ze echter lezen in de context van deze parabel, waar zij als een bijkomende aansporing functioneert om je talent niet te begraven, maar ermee te werken en te woekeren. Anders ben je niemand.

Appendix 4

Liefhebben vraagt edelmoedigheid zonder schrik (Bezinning door Frans Mistiaen s.j.)

Een heer vertrouwt zijn dienaren heel zijn kostbaarste bezit toe. God vertrouwt ons zijn eigen leven, zijn liefdekracht toe, de mogelijkheid om te beminnen, het vermogen om lief te hebben. Wat een vertrouwen! Wat een onverwacht geschenk! Wat een gulle Gever! Alleen de roekeloosheid van de Liefde kan zoiets doen. Maar, wat doen wij met die ontvangen liefdekracht?


Andere parabels benadrukken vooral een eerste reactie: namelijk onze dankbaarheid tegenover God.
De parabel van vandaag benadrukt vooral een tweede reactie: ons rendement, onze vruchtbaarheid.
Het beste, het meest dankbare antwoord dat wij kunnen geven op Gods geschenk is: met de ontvangen liefdekracht werken, zodat de liefde dubbel rendeert.

Maar blijkbaar reageren wij niet altijd zo. Er zijn momenten dat wij ons eerder gedragen als de derde dienaar. Zijn reactie lijkt ons op het eerste gezicht niet zo slecht. Hij was toch correct en voorzichtig.
Waarom geraakt hij dan alles kwijt?

  • Omdat God - die Liefde is - blijkbaar van ons meer verwacht dan correctheid en voorzichtigheid.
  • Omdat God - die Liefde is - niet kan verdragen dat wij zouden leven vanuit schrik en onderdanigheid.
  • Omdat God niet kan verdragen dat wij alleen zouden doen wat verplicht is.
  • Uiteindelijk omdat God geen veeleisende tiran is, maar een gulle Gever van levensgeschenken.


De derde dienaar bederft het geschenk door zijn schrik. Het is iemand die niet veel plezier beleeft aan zijn God, iemand die meent dat hij zich moet beschermen tegen een dreigende God en daarom zijn ontvangen liefdekracht wegstopt in de grond. Angst verlamt regelmatig onze liefde.
Uiteindelijk bleef het geschenk voor hem iets vreemds, buiten hem. Hij zegt dat ook: "Heer, hier hebt Gij terug wat van u is". Hij had Gods geschenk innerlijk nooit volledig aanvaard. Hij had Gods talent niet tot 'zijn eigen persoonlijk' talent gemaakt.

Gelukkig zijn er ook de dagen dat wij reageren als de eerste twee dienaars. Het zijn de momenten waarop wij leven vanuit een gevoel van grote dankbaarheid. Het zijn de dagen dat wij erkennen waarin God de liefdevolle Heer van de schepping is die iedereen heel zijn liefde toevertrouwt, origineel aangepast aan elke mens. Ieder krijgt, volgens zijn eigen capaciteiten, de volle maat van de liefde.
En in dit geschenk ligt de stilzwijgende uitnodiging om het te laten renderen, om het met grote inzet vruchtbaar te maken. Gods gave wordt door ons volledig aanvaard als wij de liefde werkelijk gaan beschouwen als onze eigen verantwoordelijkheid.
En zo verwacht God van ons dus aangroei van de liefde, actieve dienstbaarheid, dynamisme, lef, slagvaardigheid en veel persoonlijk initiatief bij het beoefenen van onze liefde. Wie echt liefheeft, is niet krenterig, maar wil veel plezier doen. Angstige liefdeloosheid leidt tot verlies van alles. Gulle edelmoedigheid in de liefde leidt tot de vreugde van het volle leven.

Zoals steeds stelt een parabel ons voor een nogal radicale keuze en toont ons wit-zwart waar het op uitloopt als wij verder leven in de ene of in de andere richting. Kiezen wij ervoor Gods liefdekracht in ons te zien als een bedreigende verplichting of als een waardevol geschenk? Kiezen wij ervoor God te ervaren als een veeleisende tiran of als een gulle Gever? Kiezen wij ervoor te leven in vrees en verstarring of onze liefde te tonen met dankbaarheid en edelmoedigheid? Kiezen wij ervoor om alles te verliezen of om overvloed van leven te ontvangen?

10 C. Hoe sluit de derde parabel - over een koning die tegelijk Rechter en Herder is - aan bij de vorige over de talenten? (Mt. 25,31-46)
1. De derde parabel geeft inhoud aan onze vruchtbaarheid.

  • De laatste parabel die Jezus vertelt en die onmiddellijk volgt op het verhaal van de talenten wil duidelijk maken welke vruchten Hij op de eerste plaats bedoelt: eten en drinken geven aan wie honger en dorst heeft, de vreemdeling onderdak bieden, de naakte kleden, de zieke en de gevangene bezoeken. Het gaat dus om daden van liefde en barmhartigheid jegens medemensen in nood, met wie Jezus zich vereenzelvigt. Dat zijn de vruchten die van christenen verwacht worden. Voor Jezus - en Matteus volgt Hem hierin - is "geloven" duidelijk een werkwoord. Het is allereerst een kwestie van "doen", van dagelijks "beleven". Trouw zijn aan de boodschap van Jezus betekent: de handen uit de mouwen steken en oog en oor hebben voor wat er rondom je gebeurt, je creatief, zonder berekening en met al je mogelijkheden inzetten voor medemensen in nood.
  • Het is als rechter dat Hij zegt wat die talenten inhouden en wat we er moeten mee aanvangen, en dat is er altijd zijn voor onze medemensen. Dat zijn de talenten van Liefde die de Heer onze God ons geeft, en de vragen die Hij ons daarbij stelt, want Hij is een goede Herder, maar ook een eerlijke rechter. Als Koning is God zowel de Herder als de Rechter van het volk. En ons antwoord op die vragen hangt helemaal af van wat wij terechtbrengen van het ene gebod dat Jezus ons heeft gegeven: bemin God bovenal, en uw naaste zoals uzelf. Doen we dat niet, dan brengen we niets terecht van de talenten die we gekregen hebben van de Heer onze God. Dan bouwen we niet mee aan een wereld die een hemel is op aarde. Dat is niet de wereld die de Heer onze God bij de schepping heeft gewild, en waar Jezus zich voor ingezet heeft. Want Hij is bezig met ons en met alle mensen, ook al zijn wijzelf niet met Hem bezig. En Hij weet wat we aan de geringsten van zijn schepping gedaan of niet gedaan hebben, want dat hebben we ook aan Hem wel of niet gedaan.

Jezus zegt ons: "Je beseft het misschien niet, maar toen je die asielzoeker hebt opgenomen in je huis, heb je Mij opgenomen. Toen je die zwerver een broodje gaf, gaf je dat aan Mij. Toen je eten ging ophalen voor de Voedselbank, heb je voor Mij eten gehaald." Het maakt wel uit of we ons daarvan bewust zijn. Als je alleen maar denkt aan winst maken en niet aan de gevolgen voor je medemens, dan hoor je thuis in de groep waartegen de Heer zegt: "Je beseft het misschien niet, maar toen je zo fel tegen de komst van het asielzoekerscentrum was, heb je Mij weer de straat opgestuurd. Toen jij vond dat tien procent winst niet genoeg was en je je fabriek verplaatste naar een lagelonenland, heb je Mij het brood uit de mond gestoten."
Wij moeten ons samen sterk maken om met Christus mee te werken aan zijn taak om de schepping te voltooien. Als we ieder op onze eigen plek goede herders zijn voor elkaar en proberen de wereld een beetje beter te maken, komt die voltooiing er misschien toch nog eens. Dan komt er een tijd waar ieder genoeg heeft en in vrede kan leven. (Liesbeth Verkade)

2. Het meest fundamentele is het uiteindelijke (en omgekeerd) (Frans Mistiaen s.j.)

De evangelietekst biedt ons een voorbeeld van een gekend literair procede in de Bijbel. Met veel beelden wordt een beschrijving gegeven van gebeurtenissen die de schrijver verplaatst naar het eerste begin of naar de uiterste toekomst, het einde der tijden. Dit is dan geen letterlijk relaas van gebeurtenissen, maar een beeldrijk verhaal dat op een symbolische manier iets duidelijk maakt (openbaart) over het meest fundamentele wat nu in het heden aan het gebeuren is, maar nog versluierd blijft. Wij lijken dus een ooggetuigenverslag te krijgen van de zogenaamde eerste of laatste dagen, maar de bedoeling is ons, met veel symboliek, iets te vertellen over wat er vandaag in onze werkelijkheid aan het gebeuren is, maar dan wel nog verborgen, in de diepte. Dit is een manier om de diepere werkzaamheid van God in onze huidige mensenwereld uit te spreken, te openbaren. Laten wij die teksten lezen, niet als een letterlijke reportage over het toekomstige einde van onze wereld, wel als een beeldrijke "openbaring" van de uiteindelijke bedoelingen van God met ons, nu.

3. Wij zien Christus en God als onze uiteindelijke Herder en Rechter.

  • Uiteindelijke Herder. Dat betekent dat wij willen geloven dat de diepe bedoeling van onze mensenwereld is dat wij allen ter bestemming komen bij God, zoals de schapen, ook de verdwaalde, ook de verwonde, uiteindelijk allemaal door de herder worden bijeengebracht in de veilige geborgenheid van de stal. Wij willen geloven dat wij op weg zijn in de voetsporen van de Heer, die als een herder ieder van ons persoonlijk bij name kent en voor ons zijn leven geeft.
  • Uiteindelijke Rechter. Het beeld van de Rechter begrijpen wij volledig verkeerd als wij denken dat God zou straffen om wraak op ons te nemen. Een rechter is niet iemand die wraak wil nemen, maar iemand die recht doet aan het goede. Zolang wij leven, blijven goed en kwaad steeds met elkaar vermengd. En dat kan sommige mensen hopeloos maken. Zij vragen zich angstig af: "Zal het goede uiteindelijk wel krachtig genoeg zijn om de bovenhand te halen?" Als wij, christenen, God aanvaarden als uiteindelijke Rechter, dan betekent dit dat wij geloven dat Hij wel de kracht heeft om het kwade te scheiden van het goede, juist om alleen het goede te laten verder leven. God maakt dus nu reeds wel een scherp onderscheid, een heilzame scheiding, juist om het goede definitief te redden. Wij geloven in een God die recht verschaft aan het goede en ons altijd de kracht geeft om het kwade te overwinnen. Dat laat ons toe nu te leven als hoopvolle mensen. En het evangelie legt zo de nadruk op de tegenmogelijkheid van vernietiging en dood omdat de mens vrij is en dus ook die keuze kan maken. Vermits God Liefde is en dus niemand wil dwingen, respecteert Hij de vrijheid van de mens, ook als die het aangeboden goddelijk leven wil weigeren. Wie echt wil kiezen voor het kwaad, kan dat, maar hij haalt dan wel over zichzelf vernietiging en dood. Het is niet God die op het einde de slechte mens zal straffen. Het is de mens, die kiezend voor het kwade, zichzelf nu reeds straft. Wat hier verteld wordt over de oordelende Rechter is geen voorspelling van wat er precies gaat gebeuren achteraf, na ons leven. Het is veeleer een beeld om er ons aan te herinneren voor welke keuze wij na staan. Elke dag nodigt God ons uit dat levenbrengend onderscheid te maken tussen goed en kwaad, het ene te doen en niet het andere, mens te zijn en geen onmens. Wij geloven dat Hij radicaal aan de kant staat van het goede en dus ook van diegenen die nu reeds het goede betrachten. Daarom proberen wij te leven en te werken vanuit die diepe droom.

4. God is ook onze uiteindelijke Koning.

Maar nu wel nog een verborgen Koning, die Zichzelf vandaag vereenzelvigt met de armen en de geringen op onze weg. En dat is voor ons de meest onthutsende openbaring. Het is Gods diepe droom dat iedereen gelijk wordt behandeld, ook diegenen die wij spontaan miskennen of links laten liggen. Als Jezus 'Koning' mag genoemd worden dan is het niet omdat Hij heerste, maar omdat Hij de mensen diende, ook de zwaksten en de uitgestotenen. Voor ons bestaat er maar een manier om deze Koning te dienen: diegenen dienen die Hij diende, de kleinsten, de zwaksten onder ons. Uiteindelijk stelt God onze Koning nu reeds aan ieder van ons een vraag: 'Hoe groot is de liefde van je hart voor de misdeelde op je weg?' Christus wordt meer en meer de Heer van heel de wereld, waar christenen in het gelaat van de gekwetste, kleine mens de trekken van God Zelf herkennen en door hun inzet en edelmoedigheid de wereld helpen groeien tot zijn Koninkrijk van liefde. Wij proberen te leven en te werken in het besef dat de geringste op onze weg nu reeds de Koning in ons midden is.

Vraag 11

Waarover gaat het in de parabel van de barmhartige Samaritaan? (Lc. 10,25-37)

11 A. Over het omdraaien van onze blikrichting
1. En wie is mijn naaste?

Een wetgeleerde stelt Jezus op de proef met deze vraag: Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven? (v. 25). Jezus vraagt hem zelf het antwoord te geven, wat hij perfect doet: Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart en met geheel uw ziel, met al uw krachten en geheel uw verstand; en uw naaste gelijk uzelf (v. 27). Tot besluit zegt Jezus: Doe dat en ge zult leven (v. 28).

Daarop stelt die man een andere vraag: En wie is mijn naaste? (v. 29), zijn dat mijn ouders, mijn landgenoten, mijn geloofsgenoten? ... Eigenlijk wil hij een klare regel om de anderen te kunnen opdelen in naaste en niet-naaste, in zij die naaste kunnen worden en zij die geen naaste kunnen worden.

2. De priester en de leviet.

En Jezus antwoordt met een parabel waarin een priester, een leviet en een Samaritaan optreden. De eerste twee zijn figuren verbonden aan de eredienst in de tempel, de derde is een ketterse jood, beschouwd als een vreemde, heiden en onrein, een Samaritaan. Op de weg van Jeruzalem naar Jericho treffen de priester en de leviet een zwaar gekwetste man aan, die door rovers was overvallen, beroofd en achtergelaten. De Wet van de Heer voorzag in gelijkaardige omstandigheden de verplichting om hulp te bieden, maar allebei lopen ze er langs zonder te stoppen. Ze hadden haast - Misschien heeft de priester op zijn "uurwerk" gekeken en gezegd: Ik moet mij haasten, anders kom ik te laat om de mis op te dragen. Ik moet de mis doen. En de andere heeft gezegd: Ik weet niet of de Wet het mij toestaat met al dat bloed, ik zal onrein worden Ze gaan hun weg en komen niet dichterbij.

Wie naar het huis van God gaat en zijn barmhartigheid kent, bemint niet automatisch zijn naaste. Niet automatisch! Je kunt heel de Bijbel kennen, je kunt alle regels van de liturgie kennen, je kunt heel de theologie kennen, maar uit het kennen volgt niet automatisch het beminnen: beminnen is een andere weg, er is verstand voor nodig, maar ook iets meer. De priester en de leviet zien, maar vergeten; zien, maar grijpen niet in. En toch, er bestaat geen ware godsdienst als die zich niet vertaalt in dienst aan de naaste.

3. De Samaritaan zag en kreeg medelijden.

Maar laat ons naar de kern van de parabel gaan: de Samaritaan, precies die verachte man, hij op wie niemand wat zou verwedden, die ook zijn verplichtingen had en zijn zaken te behartigen, wanneer hij die gekwetste man ziet, loopt hij niet voorbij zoals de twee andere, die aan de Tempel verbonden waren, maar hij, hij zag hem en kreeg medelijden (v. 33). Het evangelie zegt: hij zag hem en kreeg medelijden, dat wil zeggen zijn hart, zijn binnenste is geschokt! Enkel een Samaritaan, een voor de joden goddeloze vreemde, ontfermt zich over deze gekwetste, voor dood achtergelaten jood. De religieuze en juridische leiders vinden allerlei regels in hun vak om die lijdende man, van hun eigen volk nog wel, niet vooruit te moeten helpen. Maar een vreemde - en zelfs door de overvallen jood te mijden Samaritaan - helpt zijn tegenstander vooruit. Na de onverwachte ontmoeting tussen de jood en Samaritaan ontstaat tussen beide een bepaalde vorm van dialoog tussen de pijn, die om aandacht vraagt en de interesse voor het overkomen leed. Een wisselwerking die uitmondt in een solidair handelen, waarbij de ene daadwerkelijk alles doet om de pijn van de andere te verzachten.

4. Zorg dragen voor de ander.

De Samaritaan gedraagt zich met echte barmhartigheid: verbindt de wonden van die man, brengt hem naar de herberg, zorgt persoonlijk voor hem en voorziet in zijn bijstand. Zo leren we dat medelijden, liefde, geen vaag gevoel is, maar dat het betekent: zorg dragen voor de ander tot en met in eigen persoon ervoor betalen. Het betekent zich inzetten en alle noodzakelijke stappen zetten om de ander nabij te zijn en zich met hem te vereenzelvigen: Gij zult uw naaste beminnen gelijk uzelf. Dat is het gebod van de Heer.

5. Wie is mijn naaste?

Na de parabel draait Jezus de vraag van de wetgeleerde om en vraagt hem: Wie van deze drie lijkt u de naaste te zijn van de man die in handen van de rovers gevallen is (v. 36)? Het antwoord is uiteindelijk ondubbelzinnig: hij die barmhartigheid betoond heeft (v. 37). Bij het begin van de parabel waren de priester en de leviet de naaste van de zwaar gekwetste; aan het einde is de Samaritaan de naaste, hij die nabij gekomen is. Jezus draait de blikrichting om: men moet de anderen niet opdelen om te zien wie naaste is en wie niet. Je kan naaste worden van al wie je in zijn nood ontmoet en je wordt het, als je in je hart medelijden hebt, met andere woorden: bekwaam bent om met de ander te lijden.

6. Ga en doe evenzo.

Deze parabel is een schitterend geschenk aan ons allen en ook een opdracht! Tot ieder van ons zegt Jezus wat Hij aan de wetgeleerde zei: Ga dan en doet gij evenzo (v. 37). Allen zijn we geroepen om de weg van de barmhartige Samaritaan, die het beeld van Jezus is, te bewandelen: Jezus buigt zich over ons, is onze dienaar geworden en zo heeft Hij ons gered opdat ook wij elkaar zouden beminnen zoals Hij ons heeft liefgehad, op dezelfde wijze.

11 B. Over een dialoog over het "doen" van het dubbelgebod van de liefde.

Iemand van de groep van de "wijzen en verstandigen" (Lc. 10,21) - een wetgeleerde (Lc. 5,17-26) - vraagt Jezus wat hij moet doen om het eeuwig leven te erven (Lc. 18,18). De passage lijkt op een strijdgesprek, want de wetgeleerde wil Jezus op de proef stellen. Als een Grieks filosoof stelt Jezus echter een wedervraag en zet de wetgeleerde aan het denken. Deze is immers een specialist van de theoretische kennis. Hij weet dan ook het goede antwoord te formuleren: de liefde tot God en de naaste vormt het fundament van de Tora. Met een wending die aan Socrates herinnert ("Juist geantwoord!"), bevestigt Jezus dat inzicht en roept de wetgeleerde op om niet alleen de Wet te interpreteren, maar de liefde ook concreet uit te voeren. Alleen op die manier zal hij leven. Door die constructie ontstaat een dialoog waarvan het "doen" een leidmotief vormt:

Vraag van de wetgeleerde: doen en leven.
Tegenvraag van Jezus: wat staat er in de Wet?
Antwoord van de wetgeleerde: liefde tot God en de naaste.
Antwoord van Jezus: doen en leven.
Hernieuwde vraag van de wetgeleerde: wie is mijn naaste?
Parabel als een uitgebreide tegenvraag: wie is de naaste van de man?
Antwoord van de wetgeleerde: die hem barmhartigheid gedaan heeft.
Antwoord van Jezus: doe dat.

Jezus suggereert dat de wetgeleerde zelf het antwoord op zijn vraag kent en daarom probeert deze zijn vraag te rechtvaardigen: "Wie is dan mijn naaste?" Na het vertellen van de parabel antwoordt Jezus met een tegenvraag, waarbij zich een merkwaardige verschuiving voordoet: "Wie van die drie is naar uw mening de naaste geweest van de man die in handen van rovers was gevallen?" De wetgeleerde verwachtte van Jezus een objectief antwoord: bijvoorbeeld, je naaste is de man die in handen van rovers is gevallen. Jezus geeft echter aan het woord "naaste" een diepere en meer subjectieve betekenis: van wie wil jij de naaste worden? Heeft iemand ten opzichte van de ongelukkige man als naaste gehandeld? Zou jij hetzelfde doen? De parabel functioneert in dat perspectief als een voorbeeldverhaal.

Net als de wetgeleerde weten de priester en de leviet wat het fundament van de Wet is, maar zij gaan in een grote boog om de liefde tot de naaste heen. Zij kunnen bovendien geen excuses aanvoeren. Weliswaar kon de aanraking van een lijk - de man was misschien gestorven - hen verontreinigen, maar zij hadden geen dringende reden meer om zich rein te houden. Zij dalen immers af van Jeruzalem naar Jericho: hun tempeldienst zit erop. Die specialisten van de godsdienst worden vergeleken met een Samaritaan voor wie de reinheidswetgeving ook geldt, maar die wel zijn plichten nakomt. Dat maakt het verhaal niet alleen ergerniswekkend voor de wetgeleerde, maar voor elke joodse gelovige. Uitgerekend een Samaritaan blijkt de naaste te zijn. Joden en Samaritanen leven op gespannen voet met elkaar. De wetgeleerde kan het woord "Samaritaan" zelfs niet over de lippen krijgen, maar omschrijft hem als de man die barmhartigheid betoont (Lc. 10,37). De Samaritaan was inderdaad ten diepste met de man begaan (Lc. 10,33): hij geeft hem niet alleen de eerste zorg, maar brengt hem naar een herberg en voorziet zelfs in de toekomstige kosten. Het gaat om een overvloedige barmhartigheid: de Samaritaan is barmhartig zoals de Vader barmhartig is (Lc. 6,36). Alleen wie zo handelt, bewijst zijn liefde tot de naaste en tot God. Zo"n mens erft het eeuwig leven (Lc. 10,25).

11 C. Over een parabel waarin Jezus zichzelf verdedigt.

Jezus verkondigt de naderende komst van het Rijk Gods en is ervan overtuigd dat iedereen daar binnen kan komen, op voorwaarde dat hij zich bekeert. Dat geldt dan werkelijk voor iedereen, zelfs voor de grootste zondaar. Daarom gaat Jezus ook naar hen met de boodschap van dat Komende Rijk. Hierover moeten sommigen nogal verontwaardigd geweest zijn: in hun ogen was het onvoorstelbaar dat dergelijke mensen, die zich van Gods geboden niets hadden aangetrokken, in diens Koninkrijk zouden worden binnengelaten. Volgens hen hadden zij in Gods ogen afgedaan. Met de parabel verdedigt Jezus zijn optreden of beter: Hij probeert zijn toehoorders er indirect toe te verleiden om toe te geven dat Jezus goed bezig is en zij zelf niet. Als zij akkoord zijn dat de Samaritaan goed gehandeld heeft en de priester en de leviet niet, dan zeggen zij daar volgens Jezus tegelijk mee dat er niets mis is met het feit dat Jezus zich het lot van de zware zondaars aantrekt en hen net als iedereen de kans geeft om zich te verbeteren, terwijl de religieuze leiders die mensen gewoon laten stikken.

11 D. Over een parabel over verantwoordelijkheid en christelijke solidariteit.
1. Naar wie moet onze solidariteit uitgaan?

De parabel van de barmhartige Samaritaan brengt ons bij de vraag naar wie onze solidariteit moet uitgaan. Naar wie is ze gericht? Wat betekent het solidair te zijn? Hoe moeten we de solidariteit zien binnen de navolging van Christus? Uiteindelijk gaat het om het beantwoorden van de vraag wie mijn naaste is.

In ons westers denken is het vanzelfsprekend dat de solidariteit ontstaat vanuit de persoon die zich op een of andere manier wil engageren naar iemand of een groep mensen toe, die het niet zo goed hebben als hemzelf. In ons denken gaat het er vooral om dat ik er een goed gevoel aan overhoud iemand geholpen te hebben.

In zijn verhaal van de barmhartige Samaritaan keert Jezus de volgorde helemaal om.

Hij haalt drie mensen ten tonele die met de gewonde jood geconfronteerd worden. Alle drie zijn op weg om bepaalde taken in hun leven te vervullen. De ene heeft in de religie zijn zingeving gevonden. De andere ziet alle heil in de wetgeving. Een Samaritaan is op reis, wellicht op zoek naar een beter bestaan. Ieder van hen probeert zijn levensdroom vervuld te zien. Het is een universeel gegeven dat elke mens op zoek is naar wat hem gelukkig kan maken. Aan deze zoektocht is er niets verkeerds. Net zoals de drie personages, zoeken ook wij om ons binnen ons bestaan te realiseren.

Maar hun zoektocht naar zelfrealisatie wordt doorbroken door de ontmoeting met een slachtoffer van een overval. De andere die ze ontmoeten dreigt al hun plannen te dwarsbomen. Ze zitten verveeld met het feit dat ze geconfronteerd worden met de ellende van de neergeslagen jood. Moest die nu echt juist op hun weg liggen? Vandaag is het een slachtoffer van rovers die de andere is die het geplande leven ondersteboven haalt, morgen kan het een andere zijn die mij uitnodigt om mijn plannen te veranderen. Maar steeds komen we die andere op onze weg tegen. Deze andere spreekt me aan door me recht in de ogen te kijken. We kunnen zijn blik en woord niet negeren. Door de aanwezigheid van die ander word ik gedwongen om te aanvaarden dat ik niet de enige ben die zichzelf wil gerealiseerd zien. Ik ben niet de enige die op zoek is naar een gelukzalig bestaan. De andere dringt mijn bestaan binnen en geeft me de kans om al mijn eigen plannen en dromen te herzien. Ik ben dan niet meer degene die al mijn activiteiten zelf richting geeft, maar ook degene die zich kan openen voor de plannen van de andere. In de ontmoeting en dialoog met de andere, geef ik aan de andere een plaats binnen mijn leven.

2. Wie ligt aan de oorsprong van onze verantwoordelijkheid?

De aanwezigheid van de achtergelaten jood raakt de priester, de leviet en de Samaritaan tot in hun diepste wezen. De berooide man openbaart hen zijn kwetsbaarheid en ellende. Zij kunnen tegenover hem geen neutrale positie innemen. Het slachtoffer roept deze mensen op te handelen. Ze worden verplicht een standpunt in te nemen tegenover zijn levensbedreigende situatie. We kunnen de andere volledig negeren en voor dood achterlaten of we kunnen onze eigen plannen in vraag laten stellen door de oproep die van de ander uitgaat om in zijn leven ernstig genomen te worden. Ik kan de andere volledig uitschakelen of de hoeder van mijn broeder worden. In dit geval gaat het initiatief niet uit van mezelf, maar is het de ander die door zijn begrensdheid een beroep doet op mijn hulp. De pijn van de berooide stelt de drie voorbijgangers de vraag in alle vrijheid hun verantwoordelijkheid op te nemen.

In dit Bijbelverhaal wordt liefde een gebod. Liefde komt niet voort uit een gevoel, een zich aangetrokken voelen of het hebben van een sympathie voor iemand. Liefde is de opdracht die ik van de ander krijg om de ander in zijn anders zijn te respecteren, hem tegemoet te treden en vooruit te helpen, omdat de ander er gewoon recht op heeft. De ander wil als doel geliefd zijn, niet als middel. Solidair zijn met de ander baseert zich niet op een subjectief gevoel, maar op een objectieve oproep om de andere niet in je bestaan te negeren. De priester en de leviet worden door de ellende van de voor dood achtergelatene wel geraakt, maar ze gaan er met een boog omheen. Ze ontwijken de oproep. De Samaritaan daarentegen solidariseert zich met de gewonde man en draagt zorg voor hem. Zijn antwoord is een positief handelen. Hij neemt zijn verantwoordelijkheid op, omdat hij zich hiertoe verplicht weet. De anderen ontwijken hun verantwoordelijkheid, omdat ze de kans krijgen deze te ontglippen.

3. Hoe ben ik solidair?

Solidariteit is een plicht, waar ik me niet kan aan ontrekken, maar je kan deze wel naast je neerleggen. Solidariteit heeft in die zin niets te maken met subjectieve voorkeuren of gevoelens. De oproep van de concrete en aanwezige andere kan ik niet ontwijken, wel het antwoord op deze oproep. Ik ben degene die in concrete situaties opgeroepen wordt om de noodlijdende nabij te zijn. Ik kan hierbij in vrijheid antwoorden, maar neem nooit in vrijheid het initiatief dat steeds van de andere uitgaat die mij oproept vrij te antwoorden. Ik kan al of niet gehoor geven aan de oproep van de ander. Mijn vrijheid is in die zin steeds een vrijheid in gehoorzaamheid. Ik neem niet het initiatief van deze gehoorzaamheid, maar word ertoe opgevorderd door een ander die wel de initiatiefnemer is. Ik ben degene die voor de wijze kies waarop ik mijn verantwoordelijkheid wil opnemen. Het al dan niet beantwoorden van de oproep tekent mijn hele leven, omdat het om een grondhouding gaat.

De parabel van de barmhartige Samaritaan is geen verhaal over hoe ik mijn eigen bestaan moet ontplooien. Het gaat niet over mijn zelfrealisatie als iemand die goede gevoelens koestert naar de andere. Het gaat er veeleer over of ik mijn verantwoordelijkheid tegenover de ander wel ernstig neem. Sticht ik goed of kwaad tegenover hem? Laat ik zijn bestaan in mijn bestaan binnen? Maak ik het de andere mogelijk om ook te groeien door mij voor hem verantwoordelijk te weten, mij onvoorwaardelijk beschikbaar te stellen?

Het gebod om mij te laten raken door het lijden van de ander en deze ander niet aan zichzelf over te laten, zorgt ervoor dat er een beweging ontstaat van mij naar de ander, een bewogenheid die mij uitnodigt om de ander te dragen en bij te staan. Ik word ertoe bewogen mij met de ander solidair op te stellen. De Samaritaan werd door medelijden bewogen. Zijn zelfaanbieding kunnen we niet beter omschrijven als barmhartigheid. De vraag van de farizeeer wie zijn naaste is, wordt door Christus helemaal omgedraaid. De vraag naar een statische legalistische definiering wordt door Hem omgebogen naar een dynamische vraagstelling die om een handelen vraagt. Jezus vraagt nu wie van deze drie de naaste lijkt te zijn van het slachtoffer van een roofoverval. Wie is het subject van de naastenliefde en niet meer wie de ontvanger ervan is. Wie is degene die de naastenliefde in concrete daden omzet? Juist hij die door de farizeeers werd beschouwd als een te mijden vreemdeling, zondaar, goddeloze en vijand is degene die zich tot naaste maakt van de achtergelaten jood.

Het verlangen om de andere met barmhartigheid te bejegenen is een volstrekt onbaatzuchtig verlangen om zich in te zetten voor het welzijn van de ander. Het gaat om een houding in nederigheid, waarbij we er niet op uit zijn om onszelf te realiseren, niet uitkijken naar dankbaarheid en erkenning. We doen het ook niet omwille van ons eigen zielenheil of om het eeuwige leven te winnen. Het gaat om het opnemen van het lot van de ander, waarbij men zichzelf verloochent. Men vindt het de moeite waard om zelfs zijn eigen leven voor de ander op het spel te zetten. Het gaat hier om een dynamiek waarbij we - hoe meer we onze verantwoordelijkheid voor de ander opnemen - des te meer zelf groeien in deze verantwoordelijkheid. Solidariteit wordt dan in de context van de parabel van de barmhartige Samaritaan de verantwoordelijkheid door en voor de andere.

Solidariteit voltrekt zich niet enkel spiritueel, maar ook materieel. De Samaritaan gaat naar de gewonde, giet olie en wijn op zijn wonden en verbindt ze. Daarna tilt hij hem op zijn eigen rijdier, brengt hem naar de herberg en zorgt voor hem. De volgende morgen neemt hij twee denarien, geeft ze aan de waard en vraagt hem voor hem te zorgen met de belofte bij zijn terugkeer de bijkomende kosten te vergoeden. Alles wat de Samaritaan aan mogelijkheden bezit, zet hij in om dit slachtoffer vooruit te helpen: zijn kennis rondom het ontsmetten van wonden, zijn rijdier en de nodige financien voor de verdere opvolging. Datgene wat hij aanvankelijk bezit om zijn eigen levensplannen te ontplooien worden nu ten dienste van de berooide man ingezet. De zelfontplooiing staat nu in functie van de ander. Mijn kennen, kunnen en mijn (financiele) middelen staan nu ter beschikking van de andere. Het is zelfs zo dat ik mijn talenten en mogelijkheden verder moet ontplooien om de andere nog beter vooruit te kunnen helpen. De solidariteit met de ander moet zich dus ook concretiseren in werk en financien. Solidair zijn is zijn naaste beminnen met alles wat men heeft en kan. In die zin is de barmhartige Samaritaan een concreet voorbeeld. Hij verzorgt en transporteert de uitgeschudde man en maakt geld vrij voor de verdere opvang. In die zin zet hij zijn eigen leven en mogelijkheden op het spel.

4. Christelijke solidariteit heeft wezenlijk met de liefde van en tot God te maken.

a. Wie in God gelooft, laat dit ook zien in zijn liefdevolle verhouding tot de ander.

Christelijke solidariteit moet steeds binnen de evangelische context van het geloof begrepen worden. Deze getuigt enerzijds van een authentiek geloof en getuigt anderzijds van God zelf, meer concreet van zijn liefde tot mensen. Geloof zonder werken is geen geloof. De evangelies zijn hierin duidelijk. Wie God wil loven, maar niet in vrede leeft of aandacht heeft voor zijn naaste, leeft niet met God verbonden. Jezus' kritiek op de eredienst zonder barmhartigheid van de farizeeers spreekt hierbij boekdelen. "Als iemand zegt dat hij God liefheeft, terwijl hij zijn broeder haat, is hij een leugenaar. Want als hij zijn broeder die hij ziet niet liefheeft, kan hij God niet liefhebben die hij nooit gezien heeft. Dit gebod hebben wij dan ook van Hem gekregen: wie God liefheeft, moet ook zijn broeder liefhebben" (1 Joh. 2,43; 1 Joh. 4,19-21).

b. Solidair zijn met de naaste getuigt ook van God zelf en nodigt uit tot navolging.

In de mate dat de gelovige zijn naaste liefheeft, geeft hij ook getuigenis van de liefde van God. In die naastenliefde openbaart hij dat het wezen van God zelf die liefde is. Doorheen de concrete praktijk van de solidariteit realiseert en verwijst de christen naar Gods menslievendheid en bevrijdend heilshandelen. Doorheen zijn handelen openbaart hij niet alleen de liefde van God, maar nodigt hij ook de niet-gelovigen uit om God in zijn ware gedaante te leren kennen. God is een en al solidair met de mensen. Concrete solidariteit nodigt bovendien uit tot navolging. Solidariteit uit zich dan in concrete goede werken, waarbij de christen getuigenis aflegt van Gods oneindige solidaire passie voor de mens, waardoor deze ook aantrekkelijk wordt en tot navolging aanzet.

Paus Franciscus zei: "Het hart van de Samaritaan bewoog op dezelfde toonhoogte als het hart van God. Want, medelijden is een wezenlijk kenmerk van de barmhartigheid van God. God heeft medelijden met ons. Wat wil dat zeggen? Hij lijdt met ons mee, Hij voelt ons lijden. Medelijden betekent lijden met. Het werkwoord wijst op de bewogenheid en de onrust van binnen bij het zien van het lijden van een mens. In de gebaren en daden van de barmhartige Samaritaan herkennen we het barmhartige optreden van God in heel de heilsgeschiedenis.

Het is hetzelfde medelijden waarmee God elk van ons tegemoet komt. Hij loopt ons niet voorbij, Hij kent onze pijnen, Hij weet hoeveel hulp en troost we nodig hebben. Hij komt dicht bij ons en laat ons nooit alleen. Ieder van ons kan zich de vraag stellen en in zijn hart beantwoorden: Geloof ik dat? Geloof ik dat de Heer met mij medelijden heeft, met mij zoals ik ben, zondaar, met zoveel problemen en kwesties? Denk daaraan en het antwoord zij Ja!. Iedereen moet in eigen hart kijken en nagaan of hij gelooft in het medelijden van God, de goede God die ons nabij komt, ons geneest, ons liefkoost.

En als we Hem afwijzen, wacht Hij: Hij is geduldig en staat altijd ons terzijde."

Appendix 5

Een homiletische keuze (Frans Essel)

Met zijn vraag: "Wie is eigenlijk mijn naaste?" wil de schriftgeleerde het probleem van zich afwenden. Hij verwacht dat iets of iemand anders hem tegemoet komt in zijn behoefte om grenzen te stellen aan zijn engagement voor de ander. De man wil het probleem buiten zichzelf leggen, maar hij krijgt de bal teruggekaatst: het is wel jouw probleem en het antwoord hangt van jezelf af. Op de vraag van de wetgeleerde vertelt Jezus een parabel waarin hij mee te spelen heeft. Hij mag zijn rol zelf kiezen.

1. a. Ik wil zelf grenzen stellen aan mijn liefde.

De schriftgeleerde zoekt een instantie of een regel die grenzen kan stellen aan zijn engagement. Ook wij willen weten waar we aan beginnen en waar we eindigen met het gebod om de naaste te beminnen. We willen bepalen hoe ver we kunnen gaan, om niet te ver te moeten gaan. We willen onze liefde begrenzen: tot hier en niet verder. Tegenover wie heb ik verplichtingen en wie valt daarbuiten? Vaak willen wij de kring van mensen met wie wij ons willen inlaten beperken tot hen van wie we normaal gezien wederliefde mogen verwachten. Alleen familie en vrienden? Gelijkgezinden? Soort- of volksgenoten? Geloofsgenoten? Tot hoever precies moet mijn liefde wel reiken...? Ik wil het zelf bepalen. Wie laat ik toe en wie niet? Ik mag dat toch zelf in alle vrijheid uitmaken? Elementair zelfbeschikkingsrecht!

2. b. Een spiegelverhaal

Maar in plaats van regels om grenzen te bepalen, krijgt de man een verhaal te beluisteren. Minder objectief en minder duidelijk dan een regelgevend antwoord. Maar dat verhaal wordt een spiegel. Van de Samaritaan wordt niet gezegd dat hij met de juiste principes en normen door het leven gaat. Wel staat er dat hij medelijden kreeg. Letterlijk: "Hij werd in zijn ingewanden gegrepen." De Samaritaan gaat meteen tot de daad over. De parabel is allicht een confronterende ervaring voor hem, maar toch niet zo dat hij gekleineerd of voor schut wordt gezet. Hij wordt helemaal niet beschuldigd van liefdeloosheid of passiviteit. Integendeel: hij wordt geprezen op het domein waar het voor hem gevoelig ligt: zijn kennis van de schriften: "Uw antwoord is juist. Doe dat en ge zult leven." "Doe dat". Dat is de pointe. "Ga dan en doe gij evenzo" is de slotboodschap. Wees in je daden consequent met wat je hebt ontdekt in die parabel. Zodat je jezelf in de spiegel kan zien tot je beseft dat je als antwoord op de vraag "Wie van de drie heeft zich volgens u gedragen als de naaste van de man die in handen van rovers was gevallen?", niet meer als een buitenstaander spreekt, maar als degene die zelf betrokken is: "De man, die voor hem barmhartig was!"

1. c. Wie ben ik? Wat heb ik in handen en wat niet?

We beslissen zelf wie van de drie we als model nemen. Het is onze vrijheid en onze verantwoordelijkheid. Maar de vraag luidt nu niet langer: "Wie kies jij uit als naaste voor jou?", maar: "Wanneer gedraag je je als naaste van die zwakke man langs de weg? Wanneer heb je jezelf tot naaste gemaakt? En daarop luidt het antwoord natuurlijk: "diegene die hem barmhartigheid heeft betoond". We zijn vrij ons te gedragen als een van die drie. Dat hebben we in handen.

De parabel van Jezus vraagt ons dus liefdevol te zijn. Niet op het ogenblik en tegenover de persoon die we zelf kiezen vanuit onze voorkeur, maar tegenover elke mens, die zich op eender welk moment aandient, in de nood van het ogenblik.

En dat laatste hebben we niet zelf in handen. Want wij beslissen niet zelf over de situatie of de context waarin we willen meespelen. Plots kan een situatie of een tafereel zoals in het verhaal opgeroepen wordt, voor onze neus staan. Het is dus goed even vooraf te overwegen aan welke dingen we gewicht geven om rustig te kunnen beslissen wanneer een situatie zich voordoet. Wanneer we plots midden in zo"n verhaal staan en een rol te kiezen hebben: wie van de drie? Wie van de drie wil ik zijn: de leviet, de priester of de barmhartige?

Wie ben ik? Wie wil ik zijn en wie wil ik worden? Ik die meespeel in een driehoeksverhaal, een verhaal waar ik steeds ook een derde ben, naast God en de mens voor mij. De rol die ik kies, bepaalt mijn relatie tegenover God en tegenover de naaste voor wie ik al of niet naaste word.. De rol die ik kies, bepaalt mijn relatie en met God en met de mens voor mij. Tegenover die barmhartige Vader kunnen wij alleen onze dankbaarheid en liefde echt tonen als wij onze naaste beminnen. Ik kan niet de Vader beminnen en mij onverschillig tonen tegenover zijn mensenkinderen, zijn hartendieven. Want ik bemin een God die erop uit is om dag aan dag te proberen de naaste te worden van de behoeftige op zijn weg.

Vele situaties heb ik niet in handen, net zomin als ik de grensstellende regels in handen heb. Meer nog: ik krijg te horen dat er geen grenzen zijn, dat een "wettelijk omschreven" kring van naasten niet bestaat, dat er geen groep mensen afgebakend kan worden tegenover wie ik verplichtingen heb. Om dan te besluiten dat er ook mensen zijn tegenover wie ik als christen helemaal geen "verplichtingen" heb. Neen, ik kan alleen zelf "naaste worden" van iemand, door mijn concrete daden van goedheid en zorg, telkens opnieuw onderweg, bij toevallige ontmoetingen, tegenover eender welke mens die in nood verkeert.

1. d. Ons wordt gevraagd

Ons wordt gevraagd onze eigengemaakte planningen en agenda"s te laten doorkruisen door de onverwachte nood die zich plots voordoet. Ik zou me zo moeten gedragen dat ik die nood zie. Zie wanneer ik naaste kan worden. En dat zie ik niet vanuit de hoge zelfgenoegzaamheid, maar binnen een sfeer van bescheiden dankbaarheid voor al die keren dat ik langs de weg neerlag en de Heer mij telkens opnieuw barmhartig is geweest.

Jezus leert ons vandaag niet te vragen: "Wie is dan mijn naaste wel en wie niet? Wie moet ik beminnen en wie niet?", maar eerder: "Leer zien welke mens in nood je vandaag ontmoet en wees zijn naaste. Wees hem barmhartig zoals je hemelse Vader tegenover jou barmhartig is".

Vraag 12

Hoe gaat Gods barmhartigheid om met het verlorene? Lc. 15,1-32

12 A. Jezus geeft antwoord op het gemor van farizeeen en schriftgeleerden.

Jezus" maaltijd bij een farizeeer in 14,1-24 voorkomt niet dat farizeeen en schriftgeleerden onder elkaar morren over Jezus" omgang en maaltijdgemeenschap met tollenaars en zondaars. Lucas brengt bewust beide groepen uit Jezus" gehoor bij elkaar in de redactionele inleiding (Lc. 15,1-2) met de bedoeling een context te scheppen voor twee gelijkenissen en een parabel, die hetzelfde thema behandelen: Gods barmhartige openheid voor wie verloren is.

Het gehele hoofdstuk functioneert als Jezus" antwoord op het gemor van farizeeen en schriftgeleerden, die zich rechtvaardig achten en geen bekering menen nodig te hebben. Lucas 15 behoort tot de mooiste bladzijden uit het evangelie: het is een meesterwerkje van Lucas" redactionele vaardigheid en tegelijk een voorbeeld van Jezus" talent als verteller.

12 B. In de tweelinggelijkenis over het verloren schaap en de verloren drachme

De gelijkenis over een man en zijn verloren schaap wordt afgewisseld door een zeer gelijkaardig verhaal over een vrouw en een verloren muntstuk: God wordt zowel met een herder als met een huisvrouw vergeleken. Beide verhalen vertonen onmiskenbaar een Palestijnse kleur en waren voor Jezus" luisteraars gemakkelijk herkenbaar.

Opvallend is de grote inzet van de man en de vrouw om het verlorene terug te vinden.

Laat iemand een kudde van negenennegentig schapen achter om een schaap te zoeken? Een dergelijke bekommernis is bij een herder niet onmogelijk, maar toch uitzonderlijk. De waarde van een drachme valt moeilijk in te schatten, maar kan toch niet onaanzienlijk geweest zijn in het huishouden. Gezien de duisternis in de toenmalige huisjes zonder venster is de vrouw verplicht een lamp aan te steken om het muntje terug te vinden. De pointe in beide gelijkenissen is de grote vreugde omwille van het terugvinden van het verlorene, dat uiteraard slechts een passieve rol vervult. En Jezus beklemtoont tweemaal: zo"n vreugde vervult de hemel (een omschrijving voor God) over een zondaar die zich bekeert. In tegenstelling tot de passiviteit van schaap en munt, wordt de bekeringsbereidheid van de zondaar geaccentueerd ten opzichte van de zelfgenoegzaamheid van de "rechtvaardigen'. De inhoud van die bekeringsbereidheid krijgt een duidelijke illustratie in de volgende parabel.

12 C. In de parabel van de verloren zoon (Lc. 15,11-32)

Het verhaal valt in twee delen uiteen die telkens eindigen met een nagenoeg identieke zinswending waarin de vreugde, het feest en tegelijk de overgang van dood naar leven van de jongste zoon worden beschreven (Lc. 15,24 tot de dienaren; Lc. 15,32 tot de oudste zoon).

1. Het eerste deel is gewijd aan de avonturen van de jongste zoon.

De inleiding bevreemdt enigszins. Geeft een vader zomaar het erfdeel aan een van zijn zonen? De regeling was voorzien in het Palestijns erfrecht, maar bleef toch uitzonderlijk en in ieder geval behield de vader het vruchtgebruik (vgl. Sir. 33,19-23). De parabel wil echter bevreemden en de aandacht gevangen houden. De jongste zoon is het type van de jonge mens die het leven opzuigt en geen grenzen aanvaardt. Dat losbandig leven voert hem tot zondigheid en uiteindelijk tot verlies van eigen identiteit: hij moet varkens hoeden, een gruwel voor een jood. Dat gevoel van totale verlorenheid brengt de jongeman tot zichzelf (v. 17) en leert hem de beperktheid en de grenzen van het leven te aanvaarden. Hij beslist naar zijn vader terug te keren, niet meer als zoon, maar als dienaar. Zenuwachtig oefent hij bij zichzelf een zinnetje waarin hij zijn zondigheid ten opzichte van God en zijn vader bekent, en vraagt om opgenomen te worden in de kring van zijn dienaren (vv. 18b-19). Uiteindelijk laat de vader hem niet uitspreken: op de bekering volgt onmiddellijk de overvloedige vreugde en het herstel in menselijke waardigheid (vv. 21-22)

2. De focus staat vervolgens gericht op de vader.

Hij kijkt met liefde uit naar de jongste zoon en herkent hem van ver: een minimale bekeringsbereidheid is al genoeg. De reactie van de vader is getekend door overvloed: hij is diep ontroerd, loopt snel naar hem toe, omhelst en kust hem, nog voor de zoon iets gezegd heeft. Daarmee is de generositeit van deze toch wel bijzondere vader niet voorbij. De jongeman krijgt nieuwe kledij en een ring. Het gemeste kalf, dat slechts voor uitzonderlijke gelegenheden werd geslacht, dient als feestmaaltijd. Inderdaad, in de hemel is overvloedige vreugde om een zondaar die zich bekeert (Lc. 15,7.l0). Zo ziet Jezus God als een Vader, die uitkijkt naar de zondaar en bereid is hem bij het minste teken van bekering, veel meer te geven dan vergiffenis alleen. Het verhaal legt daarnaast de klemtoon op de bekerings-bereidheid van de jongste zoon: hij moet de eerste stap zetten.

3. De eigenlijke climax komt in het verhaal van de oudste zoon.

Met de vermelding van het feest kon de parabel eindigen. In het verhaal van de oudste zoon die het type is van de plichtsgetrouwe mens komt de eigenlijke climax. Deze kan terecht een beroep doen op zijn verdienste en deugd, maar is niet gespeend van een zekere harteloosheid. Zijn reactie op de mateloze vreugde van de vader is mateloze woede. Zijn toorn is enigszins begrijpelijk, want blijkbaar heeft niemand moeite gedaan hem van het gebeurde te verwittigen: in de ontroering van de overvloedige vergiffenis was daar geen tijd voor. De oudste zoon wil niet deelnemen aan het feest. Voor de tweede keer moet de vader een zoon tegemoet gaan. Hij wil immers goed zijn voor al zijn kinderen. Het protest van de oudste zoon is begrijpelijk vanuit louter menselijk standpunt. God de Vader is echter anders en dat kan de oudste zoon niet aanvaarden. Op het moment dat de vader een zoon heeft teruggewonnen ("mijn zoon" in v. 24), loopt hij het risico een zoon te verliezen. De oudste zoon wil immers de jongste niet meer als broer erkennen: "die zoon van u" (v. 30). Hij verergert de zonde van zijn broer (van "slechte vrouwen" was in het eerste deel geen sprake, tenzij impliciet) en beklaagt zichzelf. De vader aanvaardt de breuk niet. Hij spreekt de oudste teder aan met "kind" en spreekt over "uw broer" (v. 32). De vader heeft nog steeds twee zonen. En hij ontzenuwt het protest van de oudste zoon: hij is toch altijd bij de vader, vanwaar dan die jaloersheid? Met de woorden van de vader krijgt de parabel een open slot. De lezer wordt op zichzelf geworpen. Gaat de oudste zoon binnen of niet? Hoe zou jij, lezer, reageren? Welke zoon is de eigenlijke verloren zoon?

12 D. Jezus" godsbeeld
1. Jezus" godsbeeld en het misvormd godsbeeld van de farizeeen en schriftgeleerden

In Jezus" en Lucas" context richt de parabel zich tot de morrende farizeeen en schriftgeleerden (Lc. 15,1-2), die moeilijk aanvaarden dat Jezus zondaars een nieuwe kans biedt. Jezus" godsbeeld is anders dan dat van zelfgenoegzame farizeeen: barmhartigheid gaat bij God boven een nauwgezet en al te menselijk gerechtigheidsdenken. God is een overvloedig barmhartige Vader die mensen oproept tot eenzelfde goddelijke houding. Pas dan kan het Koninkrijk Gods tastbaar worden in deze wereld.

2. Het misvormd godsbeeld van de twee zonen.

a. De visie van de jongste broer en de visie van de vader.

        • Hij vertelt zijn versie van het verhaal en als hij beschaamd terugreist naar huis, na zijn vaders geld te hebben verbrast, repeteert hij de speech die hij tegen zijn vader zal afsteken. Hij is ervan overtuigd 'niet meer waardig' te zijn om een zoon van zijn vader genoemd te worden. Dit is het verhaal dat hij vertelt, dat hij gelooft.
        • De visie van zijn vader. Als hij thuiskomt en zijn vader geeft opdracht hem het mooiste gewaad aan te trekken, een ring aan zijn vinger te schuiven en sandalen aan zijn voeten te doen, is dat ronduit verbijsterend. Gewaden, ringen en sandalen zijn voorwerpen die toebehoren aan een zoon. Hoewel hij heeft bedacht dat hier geen sprake meer van kan zijn, vertelt zijn vader een ander verhaal. Een verhaal over terugkeer, verzoening en bevrijding. Over opnieuw zoon zijn.
        • De jongste zoon moet beslissen wiens versie hij zal vertrouwen; die van hemzelf of die van zijn vader. De versie waarin hij niet waardig meer is een zoon genoemd te worden, of de versie waarin hij de gewaad-, ring- en sandaaldragende zoon is die dood was, maar nu weer leeft, die verloren was, maar nu gevonden is. Er zijn twee versies van zijn verhaal. Zijn eigen versie en die van zijn vader. Hij zal moeten kiezen met welke versie hij verdergaat. Welke gelooft hij? Welke vertrouwt hij?

b. De visie van de oudste broer en de visie van de vader.

  • Hij vertelt zijn visie van het verhaal: 'Zie, zovele jaren ben ik al in uw dienst en nooit heb ik uw gebod overtreden, maar mij hebt gij nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Doch nu die zoon van u (hij kan de naam van zijn broer niet eens over zijn lippen krijgen) gekomen is, die uw bezit heeft opgemaakt met slechte vrouwen, hebt gij voor hem het gemeste kalf laten slachten'. Wat wordt er in weinig woorden veel gezegd. Je voelt dat hij het al die jaren heeft opgekropt, en nu komt het vol venijn naar buiten.
    • Om te beginnen heeft hij, volgens zijn versie van de gebeurtenissen, jarenlang voor zijn vader gewerkt. Zo omschrijft hij het leven in zijn vaders huis, 'in uw dienst', het klinkt bijna alsof hij een slaaf is. Dit is in directe tegenspraak met de paar details die we over de vader gekregen hebben, die allesbehalve een slavendrijver lijkt.
    • In de tweede plaats: zijn vader heeft hem nooit een geitenbokje gegeven. Zo'n beest heeft weinig vlees op de botten, dus als je daar een feestje mee moet bouwen, is dat nogal karig, schraal, armoedig. Het soort feest waar de oudste zoon van uitgaat, heeft niet veel om het lijf. Wat hij hier laat zien, is hoe hij in werkelijkheid over zijn vader denkt. Hij vindt hem krenterig.
    • In de derde plaats beweert hij dat zijn broer met een heel andere maat gemeten wordt. Hij vindt zijn vader oneerlijk. Hij voelt zichzelf tekortgedaan, miskend, gepiepeld. En daar is hij woest over. Ondertussen is op de achtergrond een bruisend feest in volle gang.

  • De vader is niet op zijn teentjes getrapt of op stang gejaagd. Hij antwoordt slechts: 'Mijn jongen, jij bent altijd bij me en alles wat van mij is, is van jou' (vers 31). De vader presteert het om in een enkele zin een totaal ander verhaal te vertellen over de oudste broer.
    • In de eerste plaats: de oudste zoon is nooit een slaaf geweest. Alles heeft hem de hele tijd al toebehoord. Er was geen noodzaak om te werken, bevelen op te volgen of zich uit te sloven om te verdienen wat altijd al van hem was.
    • In de tweede plaats: zijn vader heeft hem niet krenterig behandeld. Hij had te allen tijde kunnen nemen wat hij hebben wilde. Het hele bezit van zijn vader was al die tijd ook het zijne, dus ook - dat spreekt vanzelf - de gemeste kalveren. Het enige wat hij had hoeven doen, was ontvangen.
    • In de derde plaats: zijn vader geeft een nieuwe invulling aan het begrip eerlijkheid. Het is niet zo dat zijn vader hem oneerlijk behandeld heeft; het punt is dat zijn vader er uberhaupt nooit mee bezig is geweest om eerlijk te zijn. Genade en vrijgevigheid zijn in hun aard niet eerlijk. De vader ziet de thuiskomst van de jongste zoon als de zoveelste gelegenheid om oneerlijkheid in praktijk te brengen. De jongste zoon verdient geen feest; dat is de clue van het feest. Zo werkt het in de wereld van de vader. Verregaande oneerlijkheid. Mensen krijgen wat ze niet verdienen. Er worden feesten gegeven voor jongste broers die hun erfenis verkwanseld hebben. Want uiteindelijk, 'Jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou.'
      De vader vertelt zijn versie van het verhaal van de oudste broer, net zoals hij bij de jongste deed. Gods verhaal is een bevrijdend verhaal, en het is goed nieuws. Het begint met de zekere en solide waarheid dat we geliefd zijn. God heeft vrede gesloten met ons. We worden uitgenodigd om nu een heel nieuw leven te leven zonder schuld, schaamte, schande of zorg. Het komt goed met ons. Van al onze mogelijke voorstellingen over het goddelijke, van alle mogelijke uitspraken die Jezus het Godpersonage in de mond had kunnen leggen, laat Hij de vader in dit verhaal de volgende woorden zeggen: 'Jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou.'

  • De oudste wordt dus met dezelfde vraag geconfronteerd als de jongste. Gelooft hij zijn eigen versie van het verhaal of die van zijn vader? Wie zal hij vertrouwen? Wat zal hij geloven?
    Om Gods versie te vertrouwen, moeten we God vertrouwen. En een weigering om te vertrouwen is vaak gebaseerd op een verwrongen beeld van God. De oudste broer was al zo vergroeid met zijn versie van de gebeurtenissen, dat het voor hem moeilijk is zich open te stellen voor een andere kijk op de dingen. Daarom zijn de ruimhartige en liefdevolle woorden van zijn vader moeilijk en schokkend. We ontdekken dat de weigering van de oudste broer om te geloven, voortkomt uit zijn misvormde godsbeeld. Er is een probleem met 'zijn God'.

3. Ons verhaal geconfronteerd met Gods versie van ons verhaal.

a. Ons verhaal en ons misvormd godsbeeld.

Miljoenen mensen op deze wereld hebben te horen gekregen dat God de wereld zo liefhad, dat Hij zijn Zoon stuurde om de wereld te redden en dat ze een persoonlijke relatie met Hem kunnen hebben, als ze Jezus aanvaarden en in Hem geloven. Prachtig. Maar daar eindigt het niet. Miljoenen mensen hebben gehoord dat, als ze niet geloven, als ze niet op de juiste manier aanvaarden - dat wil zeggen de manier die het evangelie leert volgens degene die het hun vertelt - en ze worden later op die dag door een auto aangereden en ze overlijden, dan kan God niet anders dan ze voor eeuwig te kwellen (in de hel). Op het moment dat ze sterven, wordt God daarmee voor hen een fundamenteel ander wezen; en wel voor eeuwig. Een liefdevolle hemelse vader die tot het uiterste gaat om een relatie met hen te hebben, wordt in een ondeelbaar ogenblik een wrede, laaghartige, gewelddadige folteraar, die er wel voor zorgt dat ze met geen mogelijkheid kunnen ontsnappen aan een eindeloze toekomst vol verschrikkingen.

Als God zo snel kan switchen, als Hij zo snel zo radicaal van wezen kan veranderen, dan levert dat wel duizend vragen op over de betrouwbaarheid - laat staan de goedheid - van een dergelijk wezen. Het ene moment vol liefde, het volgende moment vol kwaadaardigheid. Wordt God op het moment dat je sterft een volslagen andere persoonlijkheid? Zo'n God is ronduit vernietigend, psychologisch verpletterend. Wij kunnen dat niet aan. Niemand kan dat aan.

En dat is het grote geheim in het hart van veel mensen, met name christenen; ze houden niet van God. Ze kunnen het niet, want de God die hun verkondigd en onderwezen is, is niet om van te houden. Die God is angstaanjagend, traumatiserend en onverdraaglijk.

b. Onze weigering om te vertrouwen is vaak gebaseerd op een verwrongen beeld van God.

Dat mensen er moeite mee hebben om 'het evangelie' aan te nemen, kan komen omdat ze het gevoel hebben dat de God die achter Jezus schuilgaat niet veilig, liefdevol of goed is. Er klopt iets niet; deze twee gezichten zijn onverenigbaar met elkaar en daarom wijzen ze het geloof af. Ze willen niets te maken hebben met Jezus, want ze willen niets te maken hebben met die God.

De oudste broer leert ons dat het ertoe doet wat we geloven. Onze opvattingen zijn ongelooflijk belangrijk. Ze vormen ons, ze sturen ons en ze bepalen ons leven. We kunnen Gods versie van ons verhaal vertrouwen, of we kunnen vasthouden aan onze versie van ons verhaal. En om Gods versie te vertrouwen, moeten we God vertrouwen. Aan ons de keuze.Want we zijn vrij om de uitnodiging van God tot nieuw leven te accepteren of te verwerpen. De keuze is aan ons. Als we praten over hoe God is, dan kunnen we niet om de realiteit van zijn diepste wezen heen: de liefde. Die liefde kun je weerstaan, afwijzen, ontkennen en ontlopen. Zoveel vrijheid hebben we. God biedt ons een uitnodiging aan en we zijn vrij om daarmee te doen wat we willen.

4. Wij vormen ons een beeld van God en vervolgens worden wij door die God gevormd.

Inquisities, vervolgingen, heksenjachten, boekverbrandingen, zwarte lijsten - als religieuze mensen overgaan tot het gebruik van geweld, dan is dat omdat ze zijn gevormd door hun God, en dat is een gewelddadige God. We zien deze verwoestende vorming in optima forma in de giftige, venijnige aard van sommige discussies en debatten op internet. De hoogste vorm van toewijding aan God is voor sommigen het aanvallen, belasteren en zwartmaken van mensen die geloofszaken anders verwoorden dan zij. Wij vormen ons een beeld van God en vervolgens worden wij door die God gevormd. Een verwrongen godsbeeld waaraan wordt vastgeklampt met witte knokkels en een verbeten vastberadenheid, kan iemand weghouden van het feest, hels om een bok die hij nooit heeft gekregen, afgesneden van het bloeiende leven dat volgens Jezus hier en nu voor het grijpen ligt, overal om ons heen, altijd.

Jezus maakte overduidelijk dat dit vernietigende, gewelddadige godsbeeld zich makkelijk laat institutionaliseren; in kerken, systemen, ideologieen. Het is van groot belang dat we hier eerlijk over zijn, want sommige geloofsgemeenschappen zijn het tegenovergestelde van levengevende plekken. Mensen worden er leeggezogen, totdat er zo goed als niets meer van hen over is. God is grimmig en veeleisend, een echte slavendrijver, en de religie van die God wordt een systeem van zondemanagement, waarbij men zich constant in allerlei bochten wringt om de komende toorn te ontwijken, die gewis achter iedere hoek, gedachte en zonde op de loer ligt. Wij vormen ons een beeld van God, en vervolgens worden wij door die God gevormd. Onze overtuigingen doen ertoe. Nu, en straks. Ze doen ertoe voor anderen. Nu, en straks.

Er kleeft nog een dimensie aan de gewelddadige, veeleisende God, de God van wie mensen gered moeten worden door Jezus. Die vinden we in deze woorden van de oudste broer: '(...) en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest' (Lc. 15,29). De woede waarmee hij zich verdedigt is voelbaar, het paranoide bewustzijn waarmee hij gelooft dat zijn vader de hele tijd over zijn schouder keek, wachtend en controlerend om hem op ongehoorzaamheid te betrappen. Een agressieve God roept een diepgaande onrust in mensen op. Spanning. Stress. Deze God zou vrede moeten geven, dat is het verhaal, maar het gevaar is niet denkbeeldig dat deze God uiteindelijk volgelingen genereert die mank en apathisch zijn, verlamd van vrees. Wat je ook doet, geef deze God geen enkele reden om verbolgen te zijn, want de hemel weet wat je dan ontketent. Jezus bevrijdt ons daar allemaal van, want de liefde die zijn handelsmerk is, drijft de angst uit. Nog eenmaal de woorden van de vader in het verhaal uit Lucas 15, die vreugdevol en vrijgevig verzekert: 'Jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou.' Hier ligt nog een andere waarheid naast hemel en hel, angst en geweld. Een waarheid die de hoeksteen is van het evangelie, zowel troostend als uitdagend, zowel genezend als verontrustend.

5. Ons godsbeeld en ons zelfbeeld.

Allebei de broers hebben hun eigen lezing van de gebeurtenissen, hun eigen versie van het verhaal. Hun verhalen zijn echter vervormd, omdat ze de aard van hun vader hebben misverstaan. Dat hebben we gezien. Maar er is nog een reden waarom hun eigen verhaal niet klopt, een reden die niets te maken heeft met het karakter van God, maar alles met het beeld dat de zonen van zichzelf hebben.

  • De jongste broer denkt dat hij onterfd, afgesneden, onwaardig zijn vaders zoon te zijn, vanwege alle vreselijke dingen die hij heeft gedaan. Hij meent dat "zijn slechtheid" het probleem is. Hij verspilde zijn geld aan een losbandig leven en belandde ten slotte in de goot. Bepaald geen reclame voor de familienaam. Hij is ervan overtuigd dat zijn destructieve daden hem in zo"n slecht daglicht geplaatst hebben, dat hij het zelfs niet meer verdient om een zoon te worden genoemd.
  • De oudste zoon daarentegen meent dat hij het verdient om een zoon te zijn vanwege "al het goede" dat hij heeft gedaan, alle regels die hij in acht heeft genomen, al die dagen dat hij zich heeft 'uitgesloofd' voor zijn vader. Hij denkt dat hij door zijn goedheid een wit voetje haalt.
  • De jongste broer is door zijn fouten van huis afgedwaald, weg van zijn familie, diep in de miserie. Zijn zonden hebben afstand gecreeerd tussen hem en zijn vader.
  • Er is ook afstand gekomen tussen de oudste broer en zijn vader, al is hij niet van huis weggegaan. Dat ligt een stuk subtieler en is een stuk giftiger. Zijn probleem is zijn 'goedheid'. Zijn regelvaste en gehoorzame vertrouwen in zijn eigen daden heeft uiteindelijk scheiding gebracht tussen hem en zijn vader. Uit wat hij tegen zijn vader zegt, kunnen we opmaken dat hij in de veronderstelling verkeert dat zijn jaren van dienstbaarheid en inzet hem feitelijk in de gunst zouden brengen bij zijn vader. Hij denkt dat zijn vader van hem houdt, omdat hij zo gehoorzaam is geweest. Hij denkt dat hij rechten heeft vanwege al het werk dat hij heeft verzet. Hij denkt dat zijn vader hem iets verschuldigd is. Onze verdorvenheid kan tussen Gods liefde en ons in komen te staan, dat is duidelijk.
  • Maar ook onze "goedheid" kan tussen God en ons in komen te staan. Geen van beide zonen begrijpt dat de liefde van de vader nooit draaide om iets van dat alles. De liefde van de vader kan niet verdiend worden en kan niet ingetrokken worden. De liefde van de vader is er. Ze is een feest, een viering, een aangelegenheid zonder begin en zonder einde. Jouw goedheid, jouw rechtvaardigheid en de daden die je hebt verricht veroorzaken niet dat Gods liefde naar je uitgaat. Beide zonen rest er niets anders dan te vertrouwen.

Beknopte bibliografie

  • Bell Rob. En het meeste van deze is LIEFDE. Utrecht. Kok. 2012.
  • Bulckens Jef (red.), Parabels meerstemmig, Kapellen: Patmos, 1980.
  • CCV Brugge, Mee naar de overkant. Jezus volgen in het Marcusevangelie. Leerhuis 5. 2010.
  • Burggraeve Roger, Hoog tijd voor een andere God. Bijbels diepgronden naar de ziel van ons mens-zijn. Leuven. Davidsfonds. 2015.
  • Devogelaere Carine, Ongemakkelijke parabels van Jezus. in: Paul Kevers (red.) Ongemakkelijke woorden van Jezus. VBS/Acco, 2014, pp. 75-85.
  • Devisscher Luc, Parabels? Parabels! Luister-, lees- en werkboek met CD. VBS/KBS. 2003.
  • Drewermann, Eugen, Taal voor de ziel. Jezus' bevrijdende verhalen, Kampen: Kok, 2009.
  • Grun Anselm, In therapie bij Jezus. De helende kracht van Bijbelse verhalen, Utrecht: Ten Have, 2012.
  • Jeremias Joachim, De gelijkenissen van Jezus, H. Nelissen, Bilthoven, 1968.
  • Lamberigts Sylvester, De kracht van verhalen. Parabels van Jezus, Averbode, 2006.
  • Lambrecht Jan, Terwijl Hij tot ons sprak. Parabels van Jezus, Tielt, Lannoo, 1976.
  • Lambrecht Jan, Nieuw en oud uit de schat. De parabel in het Matteusevangelie, VBS/Acco, Leuven, 1991.
  • Noel Filip, Lucas, in: Internationale Commentaar op de Bijbel, Band 2, Kok/Averbode, 2001.
  • Rossel Wilfried, Zonder parabels sprak Hij niet, Patmos, Kapellen, 1985.
  • Schillebeeckx Edward, Jezus. Het verhaal van een levende, Bloemendaal-Brugge. 1974 (pp. 126-141).
  • Servotte Herman, Marcus Literair, Averbode, 1996.
  • Standaert Benoit, Marcus, geweld en genade, Lannoo, Tielt, 1985.
  • Van Oyen Geert, De Marcus code, Averbode, 2005.

Ons tijdschrift voor Bijbel en Liturgie

Viermaal per jaar verschijnt Vrienden van Bijbelhuis Zevenkerken. Dit tijdschrift gaat dieper in op de relatie tussen Bijbel en liturgie. Daarbuiten komen ook andere bijdragen over de Bijbel aan bod. Leden van de redactie...  lees meer »

Lectionarium

Op zoek naar een zondagslezing of commentaar? Wekelijks kunt u op onze blog terecht voor tekst, audio en commentaar. Hier vindt u het archief, De "lees meer" knop brengt u naar de lezing van de komende week.  lees meer »

Waken met de psalmen - Benoît Standaert OSB

Een psalmodie of nachtwake met psalmen is een ascetische praktijk die vandaag terug aanspreekt. Psalmodiëren is immers opstijgen naar herstel, naar bevrijding, naar redding, naar messiaanse vervulling, naar vrede. Pater Benoît Standaert en Hilde Laureys hebben voor ons de psalmen ingesproken. Ze werken met het hele psalterium over één week gespreid...  lees meer »