Vragen en antwoorden bij het Marcusevangelie

Christus en de apostelen

 

 

 

Vraag 1

Waarom zouden we het Marcusevangelie lezen? 

 

1.A. Omdat het Marcusevangelie veel rijker is dan het aanvankelijk lijkt. 

1. Dit schijnbaar pretentieloze evangelie blijkt een meeslepend en diepzinnig verhaal te zijn.

Dit geheim betreft eerst de literaire vormgeving van het boek. Bij een eerste kennismaking lijkt het een curieuze verzameling losse anekdoten en spreuken omtrent Jezus van Nazaret. Aandachtige lezing ontdekt een zorgvuldig gecomponeerd verhaal met een goed geordende, spannende ontwikkeling. Raadselachtige paradoxen zorgen voor onverwachte diepgang. De toegepaste ironie laat de lezers aan het slot buiten adem en licht verbijsterd achter. Hier is een meesterverteller aan het werk, die zijn lezers doelbewust meeneemt naar een galgenveld waar ze eigenlijk niet willen zijn, en die hen door het open einde van zijn boek interactief laat meespelen in de ontknoping ervan.

 

2. Het onthult het geheim van Jezus als de gekruisigde dienaar van mensen.

Dit geheim betreft vervolgens Jezus’ ware identiteit. Het Marcusevangelie staat al lang bekend als het evangelie van het zogenoemde messiasgeheim. En inderdaad, in de loop van het verhaal wordt geleidelijk Jezus' ware identiteit als messias en zoon van God onthuld. Al in de titel van het boek wordt Jezus messias en zoon van God genoemd. Het verrassende is dat deze veelbelovende titels gaandeweg van alle macht en aanzien worden ontdaan. Uiteindelijk blijken ze te worden toegekend aan een totaal ontluisterde gekruisigde, die zijn leven gegeven heeft om anderen te redden. Alleen wie kijkt met de maatstaf van de dienst, ontdekt diens ware grootheid. Een man uit Galilea die als godslasteraar is veroordeeld en terechtgesteld, blijkt zoon van God te zijn. Dat is het messiasgeheim dat Marcus voor zijn lezers onthult en toegankelijk maakt.

 

3. God onthult zich als een nabije en solidaire God die oproept tot dienst.

Daaronder steekt het geheim van God. Achter het messiasgeheim ligt een nog dieper geheim verscholen, dat eveneens gaandeweg wordt onthuld: het geheim van God. Marcus begint en eindigt zijn verhaal met God, hoewel hij Hem niet expliciet noemt. Aan het begin komt een stem uit de hemel die Jezus als Zoon van God installeert en uitzendt. In het midden klinkt een stem uit een wolk die Jezus, op weg naar zijn verwerping en executie, als Zoon van God bevestigt. Aan het einde is er een hemelse gezant met de boodschap dat Jezus, de gekruisigde man uit Nazaret, werd opgewekt van de dood. Tijdens zijn optreden opent de Zoon een nieuwe weg: Hij geeft zijn leven om anderen te redden en verkondigt dat de grootste is degene die dient. Dit zegt iets over God, in wiens naam Hij optreedt en door wiens geest Hij wordt geleid en bezield. Die God manifesteert zich niet als een heerser die zijn macht over de mensen laat gelden. Hij blijft integendeel solidair met mensen zonder naam en faam, met de armen, de zieken en de geringen. Hij is kwetsbaar, wordt miskend en afgewezen. Het is raadselachtig en verontrustend op hoeveel verzet Hij stuit. Zijn Zoon wordt als een godslasteraar veroordeeld en vermoord. Dat Jezus uiteindelijk wordt opgewekt uit de dood, betekent niet dat God zich voortaan openbaart met macht en majesteit, en kwaad en onrecht bestrijdt met geweld. In de opstanding bevestigt Hij de weg van Jezus, die getuigt van zijn solidariteit met de zwakken en rechtelozen. Die weg blijft onverkort geldig. Zo lijkt de maatstaf dat de grootste is degene die dient, ook te gelden voor God.

 

Zo onthult het een drievoudig geheim (Joop Smit, 2011).

1.B. Omdat in het Marcusevangelie veel vragen worden gesteld waar wij mee zitten.

  • In het ontdekken wie Jezus is en wat Hij voor mensen (leerlingen in meerdere betekenissen van het woord) kan betekenen, is het Marcusevangelie een goede invalshoek omdat daar juist de vragen worden gesteld waarmee (jonge) mensen zitten aangaande Jezus. In dit evangelie spelen de talrijke vragen (meer dan 100) een belangrijke rol. Het zijn vragen van 'de menigte' (de mensen die Jezus bezig zien en horen), van zijn tegenstanders, van zijn leerlingen en van Jezus zelf. De meeste vragen hebben betrekking op de identiteit van Jezus. ‘Wie is toch deze man?’ Vaak zijn het vragen die ook bij de lezer opkomen. Ze brengen dynamiek in het verhaal. Ze stimuleren de lezer om verder te lezen tot hij het antwoord krijgt.
  • Op een belangrijk moment in het verhaal – halfweg het evangelie - vraagt Jezus dan zelf aan zijn leerlingen wat de mensen over Hem zeggen. Hij krijgt uiteenlopende antwoorden. Dan vraagt Hij hen op de man af: ‘Wie ben Ik volgens jullie?’ – ‘De messias’, antwoordt Petrus zonder aarzelen (8,29). Maar uit het vervolg blijkt dat hij niet goed begrijpt wat hij heeft gezegd. En bij de lezer moet hier de vraag opkomen waarom Jezus zijn leerlingen streng verbiedt daar met iemand over te spreken. Marcus heeft met zijn evangelie inderdaad meer op het oog dan het louter navertellen van het leven van Jezus. Hij wil ermee aantonen wie Jezus is: de messias (eerste deel: 1,1-8,30), maar vooral wat voor een messias die Jezus is (tweede deel: 8,31-16,8). (Jan Lambrecht, 1981)

 

1.C. Omdat Marcus in zijn evangelie zelf actualiseert.

Marcus heeft actuele toestanden van zijn tijd op het oog.

Het zou verkeerd zijn te denken dat Marcus de bedoeling had voorbije gebeurtenissen zo nauwkeurig mogelijk te vertellen. Bij het redigeren van zijn evangelie gebruikte hij traditiemateriaal over Jezus om zijn toenmalige (actuele) lezers te leren en aan te sporen. Want het probleem van Petrus is ook het hunne. Het onbegrip van de leerlingen, hun verkeerd begrijpen en reageren, dit alles is ook hun situatie. Marcus is bijgevolg een auteur die actualiseert. Zijn verhaal heeft een dubbele bodem. Veel woorden, gebeurtenissen en personen uit het Marcusevangelie hebben zonder twijfel een dubbele laag. Marcus bedoelt door verhalen uit Jezus’ leven actuele toestanden te benaderen. De geschiedenis van Jezus is een spiegel voor Marcus’ tijd. Met behulp van zijn verhaal over Jezus moedigt en spoort hij zijn medegelovigen en tijdgenoten aan. Hij waarschuwt en toont de juiste weg. Beide polen, verleden en heden, moeten vastgehouden worden. Marcus speelt zo op twee klavieren. (Jan Lambrecht, 1981)

 

  • Lege formules van toen en nu vragen actualisatie in daden.

‘En Jezus waarschuwde hen tegen niemand dat over Hem te zeggen’ (8,30). Ook het spreekverbod blijft actueel voor de mensen uit Marcus’ tijd en voor onze leerlingen en tijdgenoten nu. Omdat de christelijke titel ‘messias’ of ‘Christus’ verbleekt en afgesleten is door het veelvuldig gebruik. De titel is op zichzelf wel juist, maar hij is veel te veel nietszeggend geworden. Omdat hij reeds toen, rond 70 na Christus, afgesleten, vaag en leeg was geworden, bestond het gevaar dat de christenen van Marcus’ tijd hem met een verkeerde inhoud vullen. Het heeft soms weinig zin, zo oordeelt Marcus, te blijven zeggen dat Jezus de Christus is. Deze belijdenis is juist, maar zonder inhoudelijke vulling wordt ze te nietszeggend en bovendien vatbaar voor een verkeerde, oppervlakkige en triomfalistische interpretatie.

Marcus weet dat zijn lezers, net zoals Petrus, protest aantekenen tegen Jezus’ lijdensnoodzaak. Maar met een Jezuswoord veroordeelt hij dit protest als duivels en goddeloos. Om dit oordeel te ontkomen en werkelijk christen te blijven en achter Jezus aan te gaan, zijn woorden (een correcte belijdenis) onvoldoende. Wat er nodig is, zegt Marcus, zijn daden van werkelijke navolging, zelfverloochening en kruisdraging. Op deze wijze commentarieert Marcus, vanuit de concrete actuele situatie van zijn kerk, de overgeleverde correcte maar verbleekte Christustitel. Ook in de hevige reactie van Petrus op Jezus’ lijdensvoorspelling (zie 8,32) heeft Marcus dus actuele reacties van zijn medechristenen gegoten. Het zwijggebod van Jezus is in deze uitleg dus geen bevel door Jezus veertig jaar geleden werkelijk en woordelijk gesproken. Neen, het komt van de evangelist die pastoraal bezorgd is om de kwaliteit van het geloof van zijn medemensen. En die Marcus drukt zijn tijdgenoten op het hart: Houd op met het herhalen van formules als ‘Gij zijt de Christus’, hoe onberispelijk juist ze ook mogen zijn. Besef liever wát voor een Christus die Jezus was. Hij was Christus op de wijze van een lijdende, stervende en verrijzende Mensenzoon! (Jan Lambrecht, 1981)

 

1.D. Omdat je in dit evangelie Jezus beter leert kennen.

Marcus ontwikkelt een strategie om de lezer te laten nadenken over wie Jezus is: een driehoek van herkenning tussen Jezus, de leerlingen en de lezers. Lezers en leerlingen stappen hand in hand door het evangelie.

Aanvankelijk is de lezer door de proloog beter geïnformeerd over Jezus dan de leerlingen. Hij kan dan niet anders dan gaandeweg besluiten dat de leerlingen niet erkennen dat Jezus de messias en Zoon van God is. Terwijl de lezer aanvankelijk sympathie voelde voor de leerlingen, is diezelfde lezer nu afstand aan het nemen van de leerlingen omdat ze niet consistent zijn in hun houding tegenover Jezus. De lezer is in de veronderstelling dat hij het antwoord op die vraag wel zou kunnen geven. De lezer zal zich dan de vraag wel moeten stellen waarom de leerlingen Jezus niet herkennen. Wat moesten ze dan wel herkennen? Het onbegrip heeft alles te maken met de identiteit van Jezus.

Het effect van de harde woorden over het onbegrip van de leerlingen is bedoeld voor de lezer. De leerlingen mogen van de verteller nog niet inzien en zeggen dat Jezus de messias is, omdat hij vreest dat de lezer op basis van gedeeltelijke informatie een verkeerd beeld over Jezus zou krijgen. De leerlingen die Jezus van nabij hebben gevolgd, de verkondiging over het Rijk Gods hebben gehoord en grootse wonderen hebben meegemaakt, zijn niet in staat om te zien dat Jezus de messias is. Dan is de lezer, die wél op de hoogte is van deze identiteit, verplicht om zichzelf te bevragen of hij op een correcte manier weet te interpreteren wat Marcus bedoelt met 'Jezus de messias'. Geert Van Oyen heeft dat mooi uitgewerkt. (Geert Van Oyen, 2005)

 

Zoals het leerplan voorstelt, kan je door het lezen van Mc. 1,21-45 een ‘dag uit het leven van Jezus in Kafarnaüm meemaken en zo Jezus beter en op een toegankelijke manier kennen. Je ziet waar Hij verblijf houdt, wat Hij allemaal zegt en doet en waarvan Hij leeft. Dit alles wordt verder uitgewerkt in vraag 4.

1.E. Omdat de lezer in dit evangelie leert wat Jezus navolgen betekent.

Marcus zegt door zijn redactie heen tegen zijn lezers (tijdgenoten, medechristenen): Jezus Christus kan men alleen maar goed begrijpen wanneer Hij gezien wordt als de Mensenzoon die moest lijden, sterven en daarna verrijzen. Zo moeten de christenen hun Christusbeeld concretiseren. En wat betekent dat voor de moderne hedendaagse lezer? Kan hij als christen deze teksten nog beluisteren als een persoonlijke oproep? Wat houdt het in volgeling van Jezus te zijn in deze tijd? ‘Als iemand achter Mij aan wil komen, laat hij dan zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen’ (8,34). De volgeling verliest zijn leven omwille van Jezus en het evangelie en paradoxaal redt hij het op deze wijze (vgl. 8,35). Hij mag zich ten overstaan van de mensen niet schamen over de Mensenzoon en zijn woorden (vgl. 8,38). Dat zijn woorden van actuele, radicale navolging voor christenen nu.

Ieder christen van welke tijd of cultuur dan ook blijft opgeroepen tot een veeleisende navolging. Een echte volgeling van Jezus, thuis, op het werk, op school, op de parochie, in de jeugdbeweging of op reis, zal onvermijdelijk bij de mensen verbazing wekken en vragen doen ontstaan. Hij zal getuigen en, zo voorspelt ons het evangelie, hij zal botsen op ongeloof, onbegrip, onwil en aanstoot bij anderen. En dit hoewel die christen zelf goed beseft en pijnlijk ervaart dat zijn navolging nog aarzelend, onvolmaakt en kwetsbaar is. (Jan Lambrecht, 1981)

 

Dit wordt verder uitgewerkt in vraag 5.

1.F. Omdat er in de leerplannen veel aandacht gaat naar het Marcusevangelie.

In de eerste graad gaat het in het eerste jaar over de betekenis van (Bijbel)verhalen. Verhalen die ons leren vertrouwen en ons doen nadenken over het leven. De vraag wordt gesteld wat verhalen doen met mensen. Aandacht gaat uit naar Jezus als verteller van verhalen, als een man die spreekt in parabels. (1B Verhalen p. 69; 1A Tijd p. 88; 1A Verhalen p. 88)

In de tweede graad wordt in het derde jaar de nadruk gelegd op de rol die (Bijbel)verhalen spelen bij de eigen identiteitsvorming (Wie ben ik?) (3ASO Jezelf worden  p. 104) en bij de ontplooiing van gelovigen en geloofsgemeenschappen (3ASO Bronnen van leven p. 106; 3TSO Bronnen van leven p. 159). Langs het omgaan met Bijbelverhalen kom je op het spoor waar mensen van leven. Waar over kiezen (Waaruit leef ik? Waarvoor ga ik?) wordt gesproken, kunnen roepings- en bekeringsverhalen worden genomen (3ASO Kiezen p. 108-109; 3BSO Identiteit p. 132). Ook daarvoor kunnen wij in het Marcusevangelie terecht. Daar staat immers centraal dat echte vrijheid het zich binden in liefde is.

In de derde graad wordt in het zesde jaar gevraagd het karakteristieke van het leven als christen te verwoorden vanuit het Marcusevangelie (6ASO Leven als christen p. 122 (Wie zeggen jullie dat Ik ben?); Vragen over en aan Jezus; De weg die Jezus gaat (Wie is Jezus?); Geloven als engagement (Wat is geloven?). Doorheen het Marcusevangelie kan men een rijke kern van zingeving aangeven (6BSO Kijk op leven p. 150) (Wat geeft zin aan leven?). Daar kan het Marcusevangelie benaderd worden in kleinere stukken vanuit de opdracht: welke vragen worden gesteld door en aan Jezus (wenken p. 14). Ook daar wordt aandacht gevraagd voor roepings- en bekeringsverhalen.

In het zevende jaar wordt aandacht gevraagd voor Bijbelverhalen als spiegel voor mensen, op zoek naar zichzelf, en binnen een evangelie op zoek naar Jezus' persoonlijke weerbaarheid: (Mc.8,31-37; 9,33-41; 10,35-45) (wenken p. 19); 7de jaar Groeien naar persoonlijk engagement p. 189; 7de jaar Beginnend levensbeschouwelijk engagement p. 195.

Verder worden - in de inleiding van het leerplan - de leerlingen van de drie graden uitgenodigd Jezus beter te leren kennen door stil te staan bij volgende verzen uit het Marcusevangelie (leerplan p. 21):

  • Mc. 3,35: 'Want wie de wil doet van God, die is mijn broer en mijn zuster en mijn moeder.';
  • Mc. 6,31: 'Ga nu mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en wat uit te rusten.';
  • Mc. 8,33: 'Weg daar, achter Mij, satan, want jouw gedachten zijn niet Gods gedachten, maar die van mensen.';
  • Mc. 8,34: 'Als iemand achter Mij aan wil komen, laat hij dan met zichzelf breken, zijn kruis opnemen en Mij volgen.';
  • Mc. 8,35: 'Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen en wie zijn leven verliest vanwege Mij en de goede boodschap, zal het redden.';
  • Mc. 9,35: 'Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen zijn en de dienaar van allen.';
  • Mc. 10,21: 'Aan één ding ontbreekt het u nog: ga verkopen wat u hebt en geef het aan de armen, en u zult een schat hebben in de hemel. Kom dan terug om Mij te volgen.';
  • Mc. 10,43-45: 'Wie daarentegen groot wil worden onder jullie, moet jullie dienaar zijn; wie onder jullie de eerste wil zijn, moet slaaf van allen zijn. Want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.';
  • Mc. 12,17: 'Geef aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is.';
  • Mc. 12,28-34: '... U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw verstand en met heel uw kracht ... u zult uw naaste liefhebben als uzelf.' (het dubbelgebod van de liefde)

Verder nodigt het Marcusevangelie ons ook uit stil te staan bij ‘Een dag uit het leven van Jezus’ Mc 1, 21-39 (1A Tijd p. 85). Op  p. 3 van de wenken wordt daaraan dat her hier gaat om de vraag: ‘Waar is het Jezus om te doen en tot welk concreet handelen leidde dit en wat betekende dit voor zijn tijdsbesteding?’. Dit wordt uitgewerkt in vraag 4.

 

  • In de leerplannen wordt gepleit voor een narratieve benadering van grotere gehelen

In het leerplan (p.32) wordt gepleit om meer te werken vanuit de Bijbel dan eerst en vooral met de leergroep te werken over de Bijbel. Dit kan dan weer het best wanneer grotere gehelen uit de Bijbel in het godsdienstonderricht kans krijgen. Het christelijk geloof kan men verstaan als een verhaal en een veelheid van verhalen: het levensverhaal van Jezus van Nazaret, gedragen en geschiedend binnen een persoonlijk leven en de geloofsgemeenschap. Een narratieve benadering houdt in dat men bereid is Jezus' verhaal en dat van velen in zijn spoor, licht te laten werpen op het eigen leven en dit te laten bevragen. 

 

  • En het Marcusevangelie is zo’n groot verhaal

Het Marcusevangelie is geen preek of brief, geen hymne of geloofsbelijdenis, maar een verhaal, een verhaal waarin de gebeurtenissen worden geordend en de rollen tussen de diverse acteurs worden verdeeld. Veel verhalen verlopen volgens eenzelfde basisschema. Het verhaal begint met een probleem en een hooggeplaatste persoon of instantie die het initiatief neemt om deze moeilijkheid op te lossen. Om dit doel te bereiken zendt deze de held van het verhaal erop uit. Vervolgens gaat de held, meestal incognito, op weg om zijn opdracht uit te voeren. Hij ondervindt daarbij tegenwerking van een andere hooggeplaatste persoon of instantie die krachten mobiliseert om zijn onderneming te verijdelen. Na talloze schermutselingen leidt dit tot een confrontatie op leven en dood. Daarbij behaalt de held een nipte overwinning, waarbij zijn ware identiteit bekend wordt. Ten slotte stelt de hooggeplaatste opdrachtgever vast dat de held zijn opdracht - het probleem oplossen - heeft volbracht. Hij geeft hem daarom een hoge functie en overlaadt hem met eer. De manier waarop Marcus het verloop van Jezus' optreden vertelt, sluit duidelijk aan bij dit patroon. Marcus’ weergave van Jezus' optreden modelleert volgens dit schema. Dit gegeven is voor een goed begrip van Marcus' boek van groot belang. Dit geldt in het bijzonder voor de manier waarop Marcus zijn verhaal begint en eindigt. Het vestigt de aandacht op de rol van God, die het initiatief neemt en de opdracht geeft, van Satan, die zich uit alle macht verzet, en opnieuw van God, die Jezus, de uitvoerder van de opdracht, ten slotte rehabiliteert. Dit verhaalpatroon werpt ook een licht op het zogenoemde messiasgeheim, het gegeven dat de identiteit van Jezus onbekend is en met geheimzinnigheid omgeven, en pas aan het eind geheel wordt onthuld. (Jan Lambrecht, 1981)

 

 

Vraag 2

Wat is de concrete aanleiding geweest van het ontstaan van dit evangelie?

2.A. Het Marcusevangelie is het oudste evangelie.

Volgens de klassieke en meest aanvaarde bronnentheorie, is het Marcusevangelie het oudste evangelie. We mogen echter nooit uit het oog verliezen dat er tussen de dood en opstanding van Jezus en het Marcusevangelie in zijn huidige vorm minstens 40 jaren voorbij zijn gegaan. In die tussenperiode is er uiteraard veel gebeurd op vlak van mondelinge en daarna schriftelijke overlevering. De bron Q kent geen passieverhaal, en toch moet juist dit verhaal ook heel oud zijn. Wanneer is er een eerste vorm van het passieverhaal schriftelijk gaan circuleren? Of is Marcus degene geweest die het eerst op deze manier vorm gegeven heeft aan het ‘evangelie’?  

 

2.B. Het is geschreven in Rome voor heiden-christenen.


Dit evangelie is geschreven buiten Palestina, en wel in de stad Rome, het centrum van de imperiale Romeinse macht. De latinismen in het Marcusevangelie zouden dat ondersteunen. In Rome moet reeds in een vroeg stadium een Jezusgemeente zijn ontstaan, getuige de brief die Paulus aan deze gemeente schrijft. Men vermoedt dat het geloof in Jezus als de messias zich verspreid heeft via soldaten, handelaars en slaven. Er was bovendien een heel netwerk van christenen die met elkaar in contact stonden. De gemeente in Rome had al veel moeilijkheden overwonnen, onder andere door de verdrijving van de Joden op bevel van keizer Claudius in de tweede helft van de jaren veertig. Door het wegvallen van de joodse Jezusgelovigen hebben heiden-christenen het heft in handen genomen. Paulus heeft hen later erop moeten wijzen dat zij zich niet moesten gedragen als parvenu’s, en hun gevraagd om de joodse gelovigen opnieuw de hun toekomende plaats te geven. Wat zij geloofden zien we in de oerverkondiging van de apostelen – het Jezuskerygma – zoals we dat terugvinden in de eerste toespraken van Petrus in het boek ‘De Handelingen van de Apostelen’ (hfdst. 2-3). Er moeten ook woorden (logia) van Jezus gecirculeerd hebben, alsmede woorden die opgenomen waren in genezingsverhalen of wonderverhalen van allerlei soort. Paulus gebruikt de term ‘evangelie’ veelvuldig om te verwijzen naar de inhoud van zijn verkondiging, maar hij gebruikt deze term nooit als verwijzing naar een concreet geschrift. Dat komt pas later. 

 

2.C. Het is geschreven naar aanleiding van ‘de grote catastrofe’.

Veel exegeten menen dat er in het Marcusevangelie tal van aanwijzingen zijn die laten zien dat het evangelie geschreven werd na ‘de grote catastrofe’: de verwoesting van Jeruzalem en de verbranding van de heilige tempel.

Deze ‘grote catastrofe’ is de dramatische afloop van wat de ‘eerste Joodse Oorlog’. Deze begint met een opstand in het jaar 66 en duurt tot 73 n.Chr. De tempel wordt verwoest in het jaar 70 door generaal Titus, later keizer Titus. Het is ongetwijfeld zo dat de verwoesting van stad en tempel wereldschokkend nieuws was, een drama voor Joden en christenen.
In de stad Rome kreeg het verschrikkelijke nieuws van de verwoesting van stad en tempel een extra dimensie door de triomftocht van generaal Titus. Deze triomftocht staat nog steeds afgebeeld op de triomfboog op het Forum Romanum die aan dit feit herinnert.
Geroofde tempelbuit werd meegevoerd, waaronder de zevenarmige kandelaar (de menora) én het voorhangsel. Ook werden (700?) Joden als buitgemaakte slaven meegevoerd, als teken van hun totale onderwerping. De in Rome woonachtige Joden en joden-christenen hebben deze triomftocht allicht met eigen ogen kunnen aanschouwen.

 

Maar is die catastrofe ook het einde van het Jezusverhaal?

Voor de joden-christenen en natuurlijk ook voor de heiden-christenen stelde zich nu de vraag: wat is de betekenis hiervan? Is dit het einde van het Jezusverhaal? Jezus was toch de messias van Israël, en Israël was toch bestemd om een licht te zijn voor de volken? Maar wat als het hart uit dat Israël werd weggesneden, de heilige stad en de tempel? Had Jezus niet beloofd dat Hij spoedig zou terugkeren als de met macht beklede Mensenzoon? Was Jezus’ laatste maaltijd niet een Pesach-maaltijd: feest van vrijheid en bevrijding? En wat moesten de volgelingen van Jezus aan met het feit dat velen van hen de oorlog ontvlucht waren terwijl hun broeders waren gestorven? Ook hier diende een grondige bezinning zich aan.
Het Marcusevangelie – in zijn uiteindelijke vorm – zou het resultaat zijn van deze bezinning. 

 

Een van de belangrijkste momenten waarop de Jezusgemeente in Rome samenkwam, was de Paasnacht, de avond waarop Pesach werd gevierd en waarop ook op een bijzondere manier Jezus die zich geeft voor anderen liturgisch werd gevierd. Het Marcusevangelie heeft alles te maken met het doel van het verhaal. Dit verhaal was volgens Benoît Standaert aanvankelijk bestemd om in één ruk voorgedragen te worden, en wel in de Paasnacht, terwijl op het einde van die nacht de nieuwelingen werden gedoopt en men daarna samen aan tafel ging en het brood brak in Jezus’ naam. Maar na de verwoesting van Jeruzalem en de triomftocht van Titus in Rome kon men Pasen niet meer op dezelfde manier vieren. Op Pasen keek men immers uit naar de komst (parousia) van de Heer! Maar was zijn komst nog wel te verwachten na alles wat er gebeurd was? Het drama moest verwerkt worden en er moest op de een of andere manier toch betekenis aan verleend worden. 

 

In ons taalgebied zijn er recent twee studies verschenen die daar dieper op ingaan.

De eerste studie is van Egbert Rooze, Marcus als tegenevangelie.

Egbert Rooze situeert het Marcusevangelie in zijn huidige vorm tegen de achtergrond van de eerste Joodse Oorlog en hij geeft een opsomming van de gevolgen die deze oorlog had voor de toenmalige wereldwijde joodse gemeenschap. De evangeliën zijn in samenhang met de Joodse Oorlog ontstaan. 

In zijn eerste hoofdstuk gaat Rooze in op de vraag waar de term ‘evangelie’ (euangelion) eigenlijk vandaan komt. Als de keizer een succes heeft behaald, heet dat een euangelion: goed nieuws voor heel het Rijk. Zo is de triomftocht van Titus voor de inwoners van de stad Rome en voor alle inwoners van het Romeinse Rijk een euangelion. Rooze stelt zich voor dat Marcus en andere leden van de Jezusgemeente deze triomftocht met eigen ogen hebben aanschouwd. Daar moet bij Marcus het idee zijn ontstaan om het ‘euangelion tou ´Ièsou Christou’ (‘evangelie van/over Jezus messias’) te schrijven als een ‘tegenevangelie’, als een antwoord op het euangelion van de Romeinse keizer en diens generaals. Rooze heeft zich echter onvoldoende verdiept in de Oudtestamentische achtergrond van de term euangelion en gaat eveneens voorbij aan het gebruik van deze term door Paulus in zijn brieven. Het is duidelijk dat Paulus met euangelion een heel andere kant opgaat. 

 

De tweede, meer wetenschappelijk onderbouwde, studie is van de exegeet Karel Hanhart, De tragedie voorbij. Het subversieve evangelie van Marcus na de verwoesting van Jeruzalem (Jean Bastiaens, Leerhuismap 2017).

 

Volgens Karel Hanhart is het Marcusevangelie geen biografie, maar een terugblik op de betekenis van Jezus’ leven en sterven voor de kerk in Rome kort na het aangrijpende nieuws van de verwoesting van Jeruzalem. Het Marcusevangelie dateert van ca.72, dus vlak nadat het schokkende nieuws van Jeruzalem Rome bereikte en Titus zijn triomfparade hield op weg naar het forum om de goden te danken. Het reikhalzend uitzien naar de komst van Jezus is plotseling omgeslagen in een sfeer van rouw. De teleurstelling en ontreddering vereisten een nieuwe visie op Jezux' leven en zijn verkondiging en van het kruis.

Marcus is een paashaggada, een liturgisch geschrift dat antwoord gaf op de vraag: ‘Hoe kan ik vandaag - circa 72 na Christus - Pesach vieren?’ Marcus geeft een actualiserend commentaar op de eigenlijke haggada: het verhaal van de uittocht uit Egypte en de doortocht door de woestijn, alsook over de intocht en de inbezitneming van het land, de verwoesting van de eerste tempel en de daarop volgende Babylonische gevangenschap en de onverwachte terugkeer van de ballingen onder de Perzische heerser Cyrus. Jezus is een tweede Jozua (dezelfde naam in het Grieks) en zal, zoals Jozua, het land binnentrekken en het veroveren op de afgodische machten (zowel de demonen, als ‘legioen’ – Mc. 5,9-7). Hij zal het mogelijk maken dat God – en alleen Hij – regeert over zijn volk in het land. Hij inaugureert het Koninkrijk van God.

 

 

Vraag 3

Hoe is het Marcusevangelie gestructureerd en wat is de rode draad?

3.A. Voor de structuur zijn de geografische aanduidingen belangrijke aanwijzingen.
  • Na een proloog (1,2-13) die Jezus aan de lezers voorstelt, speelt een eerste deel van het verhaal zich af in Galilea en omstreken (1,14-8,26).
  • Een tweede deel vertelt wat er gebeurt op weg naar Jeruzalem (8,27-10,52).
  • Het derde deel speelt zich af in Jeruzalem en wordt afgesloten met de dood van Jezus (11,1-15,47). Maar dit einde is een open einde.
  • Er volgt nog een epiloog, die de lezers terug naar Galilea verwijst (16,1-8).
  • Een structuur of compositie van het Marcusevangelie (Jan Lambrecht, 1981)

HET EERSTE DEEL (1,1-8,30) - JEZUS IN GALILEA

1. BEGIN VAN HET EVANGELIE (1,1)

De blijde boodschap handelt over Jezus Christus, Zoon van God.
Het Marcusevangelie moet in het licht van dit titelvers gelezen worden.

2. DE PROLOOG (1,2-13)

De prediking van de Doper; het doopsel van Jezus; de beproeving van Jezus in de woestijn.

3. EEN EERSTE DRIELEDIG GEDEELTE (1,14-8,26)

In dit gedeelte kunnen drie stukken onderscheiden worden. Elk stuk begint met een korte samenvatting (summarium) van wat Jezus doet. Hierop volgt telkens een bericht over de leerlingen. Elk stuk eindigt met de vermelding van onbegrip:

 

summarium

leerlingen

onbegrip
1,14-15

1,16-20 

3,1-6 (farizeeën e.a.)

3,7-12

3,13-19 

6,1-6a (stadsgenoten, verwanten)

6,6b

6,7-13 

8,14-21 (leerlingen)


Men mag aannemen dat Marcus om inhoudelijke redenen deze 'driemaal drie'-structuur uitgewerkt heeft:

  • Jezus heeft zich met woord en daad ten volle ingezet om de blijde boodschap te brengen (vgl. de summaria en de verhalen)
  • Jezus heeft andere mensen bij zijn werk willen betrekken (vgl. de leerlingen-perikopen: roeping, aanstelling en zending)
  • Jezus stootte bij de farizeeën, stadsgenoten, verwanten en leerlingen op onbegrip.
  • De drievoudige herhaling van deze thema's onderstreept hun belang.

    Marcus 8,22-26 – de genezing van de blinde in twee fasen - vormt een scharnierperikoop

    HET SCHARNIERSTUK: DE BELIJDENIS TE CAESAREA VAN FILIPPUS (8,27-30)

    ‘Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?’ Petrus antwoordt: ‘Gij zijt de messias’. Na alles wat Jezus gezegd en gedaan heeft, lijkt de titel ‘Christus’ hier op de juiste plaats te staan. Petrus spreekt het inzicht van zijn medeleerlingen uit.

    Maar onmiddellijk verbiedt Jezus de leerlingen met iemand erover te spreken. Jezus wijst de titel niet af. Hij vreest echter dat men hem verkeerd zal verstaan. Deze perikoop is een eindpunt en een hoogtepunt, maar slechts voorlopig. Jezus moet nog aantonen wat voor een Christus Hij is. Met 8,31 begint een tweede deel.

    HET TWEEDE DEEL (8,31-10,52) -JEZUS ONDERWEG NAAR JERUZALEM

    EEN TWEEDE DRÍELEDIG GEDEELTE (8,31-10,52)

    Aan het begin van elk stuk staat een lijdens- en opstandingsvoorspelling. De leerlingen reageren telkens met onbegrip. Daarop geeft Jezus onderricht met betrekking tot navolging:

lijdensvoorspelling

onbegrip

navolging

8,31

8,32-33 (Petrus)

8,34-35

9,31

9,32-34 (leerlingen)

9,35-37

10,32-34

10,35-37 (Jak. en Joh.)

10,41 (de tien anderen)

10,38-40

10,42-45

Ook in dit gedeelte kan de schikking nauwelijks toevallig zijn. We staan opnieuw voor een thematische herhaling. Hoewel Jezus duidelijk zijn lijdenslot en verrijzenis aankondigt, blijven de leerlingen zonder begrip.

Door zijn oproep laat Jezus verstaan dat alleen navolging tot eigenlijk inzicht zal brengen.

 

HET DERDE DEEL (11,1-16,8) Jezus in Jeruzalem

1. Jezus' laatste werkzaamheid te Jeruzalem (11,1-13, 37)

Driemaal wordt door Marcus het complot van de overheid vermeld: 11,18 ; 12,12 en 14,1-2. De eerste twee pogingen om Jezus te grijpen - een rechtstreekse en onrechtstreekse - mislukken. Het verraad van Judas doet de derde slagen.

2. Het verhaal van Jezus' lijden en het lege graf (14,1-16,8)

Op verschillende plaatsen treedt Jezus' identiteit nu in het volle licht : 

  • voor het sanhedrin: ‘Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?’ ‘Ik ben het, en ge zult de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Macht en komen op de wolken van de hemel.’(14,61-62);
  • voor Pilatus: ‘Zijt Gij de Koning van de Joden?’ ‘Gij zegt het.’ (15,2);
  • op het kruis: ‘De Koning van de Joden’ (15,26);
  • spottende hogepriesters en schriftgeleerden: ‘Laat de Christus, de Koning van de Joden, nu van het kruis afkomen opdat we zien en geloven.' (15,32);
  • de honderdman bij het kruis: ’Waarlijk, deze man was de Zoon van God.' (15,39).

(16,9-20 is niet van Marcus maar werd later toegevoegd.)

 

  • EEN NOG VERDERE UITWERKING VAN DEZE COMPOSITIE (Jan Lambrecht, 1981)

A. HET EERSTE DEEL: MARCUS 1,1-8,30 - Jezus in Galilea

1. BEGIN VAN HET EVANGELIE (1,1)

‘Begin van het evangelie van Jezus Christus, Zoon van God’ (1,1). Volgens dit eerste vers, het titelvers, is Jezus Christus de Zoon van God. Over Hem handelt de blijde boodschap. Wat in het evangelie beschreven zal worden moet dit aantonen. Het Marcusevangelie dient in het licht van deze thematiek gelezen te worden.

2. DE PROLOOG (1,2-13)

Na het titelvers volgt de proloog: de prediking van Johannes de Doper, het doopsel en de beproeving van Jezus (1,2-13). Jezus' plaats in de heilsgeschiedenis wordt nader bepaald tegenover die van de Doper, die zelf de vervulling is van een oudtestamentische profetie. In korte woorden wordt uiteengezet hoe Jezus' optreden begint onder de stuwing van de Heilige Geest.

3. EEN EERSTE DRIELEDIG GEDEELTE (1,14-8,26)

a. Een eerste stuk (1,14-3,6)

  • Het openbaar leven van Jezus begint met 1,14-15: ‘Nadat Johannes was overgeleverd, ging Jezus naar Galilea en verkondigde er het evangelie van God: De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabijgekomen. Bekeer u en geloof in het evangelie’. Deze twee verzen bieden ons een samenvatting, een summarium van Jezus’ activiteit. De sleutel van zijn verkondiging is gegeven. Het Rijks Gods is nabij: bekeer u en geloof het goede nieuws!
  • Onmiddellijk na deze openingsperikoop volgt de roeping van de eerste vier leerlingen: Simon en Andreas, Jakobus en Johannes, vissers die mensenvissers moeten worden (1,16-20). Van de aanvang af is het duidelijk: Jezus heeft medewerkers nodig, helpers. Het prediken van het Rijk Gods zal niet de zaak van Hem alleen zijn; Hij betrekt anderen bij zijn werk.
  • Dan wordt in 5 perikopen Jezus’ activiteit beschreven: de eerste dag te Kafarnaüm met de duiveluitdrijving in de synagoge, de genezing van Simons schoonmoeder in het huis van Simon en Andreas; diezelfde avond geneest Jezus veel andere zieken en drijft tal van boze geesten uit. ’s Anderendaags vertrekt Hij om overal in de synagogen van Galilea te prediken. Hierna wordt de genezing van een melaatse verteld.
  • Hoofdstuk twee bevat – ook in 5 perikopen - twistgesprekken: over het vergeven van zonden (bij de genezing van een lamme), over het eten met zondaars (na de roeping van Levi de tollenaar), over het al dan niet vasten en over het rusten op de sabbat.
  • Weer op een sabbat geneest Jezus in de synagoge een man met een verdorde hand (3,1-6). De farizeeën bespieden Hem om hem te kunnen aanklagen. Jezus zegt tegen hen: ‘Is het geoorloofd goed te doen op sabbat of kwaad, iemand te redden of te doden?’ Maar ze zwegen. Jezus geneest de verdorde hand. Maar de farizeeën gaan naar buiten en overleggen met de herodianen hoe ze Jezus uit de weg kunnen ruimen. Het moet de lezers van het Marcusevangelie opvallen dat reeds hier, aan het begin van Jezus' openbaar leven, plannen worden gesmeed om Jezus te doden. Als vanzelf rijst dan de vraag: rapporteert Marcus de gebeurtenissen op een strikt historische wijze, dit is, zoals ze zich voordeden op welbepaalde plaatsen en tijden? Wat ook het antwoord op die laatste vraag zal zijn, we kunnen drie elementen aanwijzen in dit eerste stuk van Jezus' openbaar leven: Jezus’ activiteithet betrekken van anderen bij dit werk; het onbegrip en de tegenstand.

b. Een tweede gelijke sequentie (3,7-6,6a)

  • Onmiddellijk na het incident in de synagoge wordt een nieuwe samenvatting van Jezus' activiteit gegeven: 3,7-12. Terwijl een talrijke menigte uit Galilea en elders Hem volgt, geneest Jezus veel zieken. De boze geesten die Hij uitdrijft schreeuwen het uit: ‘Gij zijt de Zoon van God. Met nadruk waarschuwt Jezus hen, Hem niet bekend te maken. Terwijl in het summarium van 1,14-15 de aandacht gevestigd werd op Jezus’ boodschap  en oproep, ligt hier in het tweede de nadruk op Jezus’ genezende werkzaamheid.
  • Zoals de eerste samenvatting met een leerlingenperikoop voortgezet werd, zo volgt ook op de tweede een bericht over de leerlingen. In 1,16-2O hadden we de roeping van de eerste vier; hier, in 3,13-19, is het de uitverkiezing, of beter, de aanstelling van de Twaalf (verwijzend naar de twaalf stammen van Israël). ‘Jezus gaat de berg op en roept tot zich die Hij zelf wil, en ze komen naar Hem toe. En Hij stelt er Twaalf aan om met Hem te blijven en hen (later) te zenden om te verkondigen en volmacht te geven? de demonen uit te drijven’. Nogmaals wordt aldus beklemtoond dat voor Jezus de vestiging van het Rijk Gods een zaak is van samenwerking. Jezus roept en stelt mensen aan die Hem zullen helpen en zijn werk voortzetten.
  • Opnieuw volgen dan twistgesprekken en onderricht. In hoofdstuk vier houdt Jezus een parabelrede en stilt de storm. Hoofdstuk vijf bevat drie genezingsverhalen. Hij geneest de bezetene in het land der Gerasenen, het dochtertje van Jaïrus en de vrouw die aan bloedvloeiing lijdt.
  • Dit tweede stuk eindigt met de Nazaret-perikoop van 6,1-6a. Jezus predikt in de synagoge van zijn eigen stad. Zijn talrijke toehoorders zijn verbaasd, maar ze nemen aanstoot aan Hem. In zijn eigen stad wordt Jezus niet erkend. ‘Nergens wordt een profeet zo miskend als in zijn eigen stad, onder zijn verwanten en huisgenoten’. Ongeloof en onbegrip komen niet enkel van de kant van de farizeeën, herodianen en schriftgeleerden, maar ook van zijn verwanten en stadsgenoten!
  • In het begin van hoofdstuk zes wordt de voorstelling van Marcus al zeer duidelijk.

Zeker, Jezus brengt Gods boodschap, Hij onderricht en treedt weldoende op, en in dit alles openbaart Hij zijn zending en zichzelf. Maar de evangelist Marcus onderstreept hierbij drie thema's die voor hem blijkbaar belangrijk zijn: de activiteit van Jezus (vgl. de samenvatting); het inschakelen van leerlingen (vgl. roeping en aanstelling); en het onbegrip (vgl. de reacties van de farizeeën en herodianen, van stadsgenoten en verwanten). De structuur van dit tweede stuk (3,7-6,6a) is gelijk aan die van het eerste (1,14-3,6). We vinden er dezelfde sequentie: aan het begin summarium en leerlingenperikoop, aan het einde een verhaal waarin het onbegrip op de voorgrond staat.

 

c. De derde identieke opeenvolging (6,6b-8,21)

  • In 6,6b is er een nieuwe start. Jezus stond verwonderd over het ongeloof te Nazaret. Ten gevolge daarvan gaat Jezus weg. ‘Hij trekt rond door de dorpen in de omtrek, terwijl Hij onderricht geeft’. Weer een samenvatting, al is dit een zeer korte.
  • In 6,7 begint dan een derde verhaal over de leerlingen: ‘En Hij riep de Twaalf tot zich en begon hen twee aan twee uit te zenden, en Hij gaf hun volmacht over de onreine geesten’. Na de roeping van de vier (1,16-20) hadden we de aanstelling van de Twaalf om Hem te vergezellen en later door Hem gezonden te worden (3,13-19). Hier, in 6,7-13, wordt die zending beschreven. We mogen veilig aannemen dat de climax van roeping, aanstelling en zending niet het resultaat van toeval is, maar bedoeld werd door de evangelist.
  • In wat volgt, zien we opnieuw een zeer actieve Jezus. In de hoofdstukken zes en acht staan o.a. de twee broodvermenigvuldigingen. In hoofdstuk zeven hebben we een lange discussie over reinheid en de genezing van de dochter van de Syrofenicische vrouw.
  • Maar in 8,13 verlaat Jezus de farizeeën, stapt in de boot en vaart naar de overkant. De leerlingen hebben vergeten brood mee te nemen. En Jezus waarschuwt hen: ‘Kijk uit, wacht u voor het zuurdeeg van de farizeeën en het zuurdeeg van Herodes’. Ze twisten er met elkaar over: ‘Het is omdat we geen broden hebben’. Jezus merkt dit en vraagt: ‘Waarom twist ge erover dat ge geen brood hebt? Beseft ge en begrijpt ge het niet? Hebt ge dan een verhard hart? Ziet ge niet terwijl ge toch ogen hebt, en hoort ge niet terwijl ge toch oren hebt? En herinnert ge u niet, toen ik de vijf broden brak voor de vijfduizend, hoeveel korven vol met brokken ge opgeraapt hebt?’ En Jezus herinnert hen aan de twee broodvermenigvuldigingen. ‘Begrijpt ge het nog niet?’ Niet enkel farizeeën en herodianen, niet enkel stadsgenoten en verwanten, maar zelfs zijn leerlingen, de Twaalf, zijn vol onbegrip (8, 14-21)! Opnieuw dezelfde schikking: summarium en leerlingenperikoop aan het begin, onbegrip aan het einde. (Jan Lambrecht 1981)

 

HET SCHARNIERSTUK: De belijdenis te Caesarea van Filippus (8,27-30)

Hier moeten we even halt houden. We zijn reeds halfweg in dit evangelieverhaal. Enkele verzen verder staat de ons vertrouwde belijdenis van Petrus. Wat is de structuur en wat zijn de dragende gedachten van deze eerste helft? We moeten aannemen dat Marcus zijn evangelie-overleveringen op een bepaalde manier ordende op grond van zijn persoonlijk inzicht en bedoeling. Toeval is uitgesloten, want driemaal krijgen we dezelfde opeenvolging van samenvatting, leerlingenperikoop en, op het einde van ieder stuk, onbegrip. Door middel van deze drievoudige herhaling wil Marcus klaarblijkelijk onderstrepen dat Jezus zich met woord en daad ten volle ingezet heeft, dat Hij mensen aan zich bond voor dezelfde taak, en dat Hij onbegrip en tegenstand ondervond bij verschillende groepen. Aan het einde van deze eerste helft is de handeling zo ver gevorderd dat de fundamentele vraag gesteld kan worden: ‘Wie zeggen de mensen dat Ik ben?’ en: ‘Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?’ Petrus antwoordt: ‘Gij zijt de messias’. Zonder het telkens weerkerende onbegrip zouden we zeggen: het doel is bereikt. Jezus is erin geslaagd zijn taak en zijn identiteit te doen kennen. Het is waar, tot nu toe is slechts de kleine groep van zijn leerlingen op de hoogte. En bovendien is er ook het vreemde bevel te zwijgen: ‘En Hij waarschuwde hen tegen niemand dat over Hem te zeggen'. Door dit spreekverbod wordt wat de eindperikoop of climax had kunnen zijn, een scharnier. De belijdenis van Petrus is tegelijkertijd conclusie en nieuw begin. Want we moeten ons afvragen waarom Jezus de Twaalf verbiedt tegen iemand dat over Hem te zeggen. Waarom moet zijn identiteit verborgen blijven? Om een antwoord te vinden op deze uitdagende vraag moeten we verder lezen in het Marcusevangelie.

 

HET TWEEDE DEEL (8,31-10,52) -JEZUS ONDERWEG NAAR JERUZALEM

1. HET LIJDEN VOORSPELD

Alle lezers van het Marcusevangelie kennen de drie lijdensvoorspellingen. ‘En Jezus begon hun te leren dat de Mensenzoon veel moest lijden en verworpen worden door de oudsten en de hogepriesters en de schriftgeleerden en gedood worden, en na drie dagen verrijzen’ (8,31). Ze staan op ongeveer dezelfde afstand van elkaar: 8,31; 9,31 en 10,32-34: en zo beheersen ze de rest van Jezus' openbaar leven.

2. HET ONBEGRIP VAN DE LEERLINGEN

Het zal de lezers opvallen dat iedere lijdensvoorspelling gevolgd wordt door een reactie of een verhaal waaruit het onbegrip van de leerlingen blijkt. Na de eerste voorspelling volgt Petrus’ reacttie: 'En Petrus nam Jezus terzijde en begon Hem te berispen” (8,32). Bij de tweede voorspelling schrijft Marcus: ‘Maar de leerlingen begrepen niet wat Jezus zei, en schrokken er zelfs voor terug Hem erover vragen te stellen’ (9,32). Dan volgt het relaas van de discussie onderweg naar Kafarnaüm: ‘En ze kwamen in Kafarnaüm en eenmaal binnenshuis stelde Hij hun de vraag: ‘Waar hebt ge onderweg over gediscussieerd? Maar ze zwegen, want ze hadden er onderweg over gediscussieerd wie de grootste was’ (9,33-34). Jezus kondigt zijn lijden en dood aan. Zijn leerlingen twisten er onder elkaar over wie de grootste is! Ook de derde voorspelling is omringd door onbegrip. Vlak ervoor staat dat degenen die Hem volgen bevreesd zijn. En na de voorspelling komen Jakobus en Johannes naar Hem toe en zeggen: ‘Meester, we willen dat Ge voor ons doet wat we U ook vragen. Hij zegt tegen hen: Wat wilt ge dat Ik voor u doe? Ze antwoorden: Geef ons dat één aan uw rechter- en één aan uw linkerhand mag gaan zitten in uw heerlijkheid’ (10,35-37). Zo zien we dat het lijden driemaal aangekondigd wordt en dat Jezus’ leerlingen ook driemaal reageren op een manier die duidelijk hun onbegrip aantoont, hun afkeer van lijden en vernedering.

3. DRIEVOUDIGE OPROEP TOT NAVOLGING

  • We moeten nu goed toezien welke houding Jezus tegenover dat onbegrip aanneemt. Hij berispt Petrus en zegt zelfs: ‘Ga weg, achter mij, Satan, want ge staat niet aan de kant van God maar aan die van de mensen’ (8,33). Dan laat Hij het volk en zijn leerlingen bij zich komen en zegt tegen hen: ‘Als iemand achter Mij aan wil komen, laat hij dan zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen’ (8,34). In zijn voorspelling maakt Jezus duidelijk welk soort messias Hij zou zijn: een lijdende dienaar. Dat wordt niet zomaar aan-vaard. In de reactie van Petrus komt een diep meningsverschil tot uiting. Maar Jezus houdt vol. Hij wijst Petrus terecht en roept allen op tot navolging. Marcus lijkt te suggereren dat Jezus als messias belijden zonder Hem als lijdende dienaar te erkennen verkeerd is; dat de lijdensrealiteit op het onbegrip en de onwil stuit van de leerlingen (toen en nu) en dat Jezus pas door effectieve navolging echt gekend zal worden.
  • Op de tweede voorspelling volgt de discussie van de leerlingen over wie de grootste is. Jezus gaat zitten, roept de Twaalf bij zich en zegt: ‘Indien iemand de eerste wil zijn, moet hij de laatste en de dienaar van allen zijn. En Hij nam een kind, zette het in hun midden, omarmde het en zei tegen hen: 'Wie één van dergelijke kinderen in mijn naam opneemt, neemt Mij op; en wie Mij opneemt, neemt niet Mij op, maar Hem die mij gezonden heeft' (9,35-37). We treffen dezelfde volgorde aan: voorspelling van het lijden, onbegrip en uitnodiging om Christus na te volgen door dienaar van allen te worden. Dit wordt geïllustreerd door het tafereel met het kind. En zo weten we dat navolging van Christus, zelfverloochening en kruisdraging (vgl. 8,34) concreet naastenliefde en dienst aan de kleinen inhouden.
  • De derde lijdensvoorspelling is de langste, een samenvatting van het passieverhaal: ‘Zie, we gaan op naar Jeruzalem, en de Mensenzoon zal daar aan de hogepriesters en de schrift-geleerden overgeleverd worden, en ze zullen Hem ter dood veroordelen en Hem aan de heidenen overleveren, en die zullen Hem bespotten en Hem bespuwen en Hem geselen en doden, en na drie dagen zal Hij verrijzen’ (10,33-34). Hoe brutaal klinkt het onbegrip uit de daarop volgende vraag van de zonen van Zebedeüs! Maar Jezus antwoordt hun: ‘Ge weet niet wat ge vraagt. Zijt ge in staat de beker te drinken die Ik drink en met de lijdensdoop gedoopt te worden’ (vgl. 10,38)? Lijdensvoorspelling, onbegrip, oproep tot navolging. De tien anderen hebben het gehoord en worden kwaad op Jakobus en Johannes. Jezus roept allen bij zich. ‘Ge weet’, zegt Hij, ‘dat zij die als heersers van de volkeren gelden, hen met ijzeren vuist regeren. Ge weet dat de groten misbruik maken van hun macht over hen. Dat mag bij u niet het geval zijn. Wie onder u groot wil worden, moet dienaar zijn en wie onder u de eerste wil zijn, moet slaaf van allen wezen. Want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen’ (vgl. 10,41-laten aansluiten 45). Onbegrip, oproep tot dienst en navolging van Jezus die al dienende de dood ingaat!

Redactionele nadruk

Zoals in de eerste helft van het evangelie hebben we ook in 8,31-10,45 een drievoudige sequentie. De drie sequenties met telkens de aaneenschakeling van dezelfde drie elementen - lijdensvoorspelling, onbegrip van de leerlingen, oproep tot navolging - zijn duidelijk niet het resultaat van een reportage van de gebeurtenissen zoals ze zich in de historie van Jezus’ optreden hebben voorgedaan. Aangezien bovendien, even evident, toeval bij het redigeren uitgesloten is, moet geconcludeerd worden dat Marcus zeer thematisch, ja theologisch gecomponeerd en geschreven heeft. Op de vraag: wat voor een Christus is Jezus? antwoordt hij: Jezus is Christus op de wijze van een lijdende en verrijzende mensenzoon! Het koppige onbegrip van de leerlingen toont aan hoe moeilijk een dergelijk Christusbeeld te begrijpen is. Die Christus aanvaarden is blijkbaar geen verstandelijke aangelegenheid, maar een kwestie van navolging. Men weet, men realiseert pas goed wie Jezus is als men diens levensontwerp overneemt voor het eigen leven.

 

DERDE DEEL MC. 11,1-16,8 - JEZUS IN JERUZALEM

Er dient niet veel meer gezegd te worden met betrekking tot de rest van het Marcusevangelie. In hoofdstukken elf tot zestien zien we Jezus gedurende de laatste dagen van zijn leven te Jeruzalem. Er is eerst de triomfantelijke intocht in de stad en zijn optreden in de tempel. Maar de vijandigheid van de Joodse overheid is definitief. Ze trachten Hem te arresteren. Er zijn nog enkele leergesprekken in de tempel (hoofdstukken 11-12); dan volgt de eschatologische rede op de Olijfberg (hoofdstuk 13). Met hoofdstuk 14 begint het passieverhaal. We merken op dat, zodra het lijden begint, er niets meer geheim moet worden gehouden. Dezelfde Jezus die zijn leerlingen beval de Christustitel te verzwijgen, deelt nu expliciet mee wie Hij is. Hij beantwoordt de vraag van de hogepriester: ‘Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?’ met: ‘Ik ben het en ge zult de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Macht en komen op de wolken van de hemel’ (14,61-62). In 15,2 vraagt Pilatus Hem: ‘Zijt Gij de Koning van de Joden?’ En Jezus antwoordt: ‘Gij zegt het’. Ook het opschrift op het kruis is duidelijk: ‘De Koning van de Joden’ (15,26). De hogepriesters en schriftgeleerden bespotten Jezus op het kruis. Ze zeggen tegen elkaar: ‘Anderen heeft Hij gered, zichzelf kan Hij niet redden. Laat de Christus de Koning van de Joden, nu van het kruis afkomen opdat we zien en geloven’ (15,31-32). En er is ten slotte nog het getuigenis van de honderdman die tegenover de stervende Jezus stond, zag wat er gebeurde en verklaarde: ‘Waarlijk deze man was de Zoon van God’ (15,39).

 

3.B. Interne samenhang en rode draad (Jan Lambrecht,1981)
1. Jezus is altijd op weg.

Tot Hij aankomt in Jeruzalem trekt Jezus voortdurend rond en steekt Hij ook grenzen over naar 'heidense' streken. Jezus is altijd op weg. Marcus is het verhaal van de 'weg van Jezus' en van hen die in Hem geloven en bereid zijn Hem te volgen.

 

2. Er is een duidelijke tegenstelling tussen Galilea en Jeruzalem.

  • Galilea, vanuit Jeruzalem gezien een minderwaardig 'buitengebied', is het toneel van Jezus' toenemend succes ook bij de 'heidenen', ondanks alle tegenstand die Hij ontmoet. Die streek ‘staat symbool voor een religie die bereikbaar is voor gewone mensen’ (G. Van Oyen, 2005).
  • Jeruzalem daarentegen, het centrum van het officiële jodendom waar de religieuze en wereldlijke autoriteiten de macht met elkaar delen, verschijnt als de plaats van ongeloof, afwijzing, verraad en verwerping. Naarmate Jezus dichter bij dit centrum komt, stijgt de spanning van het dreigende gevaar want Jezus heeft een eigen manier van omgaan met God die anders is dan de gangbare officiële praktijk.
  • N.B.: Die tegenstelling wordt ook mooi uitgebeeld in de tentoonstelling van het Bijbelhuis.

 

3. Typisch voor Marcus zijn de samenvattende berichten, de zogenaamde summaria

Er zijn er een tiental. Ze staan tussen aparte verhalen en beschrijven kort in algemene termen dat Jezus nog veel dingen gedaan of gezegd heeft in de aard van de vertelde verhalen. Ze hebben op de lezer een versterkend effect. Geert Van Oyen (p. 97) ziet ze als een geloofsbelijdenis van de evangelist: Jezus is de bevrijder die in genezingen en duiveluitdrijvingen het evangelie metterdaad waarmaakt en zijn apostelen in staat stelt om dit ook te doen (zie 12v.). 

 

4. Jezus is altijd vergezeld van leerlingen.

Onmiddellijk bij zijn aankomst in Galilea begint Jezus laat beginnen met het rekruteren van vier leerlingen en even later nog een vijfde. De evangelist zegt aan zijn lezers al aan het begin van zijn verhaal dat Jezus volgelingen nodig heeft om Gods koninkrijk te doen komen. Jezus ‘is niet gekomen om in zijn eentje een individuele prestatie te leveren... Hij gaat ervan uit dat zijn taak zo groot is dat de hulp van medewerkers noodzakelijk is’ (G. Van Oyen, 2005).

De roeping van de leerlingen kan niet korter verteld worden dan Marcus het doet. Jezus vraagt de vissers met Hem mee te gaan, zij volgen Hem onmiddellijk en laten alles achter ('keren zich om'). Hij belooft hun dat Hij van hen vissers van mensen zal maken, zonder enige uitleg van wat dit betekent. Wat dit betekent, leren ze gaandeweg (ze worden 'leerling') door met Hem overal mee te trekken en Hem aan het werk te zien.

Naarmate Jezus meer succes kent, maar ook meer in botsing komt met zijn tegenstanders, werft Hij meer leerlingen aan. Er zijn ook vrouwen die Hem volgen (15,41). Twaalf van zijn leerlingen die Hij als apostel had aangesteld, zendt Hij uit om nu zelf ook door woord en daad het werk van mensenvissers te verrichten: het goede nieuws bekend maken dat Gods Koninkrijk nabij is en mensen van demonen bevrijden en zieken genezen. En ze doen het met goed gevolg (6,7-13). 

 

5. Er is een groeiend onbegrip en vervreemding.

Het eerst zie je dat bij de farizeeën e.a. dan bij zijn stadsgenoten en verwanten en tenslotte ook bij zijn eigen leerlingen, zijn 'nieuwe familie'.

  • Verbazend is dat Jezus uitgerekend in zijn vaderstad Nazaret op onbegrip, ongeloof en afwijzing stuit (6,1-6). De lezer van Marcus had kunnen verwachten dat de mensen daar juist fier op hun stadsgenoot zouden zijn en Hem met open armen ontvangen. Maar ze stellen zich vragen en spreken schande van wat Hij zegt en doet. Wie denkt Hij wel dat Hij is, die simpele timmerman? Ze weigeren in Hem te geloven. Daar is het de evangelist om te doen: om het geloof dat je moet hebben om te herkennen wie Jezus werkelijk is.
  • Minder verbazend misschien - maar toch - is wat de evangelist eerder vertelt over Jezus' familie (3,20-35). Ze denken dat Hij niet meer bij zijn verstand is. Dat beweren de schriftge-leerden met hun erkend gezag. Hij is bezeten door een machtige demon en daarom kan Hij zelf demonen uitdrijven. Als zijn moeder en broers naar Hem toe komen, wil Hij hen zelfs niet zien. En dan komt de echte verrassing. Mijn echte familie, zegt Jezus tegen zijn toehoorders, dat zijn jullie hier, dat is iedereen die de wil van God doet. Jezus heeft zich een nieuwe familie verworven die niet steunt op de banden van bloedverwantschap: eerst en vooral de leerlingen die Hem vergezellen, en ook iedereen die de wil van God doet zoals Hij die verstaat. Hij verstaat die wil anders dan de schriftgeleerden. Voor hen is Gods wil vastgelegd in de gedetailleerde voorschriften van de joodse wet en ze verwijten Jezus en zijn leerlingen dat ze sommige voorschriften overtreden. Maar voor Jezus heeft de wil van God niet te maken met het scrupuleus navolgen van voorschriften, maar met de manier waarop we omgaan met de andere mensen. Hij heeft het voorgedaan toen Hij op een sabbat de verschrompelde hand van een man in de synagoge genas (3,1-5).
  • Maar ook in zijn 'nieuwe familie', bij de leerlingen, is er onbegrip en groeiende vervreemding. Ze begrijpen de gelijkenis van de zaaier niet en vragen Jezus om uitleg (4,10), maar ze blijven met vragen zitten. Ook na zijn uitspraken over reinheid en over echtscheiding geven ze blijk van onbegrip (7,17 - 10,10). Uit 10,35vv. blijkt dat ze over Gods Koninkrijk een andere opvatting hebben dan Jezus. Hij moet hen terechtwijzen. Ook van de betekenis van de twee broodwonderen hebben de leerlingen niets gesnapt. Na het eerste wonder vraagt Jezus hen naar de overkant van het meer te varen. Ze krijgen met felle tegenwind af te rekenen en Jezus loopt over het water naar hen toe. Maar ze herkennen Hem niet, ze menen een spook te zien. De evangelist noteert hierbij: ‘Ze waren niet tot inzicht gekomen door wat er met de broden was gebeurd, omdat ze hardleers waren’ (6,52).

 

6. Het zwijggebod dat waarschuwt tegen een oppervlakkig triomfalisme.

Zeggen dat Jezus de Christus is, is wel juist, maar vaak wordt dan alleen aan heerlijkheid gedacht. In het Marcusevangelie kan Jezus zelf pas openlijk en gerust voor zijn identiteit (messias, Zoon van God) uitkomen in de context van zijn lijden. De geheimhouding is dus een veiligheidsmaatregel. Ze staat in dienst van een zuiver te houden Christusbeeld. De verrezen Christus kan men pas ten volle begrijpen in het licht van zijn lijden en sterven. Jezus echt kennen is blijkbaar meer een kwestie van daadwerkelijke navolging dan van publieke belijdenis.

De ontwikkeling betreft hoofdzakelijk de identiteit van Jezus.

Naarmate het verhaal vordert, krijgt Jezus' identiteit steeds meer kleur en diepgang. De lezers moeten hun verwachtingen op dit punt herhaaldelijk bijstellen. Er treedt een steeds grotere vervreemding op. De gangbare beelden van messias en Zoon van God blijken te moeten worden herzien. Aan het eind van dit proces zien de lezers zich geconfronteerd met een uitdagende paradox: de gekruisigde Jezus is Zoon van God; Hij is de Mensenzoon wiens grootheid bestaat in zijn dienst. Heel het Marcusevangelie is gewijd aan, en gericht op de onthulling van dit geheim. Het enige passende antwoord van de lezers op deze onthulling is een nieuwe manier van leven.

 

 

Vraag 4

Hoe leren we in het Marcusevangelie Jezus beter kennen?

We kunnen dit doen door met Jezus een dag van zijn leven te delen.

Zoals het leerplan voorstelt, maak je door het lezen van Mc. 1,21-45 een dagje mee uit het leven van Jezus in Kafarnaüm en leer je Jezus beter kennen en op een toegankelijke manier. Je ziet waar Hij verblijf houdt, wat Hij allemaal zegt en doet en waarvan Hij leeft.

Je ziet hoe zo’n dag samenhangt, hoe Jezus overal komt en hoe zijn actieradius en de weerklank van wat Hij doet steeds groter worden. Het is tevens een vooruitblik op heel Jezus’ optreden.

1. MARCUS 1,21-45 VORMT EEN EENHEID.

De samenhang tussen enkele verzen wijst echter op een nog ruimer verband. Het begint met: 'Ze gingen op weg naar Kafarnaüm.’ Na Jezus' omzwervingen in Galilea te hebben vermeld, laat Marcus Hem terugkeren naar zijn uitgangspunt en maakt Jezus dan een relatief nieuwe start: 'Toen Hij enkele dagen later terugkwam in Kafarnaüm ...' (Mc. 2,1).

2. MARCUS VERTELT IN VIJF PERIKOPEN WAT ZICH OP ÉÉN DAG IN KAFARNAÜM AFSPEELT.

Eerst horen we (1) dat Jezus in de synagoge les geeft en er een man van een onreine geest bevrijdt. Aansluitend zal Hij (2) de schoonmoeder van Petrus genezen en (3) nog meer zieken genezen en demonen uitdrijven. Dan zal Hij zich (4) terugtrekken voor gebed en vertrekken naar andere plaatsen om ook daar te verkondigen. (5) ’s Anderendaags geneest Hij er een man aan huidvraat lijdt. (Mc.1,39-54).

3. JEZUS KOMT ZO OP ÉÉN DAG OP ALLE MOGELIJKE PLAATSEN.

Jezus komt op profane (aan de deur) en religieuze plaatsen (de synagoge), in de privé-sfeer (een huis, een eenzame plaats), op publieke plaatsen (de stad en de omgeving).

4. DE ACTIERADIUS VAN JEZUS WORDT STEEDS GROTER.

Hij begint in Kafarnaüm in de synagoge, maar zijn faam verspreidt zich al gauw over heel Galilea (1,28). Daarna is Hij actief in het huis van Simon en Andreas, en 's avonds ook bij de deur van dat huis (1,29-34). Dan maakt Hij zich op om naar de dorpen in de omtrek te gaan (1,38) en brengt Hij vervolgens zelf het nieuws in de synagogen in heel Galilea (1,39). Hij eindigt op eenzame plaatsen buiten de steden, omdat Hij geen stad meer openlijk kan binnengaan (1,45).

5. OOK JEZUS' ACTIVITEITEN VERTONEN EEN SNELLE TOENAME.

De uitdrijving van slechts één onreine geest doet de aanwezigen in de synagoge concluderen dat Hij de onreine geesten de baas is (1,17). Op de genezing van Simons schoonmoeder volgt een scène waarin de mensen alle zieken en bezetenen naar Jezus toe brengen en Hij vervolgens vele zieken van allerlei kwalen geneest en veel demonen uitdrijft (1,32-34). Daarna drijft Hij in heel Galilea demonen uit en geneest Hij de lijder aan huidvraat (1,39-45).

6. OOK DE WEERKLANK DIE JEZUS ONDERVINDT, BREIDT ZICH STEEDS VERDER UIT.

Iedereen in de synagoge van Kafarnaüm is verbijsterd, en overal in Galilea verspreidt zich zijn roep (1,27-28). Alle inwoners van de stad verzamelen zich bij de deur van het huis waar Jezus verblijft (1,33). De volgende morgen blijkt iedereen op zoek naar Hem (1,37). Ten slotte is de belangstelling zo groot, dat Hij zich niet meer openlijk in een stad kan vertonen en op eenzame plaatsen moet blijven. 'Toch bleven de mensen van alle kanten naar Hem toe komen' (1,45). 'Iedereen' en 'allen', 'overal' en 'van alle kanten' zijn de termen waarmee Marcus het begin van Jezus’ optreden steeds grotere afmetingen laat aannemen.

7. MARCUS BIEDT ER EEN STAALKAART AAN VAN DE THEMA’S DIE HIJ DAN VERDER UITWERKT.

Marcus 1,14-45 lijkt een snelle inventarisatie van wat de lezers vooral moeten weten. Dit versterkt het vermoeden dat Marcus de lezers hier een overzicht wil geven van het programma van zijn verdere verhaal over Jezus' optreden. Wij kunnen de eerste dag van Jezus in Kafarnaüm dus beschouwen als een vooruitblik op heel Jezus’ optreden.

 

Daarna werken we van dichterbij de vijf perikopen uit.

1. IN DE SYNAGOGE VAN KAFARNAÜM (1,21-28)

'Ze gingen op weg naar Kafarnaüm, en op de eerstvolgende sabbat ging Jezus naar de synagoge en onderwees er de mensen. Ze waren diep onder de ondruk van zijn onderricht, want Hij sprak hen toe als iemand met gezag, niet zoals de schriftgeleerden.' Marcus vertelt niets over de inhoud van Jezus' onderricht. Het nieuwe dat Hij onderstreept, is dat Jezus met gezag onderwijst, in tegenstelling tot de schriftgeleerden. Terwijl de laatstgenoemden zich op de Tora en de tradities beroepen, spreekt Jezus blijkbaar op eigen gezag. Marcus kondigt hier de conflicten aan die zich in het vervolg tussen Jezus en de schriftgeleerden zullen voordoen. Het is een thema dat verder zal worden uitgewerkt.

Marcus vertelt nu, opnieuw uiterst beknopt, hoe Jezus een onreine geest uitdrijft. De nadruk ligt hierbij op de onthulling door de onreine geest van Jezus' opdracht en identiteit. Hij is inderdaad gekomen om onreine geesten te vernietigen. Hij kan dit doen omdat hij 'de heilige van God’ is. Hij vertegenwoordigt Gods heiligheid, en daartegen zijn onreine geesten niet bestand. Het korte bevel van Jezus en het luide spektakel waarmee de geest reageert, bevestigen dat Jezus inderdaad deze identiteit en zending heeft. Marcus brengt hier opnieuw in het kort een thema naar voren dat hij in het vervolg breed zal uitwerken.

2. IN HET HUIS VAN SIMON EN ANDREAS (1,29-31)

Marcus betrekt nu de vier volgelingen in het spel en hij vertelt hoe Jezus op hun verzoek de schoonmoeder van Simon geneest. Dit is een volledig genezingsverhaal. Aan het begin ligt de schoonmoeder met koorts op bed, en aan het slot is ze vrij van koorts en kan ze voor hen zorgen. Marcus vertelt ook dit voorval in het kortst mogelijke bestek. Hij stipt de genezingsactiviteit van Jezus als het ware even aan, om te laten zien dat ook dit tot zijn programma behoort. Hij zal er later uitgebreid op terugkomen.

3. BIJ DE DEUR VAN HET HUIS (1,32-34)

Marcus geeft nu een samenvatting van wat zich na zonsondergang, wanneer de sabbat voorbij is, voor de deur van het huis van Simon en Andreas afspeelt. Het gaat om een veelvoud van de duiveluitdrijving en de genezing waarvan we zoëven getuige zijn geweest. Alle zieken en bezetenen werden bij de deur naar Jezus toe gebracht. In die toeloop genas Jezus veel zieken en dreef Hij veel demonen uit. Het doel is duidelijk het beeld van Jezus als bevrijder van zieken en bezetenen te vergroten. Hij is niet alleen een leraar met gezag, maar Hij heeft ook de macht om zieken te genezen en bezetenen te bevrijden.

Marcus voegt er hier aan toe dat Jezus de demonen niet toestaat zijn identiteit bekend te maken. In het vervolg legt Hij ook zijn leerlingen en de mensen die Hij genezen heeft, vaker een dergelijk verbod op. Dikwijls wordt deze zwijgplicht echter onmiddellijk verbroken. Jezus' identiteit wordt op deze manier met een zekere geheimzinnigheid omgeven. Dit prikkelt de nieuwsgierigheid. Blijkbaar is Hij meer dan alleen een bevrijder. Wie Hij dan wel is en wat Hij precies komt doen, zal het verdere verhaal ons leren.

4. OP EEN EENZAME PLEK (1,35-38)

In de korte scène die nu volgt, tekent zich een eerste meningsverschil af tussen Jezus en zijn volgelingen. Wat er precies op het spel staat, wordt niet duidelijk gezegd, maar laat zich vermoeden. Simon en de anderen gaan Jezus, die zich in de vroege ochtend teruggetrokken heeft, achterna en zeggen tegen Hem: 'Iedereen is naar U op zoek! Jezus’ optreden heeft blijkbaar veel indruk gemaakt. De leerlingen dringen er nu op aan dat Hij van dit succes zal profiteren om verder naam te maken en zijn aanzien bij de mensen te vergroten. De leerlingen zien voor Hem en voor zichzelf al een glanzende loopbaan weggelegd. Jezus zelf heeft gebeden, en beseft van daaruit dat Hij namens God een andere opdracht te vervullen heeft. Hij is niet op weg gegaan om zelf roem en aanzien te verwerven, maar om overal in woord en daad het goede nieuws te brengen. Hij denkt niet, zoals zijn leerlingen, aan wat mensen belangrijk vinden, maar aan wat God wil. Het verschil in oriëntatie tussen Jezus en zijn leerlingen dat zich hier aftekent, ontwikkelt zich later tot een diepgaand en dramatisch conflict. Jezus en zijn leerlingen komen lijnrecht tegenover elkaar te staan. Daar komt met alle gewenste duidelijkheid aan het licht waarvoor Jezus op weg is gegaan. Deze korte scène wijst vooruit naar en bereidt voor op dit fundamentele conflict.

5. IN DE SYNAGOGEN VAN GALILEA (1,39-45)

'Er kwam iemand naar Hem toe die aan huidvraat leed. Met deze lijder aan een huidaandoening betreden we een bijzonder terrein. Huidvraat maakt iemand namelijk onrein. Dat wil zeggen: ongeschikt om aan de cultus mee te doen. De Tora, de godsdienstige regelgeving, bevat dan ook uitvoerige voorschriften hoe met een dergelijke aandoening moet worden omgegaan. Het komt aan de priesters toe te bepalen of er sprake is van een dergelijke kwaal. Zij hebben ook de bevoegdheid iemand weer rein te verklaren en de persoon in kwestie zo weer in de cultusgemeenschap op te nemen. Er is een reinigingsoffer te brengen.

Net als bij de voorafgaande ingrepen van Jezus, vertelt Marcus ook deze genezing in een flits. Toch is het een afgerond genezingsverhaal: de man verschijnt met huidvraat tot en op het einde was hij weer rein. Opnieuw laat Marcus alle details weg. Hij concentreert zich op de korte dialoog tussen de zieke man en Jezus: 'Als U wilt, kunt U mij rein maken' en 'Ik wil het, word rein'. Het gezag waarmee Jezus optreedt, krijgt hier het volle pond.

  • Er lijkt aldus een samenhang te zijn tussen het begin en het einde van Marcus' weergave van het aantreden van Jezus in 1,21-45. In het begin sprak Jezus op eigen gezag, en niet zoals de schriftgeleerden. Aan het einde handelt Hij op eigen gezag: 'Ik wil, word rein.'
  • Het is opvallend dat Marcus de instructie die Jezus vervolgens aan de man geeft, uitvoerig in de directe rede noteert: 'Denk erom dat u tegen niemand iets zegt, maar ga u aan de priester laten zien en breng het reinigingsoffer dat Mozes heeft voorgeschreven.' Zijn instructie maakt duidelijk dat hij de Tora ten volle respecteert.
  • Daarmee zijn de schriftgeleerden, die Hem in het vervolg juist op dit punt verwijten zullen maken, de pas afgesneden.
  • Dat de genezen man Jezus' verbod iemand iets te zeggen prompt negeerde en overal breeduit ging rondvertellen wat er gebeurd was, sluit aan bij het eerdere verbod aan de demonen te zeggen wie Jezus was (1,34). Het draagt bij aan de geheimzinnigheid waarmee Marcus de identiteit van Jezus voorlopig omgeeft. Wie Hij werkelijk is en waar Hij echt voor staat, behoeft nadere invulling en wordt in het verdere verhaal pas geleidelijk onthuld.
  • Het gevolg van dit alles is 'dat Jezus niet langer openlijk in een stad kon verschijnen, maar op eenzame plaatsen buiten de steden moest blijven. Toch bleven de mensen van alle kanten naar Hem toe komen.' Aan het begin van Marcus' eerste impressie van Jezus' optreden verschijnt Hij alleen met een gevolg van vier gewezen vissers in Kafarnaüm. Aan het eind moet Hij zich uit de steden terugtrekken vanwege de overweldigende belangstelling. Jezus is nu een publieke bekendheid geworden. Daarmee trekt Hij de aandacht van de autoriteiten en wordt Hij een omstreden figuur.

Samengevat (Joop Smit, 2011)

Samenvattend zien we dat het begin van Jezus' optreden in Marcus 1,14-45 een aparte stijl vertoont. Marcus geeft de gebeurtenissen opvallend kort en sober weer. Hij vermeldt alleen de wezenlijke elementen. Deze werkwijze heeft een tweevoudig effect.

  • Allereerst voorziet Marcus het optreden van Jezus op deze manier van een bliksemstart. Jezus heeft nu nog nauwelijks zijn mond opengedaan, of Hij heeft al een clubje volgelingen dat met Hem meetrekt. En wanneer Hij eenmaal in de synagoge van Kafarnaüm voor het eerst naar buiten is getreden, is vijfentwintig verzen later heel Galilea al vol van Hem.
  • Het tweede effect van Marcus' schematische werkwijze is dat hij de lezers in kort bestek een representatief overzicht biedt van het verdere optreden van Jezus. Alle elementen die hij hier kort bij elkaar zet, zal hij in het vervolg van zijn boek breed uitwerken. Er verschijnt in kort bestek een veelkleurig beeld. 
      • Jezus is een leraar met gezag, in tegenstelling tot de schriftgeleerden.
      • Hij is gekomen om de onreine geesten te vernietigen.
      • Hij bevrijdt de zieken van hun kwalen.
      • Hij laat zich leiden door wat God wil, en niet door menselijke ambities.
      • Hij spreekt en handelt op eigen gezag, maar houdt zich daarbij aan wat Mozes voorgeschreven heeft.

In deze eerste kennismaking met Jezus' programma worden zijn tegenstanders wel genoemd, maar ze treden nog niet actief op. In de nu volgende passage, Mc. 2,1-3,6, zullen de schriftgeleerden zich als eersten melden.

 

In de door het Bijbelhuis uitgegeven map Wie is Hij toch? Op weg met Jezus doorheen het Marcusevangelie, van Frans Essel vind je die dag uitgewerkt. (zie Appendix 1)

 

Vraag 5

Wat leren we over het navolgen en leerling zijn van Jezus?

5. Marcus werkt dit uit in de driehoek: Jezus – de leerlingen – de lezers.

A. We zien hoe Jezus de leerlingen kiest en hoe de lezers eerst voor de leerlingen kiezen.

Na Jezus zijn de leerlingen de belangrijkste personages in het evangelie. Zij zijn Jezus' directe medestanders. Volgens Marcus komt de diepere betekenis van Jezus slechts aan het licht, als je naar de relatie met zijn leerlingen kijkt. Door hun houding en reacties krijgt de lezer niet alleen een beeld over de leerlingen, maar ook over Jezus. Zij functioneren als een spiegel waarin men het effect kan aflezen van Jezus' optreden. Het is daarom van belang nader te bekijken wat ze doen en nalaten te doen.

De leerlingen vormen een groep die een rol speelt van het begin tot het einde. Het is bekend dat lezers ‑ zoals de kijkers van een film ‑ zich identificeren met bepaalde personages uit het verhaal. Bij die identificatie kiezen ze de personages uit voor wie ze sympathie voelen. In Marcus blijken dit voor de meeste lezers de leerlingen te zijn. Een mogelijke verklaring daarvoor is dat de leerlingen na Jezus de eerste verhaalfiguren zijn die ten tonele verschijnen en dat ze, door hun aanvankelijk instemmende houding ten aanzien van Jezus, een positieve indruk nalaten. Maar dit kent in de ontwikkeling van het verhaal geen rechtlijnig, positief proces. Uiteindelijk wordt wie het verhaal van de leerlingen volgt, met zichzelf geconfronteerd. 

  • Na de samenvatting van zijn boodschap, roept Jezus vooreerst vier volgelingen: Petrus en Andreas, Jakobus en Johannes. Zij zijn de eersten die bij Hem zijn en uitgenodigd worden Hem te volgen (Mc. 1,16-20). De eerste leerlingen krijgen geen geringe opdracht mee: alles en iedereen achterlaten en 'mensenvissers' worden. Wat die laatste activiteit precies betekent, wordt niet uitgelegd. Het enige referentiekader zijn de vorige verzen over de nabijheid van het Koninkrijk van God en de consequenties die dat meebrengt voor de houding van de mensen (omkeren, geloven in het evangelie). De vier worden medewerkers aan dat programma. We leren zo drie dingen:
    • Vooreerst dat Jezus' optreden niet geïsoleerd staat. Hij is niet gekomen om in zijn eentje een individuele prestatie te leveren en daarna te verdwijnen. Hij gaat ervan uit dat zijn taak zo groot is, dat medewerkers noodzakelijk zijn.
    • Vervolgens blijkt dat de komst van het Koninkrijk van God niet alleen een zaak van God is, maar ook van mensen. Ze wordt aan mensen toevertrouwd die medeverantwoordelijk zijn en haar met God moeten realiseren. God en mens worden niet uit elkaar gehaald of tegen elkaar uitgespeeld.
    • Ten slotte hangt een eventueel succes van de leerlingen af van de mate waarin ze Jezus volgen. De oproep om te volgen betekent dat ze inzicht moeten krijgen in hoe Jezus handelt.

De leerlingen gaan dadelijk op Jezus' oproep in. Alles gebeurt snel en zonder aarzeling. Het is bijna een vooropgezet scenario, een 'ideaal scenario'. Het gaat niet om een feitelijke gebeurtenis, maar om een typische formulering van hoe men zich de roeping van een leerling door Jezus kan voorstellen. Jezus ziet en roept. De leerling hoort en volgt. Verdere details zijn overbodig. De geroepenen volgen Hem 'meteen'.
 

  • Via deze eerste perfecte voorstelling worden ook de lezers aangesproken.
    Hier, reeds aan het begin van het verhaal, staan zij voor een keuze. Hoe oordelen zij over de leerlingen? Het antwoord op die vraag positioneert hen ook ten aanzien van Jezus.
    Lezers staan voor een beslissingsmoment. Indien ze besluiten verder te lezen, drukken ze het verlangen uit om mee te gaan met de leerlingen en meer te weten te komen over Jezus. Hoewel het elke lezer vrij staat om een eigen standpunt in te nemen, zorgt de evangelist ervoor dat er op dit moment in het verhaal geen reden is waarom lezers zouden afhaken. Zij mogen alle vertrouwen hebben dat ze een goede beslissing nemen wanneer ze verder gaan. Ze weten immers meer dan de leerlingen. Ze hebben de proloog van het evangelie gelezen en hebben aldus ‑ in vergelijking met de leerlingen en om het even welke andere personages in Mc. ‑ een voorsprong in kennis. Zij hebben vanaf het eerste vers van het evangelie vernomen dat Jezus de Zoon van God is. Ze hebben gelezen dat de Schrift Hem heeft voorzegd. Ze weten dat Johannes de Doper Hem duidt als een sterke persoon. Ze beseffen dat er een stem uit de hemel Jezus aanwijst als de geliefde Zoon. En ze lazen hoe Jezus in de woestijn de Satan heeft weerstaan en overwonnen.

Lezers en leerlingen stappen hand in hand door het evangelie. Beiden ‑ zowel lezers die vernomen hebben wie Jezus, is als de leerlingen die nog moeten ontdekken wie Hij is ‑ worden in het vervolg van het verhaal met de consequentie van hun keuze geconfronteerd. Geen van beide partijen is zich bewust van het risico dat hiermee gepaard gaat.

 

B. We zien hoe zo een positieve lijn ontstaat tussen Jezus, de leerlingen en de lezers.

De leerlingen volgen Jezus. Het is het beeld geworden dat spontaan bij lezers opkomt wanneer ze aan 'leerling zijn' denken. Leerlingen zijn er wanneer Jezus een synagoge bin­nengaat of een stad intrekt. Het creëert bij de lezer het gevoel dat alles goed gaat en dat de leerlingen begrijpen waar het Jezus om te doen is. Ze zijn op deze wijze de bevoorrechte getuigen van hoe het Rijk van God gestalte krijgt. En door de ogen van de leerlingen, krijgen ook de lezers toegang tot Jezus' realisaties. Verder in het evangelie worden de Twaalf gezonden. Ze krijgen de opdracht hetzelfde te doen als Jezus. En ze doen dat met succes: Ze gingen op weg en maakten het goede nieuws bekend om de mensen tot inkeer te brengen, en ze dre­ven veel demonen uit en zalfden veel zieken met olie en genazen hen (6,12-13).
Het succesverhaal van Jezus beperkt zich niet tot zijn eigen genezingen en exorcismen, maar ook de samenwerking met de leerlingen heeft een positief resultaat. De leerlingen komen vrijwel onmiddellijk na hun zending terug en blij­ven weer in de nabijheid van Jezus.

Marcus slaagt erin een eenheid te creëren tussen Jezus, de leerlingen en de lezers. Het feit dat Jezus en de leerlingen een gelijkaardig pro­gramma willen realiseren en daar ook in slagen, stimuleert de lezers om vertrouwen te hebben in wat Jezus doet. In tegen­stelling tot de autoriteiten zijn de leerlingen mensen uit het gewone volk. Dit zegt iets over Jezus' voorkeur. Hij heeft met de leerlingen nagenoeg geen discussies over theologische zaken.Hij vraagt hen 'om te keren' en wil met hen een team vormen om zijn werk af te maken De Twaalf lijken een centrale groep te zijn, maar we mogen aannemen dat er nog meer mensen rond Jezus waren die Hem langere tijd van nabij volgden. Aan het eind van het evangelie, wanneer de mannelijke leerlingen niet meer aanwezig zijn, vernemen we dat er trouwe vrouwen onder de volgelingen waren. 15,41: Toen Hij in Galilea verbleef, waren deze vrouwen Hem gevolgd en hadden ze voor Hem gezorgd, net als vele andere vrouwen die met Hem waren meegereisd naar Jeruzalem. Ook al hebben de Twaalf een bijzondere positie (Jezus geeft hun soms apart onderricht), iedereen krijgt de kans om zijn levenswijze te volgen. Iedereen die de wil van God doet, beschouwt Jezus als zijn broer of zus of moeder. Ook zijn oproep Hem te volgen is tot de menigte gericht, 8,34: Hij riep de menigte samen met de leerlingen bij zich en zei: 'Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter Mij aan komen’. Die uitbreiding van de doelgroep heeft zijn weerslag op de lezers. Ook wanneer zij zich niet identificeren met de twaalf leerlingen, worden zij door de woorden van Jezus aangesproken. De boodschap van het evangelie is niet bedoeld als een onderonsje in beperkte kring.

 

C. Maar er ontstaat vervreemding tussen Jezus en de leerlingen.

Tot nu toe belichtten we de positieve lijn tussen Jezus, leerlingen en lezers. Maar het is niet omdat de leerlingen medewerkers zijn aan het Rijk dat ze alles begrijpen omtrent Jezus. Integendeel. De leerlingen schitteren niet in hun functie. Zij blinken veeleer uit in negatieve zin. De afstand tussen hen en Jezus groeit naarmate het verhaal verder schrijdt. De vervreemding gaat in crescendo.

 1. Eerst is er onbegrip van de leerlingen over wat Jezus zegt.

  • De leerlingen hebben meer uitleg nodig over de parabels en desondanks blijven ze achter met onbeantwoorde vragen. Zo gebeurt het verschillende keren dat Jezus apart uitleg moet geven. 

In het licht van wat de lezers hebben vernomen over de houding van de leerlingen na de parabel van de zaaier, heeft het bijzondere onderricht te maken met hun onvermogen om Jezus te begrijpen.- 4,10‑13: Toen Hij weer alleen was met zijn volgelingen en met deTwaalf, stelden ze Hem vragen over de gelijkenissen. ... Hij zei tegen hen: 'Begrijpen jullie deze gelijkenis niet? Hoe zullen jullie alle andere gelijkenissen dan begrijpen?'-  4,33‑34: Met zulke en andere gelijkenissen maakte Hij hun het goede nieuws bekend, voorzover ze het konden begrijpen; Hij sprak alleen in gelijkenissen tegen hen, maar wanneer Hij alleen was met zijn leerlingen, verklaarde Hij hun alles.- 7,17‑18 (na onderricht over onreinheid): Toen Hij een huis was binnengegaan, weg van de menigte, vroegen zijn leerlingen Hem om uitleg over deze uitspraak. Hij zei tegen hen: 'Begrijpen ook jullie het dan nog niet?’- 10,10 (na onderricht over echtscheiding): In huis stelden de leerlingen Hem hier weer vragen over.

 

  • De leerlingen begrijpen moeilijk wat Jezus bedoelt met de nabijheid van Gods Rijk.
  • De exacte invulling van dat Rijk ontgaat hen. Naarmate men verder leest in het evangelie ontwaart men dat Jezus en de leerlingen een ander perspectief hebben op het Rijk. Dat komt het duidelijkst naar voor wanneer er discussies zijn over wie mag binnengaan in het Rijk. In het tiende hoofdstuk van Mc. zijn drie van die debatten samengebracht. In feite gaan ze allemaal over de omkering van de gangbare normen die in de wereld gelden om mensen tot het Koninkrijk toe te laten.

1. Een eerste discussie gaat over de toelatingsvoorwaarden tot het Rijk.

Wanneer mensen kinderen bij Jezus brengen, berispen de leerlingen hen omdat ze Jezus lastigvallen. Jezus doet hierop een revolutionaire uitspraak door een kind voor te stellen als model voor de kandidaten die het Rijk willen binnengaan. Kinderen stonden onderaan op de sociale ladder. En toch zegt Jezus: 10,15 Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het Koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan. Het gaat hier niet om een soort naïviteit. Daarvoor is de boodschap van Jezus te zeer geworteld in de realiteit van elke dag. Het gaat om een grondhouding van ontvankelijkheid voor God èn verbondenheid met wie geen plek heeft in de maatschappij. Jezus sluit zich aan bij het godsbeeld dat in het boek Psalmen en bij de profeten aanwezig is en waarin God aan de kant van de kleine mens staat. Als dat zo is, dan kunnen alleen zij en wie zich met hen vereenzelvigen het Rijk van God binnen.

2. Een tweede discussie gaat over rijkdom.

Ze vindt plaats naar aanleiding van de vraag van een rijke jongeman die deel wil krijgen aan het eeuwig leven. Ook in dit geval heeft Jezus een duidelijk perspectief op Gods Rijk. De rijken hebben het veel moeilijker om er binnen te komen én het is niet voldoende om de wet te kennen. Het is alsof Jezus aanstuurt op een wissel in het denken die moet worden omgeschakeld. Zolang men vasthoudt aan wat in de wereld normatief is om macht en rijkdom te hebben, kan men het Rijk niet binnengaan.

3. Een derde discussie gaat over ereplaatsen.

Ze vindt plaats onder de leerlingen zelf en illustreert treffend waarom de leerlingen Jezus niet begrijpen. Ze zijn nog maar net deelgenoot geweest van het gebeuren met de kinderen en van het gesprek met de jongeman of ze raken met elkaar in de clinch over wie de ereplaatsen zal krijgen in de hemel. De inleidende vraag typeert hen ten voeten uit: 10,35 Meester, we willen dat U voor ons doet wat we U vragen. In feite hebben ze nog niet begrepen dat ze in dienst staan van de anderen en niet in de eerste plaats voor zichzelf moeten opkomen. Er zijn weinig plaatsen in het evangelie waar de leerlingen zo manifest in hun kaarten laten kijken. Terwijl Jezus het Rijk van God centraal stelt en door zijn verkondiging en in zijn daden de zieken, de armen, de kinderen en de bezetenen bevrijdt, denken zij nog in termen van de machthebbers van de wereld.


 

Die gesprekken behoeden ons voor een misverstand over de betekenis van het Rijk Gods.

Marcus benadrukt dat voor Jezus het belang van de keuze voor het Rijk hier en nu gebeurt. Nu worden als kinderen, nu de rijkdom achterlaten, nu dienaar worden in plaats van heerser. Die verandering van perspectief wordt in Jezus' termen 'ommekeer' genoemd.

    • Ommekeer betekent niet dat men moet hopen dat alles later beter wordt.
    • Ommekeer betekent dat men het centrum van het perspectief om over de werkelijkheid en het leven te denken, niet meer in zichzelf plaatst.
    • Ommekeer bestaat erin dat men vanuit God gaat denken over wat er in deze wereld moet gebeuren. Maar dit heeft consequenties voor de manier waarop men concreet door het leven gaat.


2. Vervolgens is er onbegrip van de leerlingen over wat Jezus doet.

A. Twee maal over het meer

  • Ook wanneer Jezus iets doet, roept Hij bij de leerlingen vaak vragen op. In het verhaal van de stilling van de storm zijn de leerlingen angstig omdat de zee onrustig is. Het verbaast hen dat Jezus slaapt. Wanneer Hij wordt gewekt, beveelt Hij de storm te gaan liggen. Hij gebruikt dezelfde woorden als wanneer Hij de demonen het zwijgen oplegt: ‘Zwijg! Wees stil!’. De probleemsituatie is meteen opgelost. Maar het merkwaardige is dat daarmee de spanning niet echt verdwenen is. Er komt een anticlimax. Men zou verwachten dat de leerlingen hun meester feliciteren en loven. Maar in plaats daarvan wordt er twijfel en onzekerheid uitgedrukt: ‘Wie is deze man?’. Jezus blijft voor hen een vreemde.
  • Er een gelijkaardige situatie die zich afspeelt op het meer. Ook nu is er een storm. De leerlingen zijn door Jezus gevraagd om in een boot het meer over te varen. Ze zijn alleen en Jezus is er niet bij. Wanneer een man, Jezus, over het water naar hen toe komt, denken ze dat het een spook is. Hij is voor hen onherkenbaar geworden. Ook hier ligt het hoogtepunt van het verhaal niet in het meest 'wonderbaarlijke' aspect, namelijk dat Jezus over het water loopt. De evangelist geeft het verhaal een wending zodat de niet-herkenning door de leerlingen de eigenlijke climax wordt.

B. Twee maal over het brood

Wie Marcus voor het eerst leest, krijgt een vreemde gewaarwording wanneer kort na elkaar in het evangelie een vrijwel identiek wonderverhaal voorkomt. Het lijkt een nutteloze herhaling te zijn. Met een beetje brood en vis wordt een grote menigte van enkele duizenden mensen gevoed. Er blijft telkens een overvloed aan eten over. Enkel details verschillen. De verhalen vormen de aanleiding om het onbegrip van de leerlingen te benadrukken.

  • In het eerste verhaal kan men nog begrijpen dat de leerlingen vragen hoe deze mensen te eten zullen krijgen: Hij zei: 'Geven jullie hun maar te eten!' (Mc. 6,37). Ze vroegen Hem: 'Moeten wij dan voor 200 denarie brood gaan kopen om hun te eten te geven?'
  • Maar wanneer ze in het tweede verhaal nog eens deze vraag stellen, kan de lezer niet anders dan besluiten dat de leerlingen Jezus nog niet hebben begrepen: ‘Zijn leerlingen antwoordden: 'Maar hoe zou iemand hen hier, in deze verlatenheid, van genoeg brood kunnen voorzien?' (Mc. 8,4).

Men kan alleen besluiten dat bewust het onbegrip van de leerlingen wordt benadrukt. Dat werd reeds duidelijk na het wandelen over het water, waar wordt benadrukt dat de leerlingen Jezus niet herkenden. Maar het wordt nog duidelijker wanneer Jezus na het tweede broodwonder de woorden van de verteller over onbegrip en hardleersheid herneemt en de leerlingen streng en verwijtend toespreekt: 8,17‑21 Hij zei: 'Waarom praten jullie erover dat je geen brood hebt? Begrijpen jullie het dan nog niet, en ontbreekt het jullie aan inzicht? Zijn jullie dan zo hardleers? Jullie hebben ogen, maar zien niet? Jullie hebben oren, maar horen niet? Weten jullie dan niet meer hoeveel manden vol stukken brood jullie hebben opgehaald toen ik vijf broden brak voor vijfduizend mensen?' 'Twaalf,' antwoordden ze. 'En toen ik zeven broden brak voor vierduizend mensen, hoeveel manden vol stukken brood hebben jullie toen opgehaald?' 'Zeven,’ antwoordden ze. Toen zei Hij: 'Begrijpen jullie het dan nog niet?'

Deze tekst is een eerste dieptepunt in de relatie tussen Jezus en de leerlingen. Het woord 'dieptepunt' toont aan dat de lezer zijn beeld over de leerlingen aan het bijstellen is. Terwijl de lezer aanvankelijk sympathie voelde voor de leerlingen, is diezelfde lezer nu afstand aan het nemen van de leerlingen omdat ze niet consistent zijn in hun houding tegenover Jezus. Het onbegrip van de leerlingen maakt inderdaad deel uit van de strategie van de verteller, die de lezer wil laten nadenken over wie Jezus eigenlijk is. Waarom herkennen de leerlingen Jezus niet? Wat moesten ze dan wel herkennen? De lezer is in de veronderstelling dat hij het antwoord op die vraag wel zou kunnen geven. Hij is door de proloog immers beter geïnformeerd over Jezus dan de leerlingen. Hij kan niet anders dan besluiten dat de leerlingen niet erkennen dat Jezus de messias en Zoon van God is. Het onbegrip heeft alles te maken met de identiteit van Jezus. Wie is Hij dat Hij die wonderen kan doen?

Het effect van de harde woorden over de leerlingen is bedoeld voor de lezer. We zouden bijna durven schrijven: de ­leerlingen mogen van de verteller nog niet inzien en zeggen dat Jezus de messias is, omdat hij vreest dat de lezer op basis van gedeeltelijke informatie een verkeerd beeld over Jezus zou krijgen. De leerlingen, die Jezus van nabij volgden en de verkondiging over het Rijk Gods hoorden en grootse wonderen hebben meegemaakt, zijn niet in staat om te zien dat Jezus de messias is. Dan is de lezer, die wél op de hoogte is van deze identiteit, verplicht om zichzelf te bevragen of hij op een correcte manier weet te interpreteren wat Marcus bedoelt met 'Jezus de messias'.

Zo bereidt het motief van het onbegrip van de leerlingen een wending in het evangelie voor. De evangelist zal vanaf nu openlijker uitleggen waarom hij de leerlingen niet laat begrijpen dat Jezus de messias is. Voor de verteller is de vraag of Jezus de messias is niet te scheiden van de vraag welke messias Hij is. We zijn in de helft van het evangelie en hebben een scharniermoment bereikt.

 

D. Daarbij is de vraag die Jezus aan de leerlingen stelt: ‘En wie ben Ik volgens jullie?’ (Mc. 8,27) een scharniermoment.

Na zoveel onbegrip en vragen van de leerlingen kan de tegenvraag van Jezus niet uitblijven: ‘En wie ben Ik volgens jullie?’ (Mc. 8,27). De vraag is aan de leerlingen gericht, maar ook de lezer wordt aangesproken. Petrus antwoordt in naam van de hele groep met een titel voor Jezus: ‘U bent de messias.’ Hoe het komt dat Petrus plotseling die belijdenis uitspreekt? De verklaring kan men vinden in het verhaal van de genezing van de blinde dat aan de belijdenis voorafgaat. Het is de enige gebeurtenis die plaatsvindt tussen het harde verwijt van Jezus aan de leerlingen en Petrus' belijdenis. Het verhaal is opvallend omdat het op een bijzonder punt afwijkt van standaard genezingsverhalen. Het lukt Jezus namelijk niet om de blinde meteen te genezen. Na een eerste aanraking door Jezus ziet de man maar half. Hij ziet de mensen als bomen. Pas nadat Jezus de handen een tweede keer heeft opgelegd, ziet de man scherp. Men heeft hieraan een symbolische duiding gegeven. De evangelist heeft het verhaal hier geplaatst om aan de lezer het signaal te geven dat ook de leerlingen moeizaam tot een juist inzicht komen. Zoals bij de blinde, worden ook bij hen de ogen in stappen geopend.

Waarom Petrus Jezus 'messias' noemt, is in het verhaal niet duidelijk. Belangrijker is dát hij het zegt en dat ‑ helemaal in de lijn van het evangelie ‑ deze titel onmiddellijk door Jezus wordt genuanceerd. Ten eerste verbiedt Jezus de leerlingen erover te praten. En ten tweede geeft Hij meer uitleg over hoe Hijzelf begrepen wil worden. Dit gebeurt in de eerste lijdensaankondiging (nog twee gelijkaardige volgen), 8,31-32: Hij begon hun te leren dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden en door de oudsten van het volk, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen zou worden, en dat Hij gedood zou worden, maar drie dagen later zou opstaan; Hij sprak hierover in alle openheid. 

 

E. De gedachte dat de messias moet lijden komt voor leerlingen en lezers als een schok.

De lezer heeft van de verteller reeds vroeger enkele aanwijzingen gekregen dat er iets noodlottigs met Jezus kan gebeuren. Schriftgeleerden hebben plannen gesmeed om Hem uit de weg te ruimen. Wanneer Judas wordt aangesteld als één van de Twaalf, voegt de verteller er fijntjes aan toe dat dit degene was ‘die Hem zou verraden’. Johannes de Doper is al om het leven gebracht. Maar nu spreekt Jezus zelf over zijn lijden.

Met Jezus' uitleg over het lijden, komen we bij een sleutelgegeven om het verhaal echt te begrijpen. In wat voorafgaat konden de leerlingenJezus niet begrijpen, want ze hadden onvoldoende informatie. Door het thema van het lijden geeft de evangelist een noodzakelijke precisering over Jezus' identiteit. Dit schokeffect zorgt voor de vraag of ze hun beeld van de Zoon van God kunnen en willen verzoenen met dat van een lijdende mens.

Het verschil tussen de visie van Jezus en van de leerlingen wordt door hun reactie op Jezus' aankondiging van zijn lijden duidelijker. Terwijl men als lezer verwacht dat het evangelie met de herkenning van Jezus als messias tot een hoogtepunt komt, krijgt het verhaal een onverwachte wending. In plaats van een 'close harmony' tussen Jezus en Petrus, ontstaat een hevig conflict. Petrus protesteert en wijst Jezus terecht. Daarop verwijt Jezus Petrus in niet mis te verstane woorden: ‘Ga terug, achter mij, Satan! Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen’ (Mc. 8,33).

 

F. Vervolgens geeft Jezus criteria over het Rijk Gods en zegt zo wat navolging betekent

Met de eerste lijdensaankondiging van Jezus begint het onderricht van Jezus aan de leerlingen over het lijden (Mc. 8,31-10,45). De lezer maakt kennis met Jezus' denkwijze: een verklaring bij wat het betekent de wil van God te doen. De ernst van de zaak blijkt uit de opbouw van dit deel. Tot driemaal toe herhaalt Jezus dat Hij zal lijden en ter dood worden gebracht. En driemaal reageren de leerlingen met onbegrip. Driemaal wordt dit door Jezus beantwoord met een verklaring die de nieuwe logica van het Rijk Gods toelicht. Die uitleg bevat de kern van de evangelische boodschap.

  • 'Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter Mij aan komen. Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het evangelie, zal het behouden’ (Mc. 8,34‑35).
  • 'Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders dienaar' (Mc. 9, 35).
  • ‘Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal ieders dienaar moeten zijn, want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen' (Mc. 10, 43-44).

In deze verzen krijgen de lezers toegang tot de beoordelingscriteria die de evangelist hanteert om de personages en hun relaties tot Jezus in het verhaal te evalueren. Maar tezelfdertijd houden die normen de lezer een spiegel voor. Jezus' woorden stellen ook de opvattingen van de lezer in vraag.

De hoofdstukken over Jezus' lijden kan men niet isoleren van de rest van het evangelie.

Wanneer de dagen van Jezus' lijden naderen, is dat voor de evangelist en voor Jezus geen reden om God uit zijn levensverhaal te schrappen. Integendeel, de relatie tussen God en Jezus wordt nog intenser. Jezus ervaart zijn leven niet als was Hij een robot in de handen van God. De zorg van de verteller is dat de lezer begrijpt dat Jezus ervan overtuigd is dat Hij in alles God aan zijn zijde heeft. Dat was zo in het eerste deel van het evangelie, waarin Jezus in grote vrijheid optrad om tegen de opinie van de tegenstanders in te kiezen voor een eigen interpretatie van de wet. En dat is zo in het tweede deel, waarin Jezus met dezelfde vrijheid naar Jeruzalem gaat.

‘Wie zijn leven wil winnen, moet het verliezen.’  In Jezus' uitleg aan de leerlingen over wat de levenswijsheid van de echte leerling moet zijn, hoorden we deze paradox (Mc. 8,35). Nu zien we dat Jezus' wijsheid geworteld is in een andere paradox: Jezus' godsbeeld en menselijke vrijheid sluiten elkaar niet uit. De echte vrijheid in het Rijk van God is te vinden in het geven van zijn leven voor de ander. In die zin kan men Jezus' antwoord aan Petrus begrijpen: ‘Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen’ (Mc. 8,33).

 

G. Maar de leerlingen laten Jezus alleen sterven.

1. De houding tegenover Jezus verhardt.

Voor Marcus is de ware betekenis van Jezus' dood niet in de eerste plaats een kwestie van begrijpen, maar van doen. Marcus' evangelie is een 'praktisch' evangelie. Het is gericht op het handelen van de lezer. Ook wanneer het lijden ter sprake komt. Het is dan ook niet meer dan normaal dat de aandacht van de evangelist vooral uitgaat naar de reactie van de mensen in Jezus' omgeving. De twee hoofdgroepen, de tegenstanders en leerlingen, stemmen met elkaar overeen in het verharden van hun standpunten naarmate het evangelie zijn ontknoping nadert.

  • De tegenstanders van Jezus verzetten zich nog harder en grijpen naar alle mogelijke middelen om Hem uit de weg te ruimen. Zij denken consequent in de lijn van hun traditionele opvattingen over de wet. In hun godsbeeld is geen ruimte voor een mens als Jezus die de zwakke plekken van hun systeem ontmaskert.
  • Ook de houding van de leerlingen verhardt. Kon men over de tijd vóór de Petrusbelijdenis zeggen dat ze Jezus niet konden begrijpen, in het tweede deel van het evangelie lijkt het er sterk op dat ze Hem niet willen begrijpen. Hun reactie na de drie lijdensvoorzeggingen is bekend: ze weigeren te aanvaarden dat Jezus zal lijden. In tegenstelling tot hun woorden,  keren ze zich in hun daden manifest van Jezus af. Jezus vraagt hen te waken en te bidden, maar Hij vindt hen in slaap. Judas verraadt Jezus en trekt met een gewapende bende op om Hem aan te wijzen. Onmiddellijk na Jezus' arrestatie schrijft de evangelist: ‘Toen lieten allen Hem in de steek en vluchtten weg’ (Mc. 14,50).

Nu is Jezus alleen. Petrus volgt Jezus nog even ‑ weliswaar ‘op een afstand’ ‑ maar ontkent drie keer dat hij Jezus kent. Wat aanvankelijk begon als een succesverhaal van steeds groeiend enthousiasme en verantwoordelijkheid, eindigt in een compleet fiasco. De oproep om bij Jezus te zijn was haalbaar zolang hun eigen hachje niet in het geding kwam. Als we het gedrag van de leerlingen toetsen aan de criteria van het Rijk Gods, zijn de leerlingen faliekant gezakt. Ze willen hun leven winnen, heersen, de grootste en de eerste zijn. Ze zijn niet bereid hun kruis op te nemen en te dienen. De enige redplank die de lezer nog heeft, zijn de zopas genoemde voorspellingen over de opstanding op de derde dag. Zal dat gebeuren?

 

2. Leven en dood van Jezus zijn op elkaar afgestemd.

De meeste commentatoren zien in het lijden en de dood van Jezus de climax van het verhaal. Een bekende uitspraak uit de negentiende eeuw is dat Marcus een lang passieverhaal is met een inleiding. In het bijzonder de woorden van de Romeinse honderdman aan het kruis worden als het hoogtepunt gezien: ‘Werkelijk, deze mens was Gods Zoon’ (Mc. 15,39). Op het moment van de kruisdood wordt de ware identiteit van Jezus geopenbaard. Het verhaal vindt zijn ontknoping in de kruisdood van Jezus. Ook het passieverhaal krijgt alleen maar betekenis wanneer het in samenhang met de rest van het evangelie wordt gezien. God openbaart zich evenzeer in de woorden en daden van Jezus, als in zijn lijden en zijn dood. Beide delen van het evangelie zijn complementair. Alleen maar focussen op de dood van Jezus is een foutieve verenging van het evangelie. Jezus is gestorven omwille van het leven dat Hij leidde. Het innoverende van de evangelist Marcus (bijvoorbeeld in vergelijking met de brieven van Paulus, die toen reeds geschreven waren) is dat hij Jezus' lijden integreert in zijn leven.

3. Jezus' visie op God is revolutionair

Jezus' leven én Jezus' dood illustreren hoe God bevrijdend werkt. Maar dat is alleen denkbaar als we vooropgestelde godsbeelden laten varen. De genezingen zijn niet de uitingen van een superman  die zich als God wil laten erkennen, maar tekenen van de menselijke nabijheid van God zelf. De betekenis van Jezus' kruisdood ligt in dezelfde lijn. Het is niet de manifestatie van een ongenaakbare held die zo sterk is dat hij alle pijn doorstaat, maar het is het moment waarop God zich aan de wereld toont als een gebroken mens. Zowel de tegenstanders als de leerlingen staan niet open voor het nieuwe beeld over God dat door Jezus de wereld binnendringt. Zij zijn op hun eigen manier behoudsgezind. De reden is duidelijk: Jezus' visie op God is revolutionair. Wie kan zich een God voorstellen die in de stervende mens Jezus aan het kruis hangt? Wie kan zich een dergelijke menselijke God voorstellen?In de gedachte van velen is God een machtige kracht die alles of toch bijna alles kan. Sommigen keren zich van Hem af omdat Hij bedreigend is of de menselijke vrijheid in de weg zou staan. Anderen hebben deze God nodig omdat ze zich zwak weten. Maar het beeld is voor beide groepen hetzelfde: een almachtige God die lijden wegneemt, gebrek aan kennis aanvult of kwaadheid bestraft. Wie zich een dergelijke God voorstelt, denkt dat Hij nuttig is. In Jezus komt een nieuw godsbeeld naar voor. De macht van God zit in de solidariteit met de machteloze. Op die manier trad Jezus op wanneer hij het Rijk van God verkondigde. Zijn zoektocht naar diegenen die buiten de bestaande structuren stonden, was niet toevallig, maar het gevolg van de bewuste keuze om zijn leven te leiden volgens het nieuwe criterium: wie zijn leven verliest, zal het winnen. In Jezus' verkondiging van het Rijk Gods, is God niet meer de nuttige oplossing voor wat mensen niet aankunnen. Hij is in de mens zelf aanwezig wanneer die de kleinste wil zijn en dienaar van allen is. Meer mens dan in de gekruisigde Jezus kan God volgens Marcus niet worden. Het godsbeeld van de machtige God, is een afgodsbeeld geworden.

4. ‘Wie zijn leven wil winnen, moet het verliezen’

Jezus sterft alleen. Geen andere personages uit het verhaal zijn aanwezig. Maar Marcus heeft ervoor gezorgd dat de lezers die volgehouden hebben. wél onder het kruis staan. Hoe zullen zij reageren? Hoe beantwoorden de lezers Jezus' vraag: wie zeg jij dat Ik ben? Hoe beluisteren zij Jezus' oproep om het leven te verliezen opdat men het zou winnen? Hoe beoordelen zij het gedrag van de leerlingen die wegvluchten, Jezus verraden en verloochenen? Kortom, wat zullen de lezers nu doen?Jezus vraagt van de leerlingen niet dat ze zijn kruis zouden opnemen. Hij vraagt dat ze hun eigen weg  gaan. Het zal niet volstaan voor Jezus' leerling om hoog te scoren in de kennis over Jezus' onderricht. Belangrijker is het los te komen van zichzelf en in vrijheid de weg van de dienaar te gaan. De paradox waarbij de volgeling van Jezus zichzelf wegschenkt om zijn leven te winnen. Dit kan men niet begrijpen als men het niet al doende beleeft. De paradox van de dienaar is onmogelijk op theoretisch niveau te verstaan. Het is alleen maar door de praktijk van de zelfverloochening dat leerlingen ervaren in welke mate het evangelie effectief werkt. Dit is de sleutel die bij het Marcusevangelie verpakt zit. Eén iemand is die weg gegaan en Marcus heeft dat verhaal voor elke lezer neergeschreven. 'Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter Mij aan komen’ (Mc. 8,34‑37); ‘Wie van jullie de belangrijk­ste wil zijn, zal de anderen moeten dienen…’ (Mc. 10,42‑45).


 

Jezus heeft de weg tot het einde gevolgd. Jezus is dood. Wat nu? In Jezus' laatste woorden aan het kruis is God zoek. Alleen God zelf kan nog antwoorden. Het is verrassend hoe weinig aandacht de verteller schenkt aan het vervolg van het verhaal, terwijl in de christelijke traditie de verrijzenis het centrale kernpunt van het geloof is geworden. In Marcus bestaat het slot van het boek uit niet meer dan een korte appendix van acht verzen. Er wordt alleen een verhaal over een leeg graf verhaald. Verschijningen van de verrezen Jezus worden niet verteld. Toch drukt het verhaal zijn stempel op alles wat voorafgaat. Het gaat namelijk om Gods antwoord op Jezus' dood. ‘Hij is opgewekt uit de dood, Hij is niet hier’, zegt een jongeman met een wit kleed. Het is de bevestiging van Jezus' gelijk toen Hij de opstanding eerder in het evangelie had voorzegd. Met de dood van Jezus leek het definitieve einde aangebroken. Nu blijkt het een nieuw begin te zijn.

 

I. En welk antwoord zullen de lezers op dit open verhaal geven?

Zoals elke andere gebeurtenis in het evangelie, kan ook het verhaal van het lege graf niet op zichzelf worden besproken. Het krijgt alleen maar betekenis wanneer het wordt geplaatst in het geheel van het evangelie. De verteller heeft er alles aan gedaan om de lezer te confronteren met wie Jezus is. Dat verhaal is vanaf het begin een uitnodiging aan de lezers geweest. De lezers zien gebeuren dat wat Jezus doet, weerstand en onbegrip oproept. Als sommige lezers toch de keuze gemaakt hebben om verder te lezen omdat ze meer wilden weten over Jezus, dan hebben ze negatief moeten oordelen over de macht van de tegenstanders en ze hebben zich gedistantieerd van het onbegrip van de leerlingen. Ze hebben zich door de lezing van het evangelie ook een nieuw beeld van God moeten vormen. Voor wie deze keuzes heeft gemaakt, is het verhaal van het lege graf de bevestiging dat God inderdaad aan Jezus' kant staat. De weg die Jezus is gegaan, is de noodzakelijke voorbereiding opdat God Hem uit de doden doet opstaan. En de opstanding uit de doden is de bevestiging van de levenskeuzes die Jezus heeft gemaakt.

Geloven of niet geloven? Wat betekent dat na het lezen van Marcus voor hedendaagse lezers? Het lijkt me dat voor Marcus het belangrijkste is dat zijn verhaal over Jezus wordt doorverteld opdat mensen gaan leven zoals Jezus. Die praktische beleving is de echte uitdaging waar lezers voor staan. Ze beleven onbewust (soms ook ongewild) het verhaal opnieuw. Ze zeggen 'ja' op dat verhaal en kiezen ervoor om hun leven te verliezen voor anderen. Wie zo handelt heeft sowieso geloof, want er bestaat immers geen absolute zekerheid dat dit de meest zinvolle invulling van het leven is. Je doet zoiets alleen omdat je erin gelooft.

Voor lezers die op deze manier het verhaal lezen, is het lege graf een teken dat God helemaal aan Jezus' kant staat. Het verhaal van het lege graf is de ultieme uitdrukking dat Jezus' leven niet verloren,maar behouden is. Geschiedkundig is de stelling dat Jezus door God uit de doden is opgewekt onbewijsbaar. Maar voor Marcus is de splijtzwam die mensen verdeelt niet het probleem van de opstanding. Dat is pas later zo gegroeid. Zijn criterium om te oordelen of iemand dicht bij het godsbeeld van Jezus staat, is de vraag of zijn levenswijze correspondeert aan de weg die Jezus is gegaan.

De vrouwen krijgen de opdracht om aan Petrus en de leerlingen te zeggen dat ze naar Galilea moeten gaan. De vrouwen voeren de opdracht niet uit. Ze vluchten angstig weg en zwijgen. Daardoor kan niemand met zekerheid zeggen of de leerlingen effectief Jezus zullen ontmoeten. Uit het verhaal komen we het niet te weten. Doordat Marcus dat ook niet verder uitwerkt, verschuift de verantwoordelijkheid voor de afloop van het verhaal naar de lezers. De enigen die wel nog op weg kunnen gaan naar Galilea zijn immers de lezers van het verhaal. Zij horen de opdracht wel en zij kunnen de rol van de leerlingen overnemen. Alleen de lezer kan het verhaal nog afmaken en de opdracht uitvoeren. In die zin is er sprake van een open verhaal. Marcus sluit zijn verhaal niet af. De lezer moet het voltooien. Is de lezer bereid, nadat hij het verhaal over Jezus heeft gelezen, opnieuw de weg met Hem te gaan van Galilea naar Jeruzalem? Aan het einde van het verhaal wordt de lezer voor de laatste keer voor een keuze geplaatst. De code van het Marcusevangelie is helemaal ontcijferd: het verhaal gaat over niemand anders dan de lezer zelf! De lezer herinnert zich Galilea als de plaats waar Jezus zijn eerste woorden over het evangelie sprak. Het is ook de plaats waar Hij rondtrok en zijn faam zich verspreidde. Dat de leerlingen en de lezers naar Galilea moeten gaan impliceert dat de ervaring van de verrijzenis volgens Marcus in het leven zelf te vinden is. Zolang er reële lezers zijn die dit geloven en in het spoor van Jezus treden, zal het revolutionaire verhaal van Marcus geen einde kennen.

 

 

 

 

Gebruikte literatuur

 

  • Bastiaens Jean, Inleiding op het Marcusevangelie. Map Leerhuis met Marcus. Een uitgave van de Bijbeldienst Bisdom Brugge. Leerhuis 2017-2018, pp. 10-15.
  • D’YdewalleStanny, De wonderbare genezingen door Jezus. Map Leerhuis met Marcus. Een uitgave van de Bijbeldienst Bisdom Brugge. Leerhuis 2017-2018, pp. 27-29.
  • Essel Frans, Wie is Hij toch? Op weg met Jezus doorheen het Marcusevangelie. Bijbelmeditaties bij de liturgische lezingen uit het Marcusevangelie. Map Bijbeldienst. 2017.
  • Hanhart Karel, De tragedie voorbij. Het subversieve evangelie van Marcus na de verwoesting van Jeruzalem. Skandalon 2013.
  • Lamberigts Sylvester. Dit boek gaat over Jezus. De evangeliën verstaan-bidden-bespreken-leven. Lannoo. 1987.
  • Lamberigts Sylvester. Wie is Hij toch? De bijbel leren lezen om Jezus te kennen. Lannoo. 1984.
  • Lambrecht Jan, Hij gaat voor ons uit. Jezus volgen in het Marcusevangelie, Leuven, VBS/Acco, 1981.
  • Leerplan rooms-katholieke godsdienst voor het secundair onderwijs in Vlaanderen. Licap. 1991.
  • Lefevre Frans,, Het Marcusevangelie als mysterie van het kruis, in Collationes 1981/1, p. 5-21
  • Schmidt Peter, Woord van God - boek van mensen. Altiora, Averbode, 1990, p. 127-142
  • Smit Joop, Het verhaal van Marcus. Sleutelpassages uit zijn evangelie. KBS. 2011.
  • Egbert Rooze, Marcus als tegenevangelie. Antwerpen.Halewijn. 2012
  • Van Oyen Geert (red.), De tijd is rijp. Marcus en zijn lezers toen en nu. VBS. Leuven. 1996.
  • Van Oyen Geert, De Marcus code. Averbode, 2005.

 

 

Appendix 1: Een dag in Kafarnaüm (Frans Essel)

 

1. Marcus 21-28

De evangelist Marcus begint met een beeld te schetsen van Jezus door zijn activiteit te beschrijven tijdens een dag te Kafarnaüm. Deze dag is een sabbat en begint in de synagoge. Zowel de tijd als de plaats zijn belangrijk: de sabbat en de synagoge. Allebei zijn ze verankerd in de beleving van de joodse vroomheid. Het is in deze vroomheid dat Jezus aanwezig komt om op een nieuwe manier over God en zijn liefde te spreken. De verbazing en de vraag van de mensen: “Wat betekent dat toch?”, is een reactie die het hele evangelie door en ook een heel mensenleven door bij ons naar boven komt: “Wie is hij toch?”. Marcus wil duidelijk maken wie Jezus is. Hij doet dat op een literair boeiende wijze. Zo laat hij de mensen zich afvragen wie Jezus is. 

De vraag “Wie Jezus is” wordt hier beantwoord door een demon: “ik weet wie ge zijt: de heilige Gods”. Jezus is de gezondene, waarin God zich manifesteert. Waar hij duivels uitdrijft, daar gebeurt het Rijk Gods dat is aangekondigd. De incarnatie van Gods liefde trekt de mens terug op naar zijn oorspronkelijk paradijselijke toestand. Dat is nieuw!

De demon die blijkbaar denkt te weten wie Jezus is, moet zwijgen. Nu zijn zijn woorden enkel aanleiding tot misverstand. Pas na Jezus’ lijden en verrijzenis kan de identiteit van Jezus als Messias ten volle begrepen worden. Jezus is geen Messias die als een nieuwe koning het land zal bevrijden of die als een profeet de wet zal doen naleven. Hij is de Messias in wie God trouw is aan mensen tot en met de dood. Als dat geheim al ooit begrepen kan worden, dan toch pas ná de ervaring van lijden, sterven en verrijzen. Het thema van het Messiasgeheim, in relatie tot de vraag naar de identiteit van Jezus, is een belangrijke verhaallijn in het Marcusevangelie. 

In de omgang met Jezus valt het de mensen onmiddellijk op dat Jezus de Schrift op een andere manier verklaart dan de schriftgeleerden het doen, namelijk als iemand die gezag bezit. Marcus zegt niet wat de inhoud is van die nieuwe leer, maar wel dat Jezus die met eigen gezag verkondigt. Gezag krijgt iemand wiens woorden en daden overeenstemmen, iemand die betrouwbaar is. Dat blijkt Jezus te zijn. De nieuwe leer die hij verkondigt, maakt hij waar in zijn handelen wanneer hij mensen geneest en van onreine geesten bevrijdt.

Jezus spreekt woorden die van God komen en Hij zegt wat God Hem opdraagt. Jezus spreekt als een gezondene van God. Hij kan en mag in zijn naam spreken. Dat kan niets anders betekenen dan dat Jezus opnieuw de oorspronkelijke stem van God in de Schrift hoort en laat klinken, zodat het opnieuw een woord van liefde en bevrijding kan zijn voor iedere mens, ook voor hen die de wet niet kennen, ook voor onreinen en voor zondaars.

Het tweede wat opvalt is dat Jezus een kracht bezit die sterker is dan de macht van de onreine geest, sterker dan de macht van het kwaad. Iedere ontmoeting met Jezus wordt voor de mens een bevrijding uit dwingende machten waaruit hij zelf niet los kan komen. Jezus komt om de mens te doen herademen, om hem zijn levensopdracht opnieuw in handen te geven. De mens wordt door hem als het ware herschapen.

Marcus zegt dat de faam van Jezus zich naar alle kanten verspreidde. Ook wij die wat ervaring hebben in de omgang van Jezus, moeten ons ontvankelijk en op een nieuwe manier laten aanspreken door hem. We mogen ook niet nalaten om in onze omgeving de naam van Jezus bekend te maken. Door zijn woorden vandaag te beluisteren en gelovig te doorleven, kan ook nu in zijn naam hetzelfde bevrijdingswerk gebeuren.

 

2. Marcus 1, 29-39

Het evangelie naar Marcus vertelt van meet af aan hoe het koninkrijk van God met de komst van Jezus onstuitbaar doorbreekt in deze wereld. Dat gebeurt met een enorme vaart. ’Meteen, direct, regelrecht, rechtstreeks’ na de gebeurtenissen in de synagoge gaan Jezus en zijn eerste leerlingen naar het huis van Simon en Andreas. Het verhaal van Jezus’ activiteit is een samengebald verhaal. De beschrijving van “de dag te Kafarnaüm” dient om zijn activiteit in het algemeen aan ons voor te stellen. Daarin wordt zijn keuze voor de mensen onmiddellijk duidelijk.

Jezus doet in deze teksten voornamelijk twee dingen: prediken en genezen. Die twee horen kennelijk bij elkaar. Zo moeten we de genezingsverhalen hier ook zien: het zijn geen op zichzelf staande mirakels, geen bewijs van zogenaamde bovennatuurlijke krachten van Jezus. Het zijn de zichtbare en tastbare illustraties bij zijn prediking. Het koninkrijk dat Jezus aankondigt, bestaat eruit dat mensen verlost worden van wat hen bezwaart en beknelt.

Met Jezus, zo vertelt het Marcusevangelie, is een beslissend begin gemaakt met dit koninkrijk, en niemand, ook de geesten van deze wereld niet, kan de komst ervan nog stoppen. 

Wanneer wij het verhaal over de genezing van de schoonmoeder van Petrus lezen, dan is in de koorts van deze vrouw de levenskoorts van vele mensen begrepen. Jezus komt om deze mensen bij de hand te nemen en ze te doen opstaan, te doen verrijzen. Zijn verrijzeniskracht maakt de mensen vrij van deze koorts. Hij maakt mensen weer dienstbaar voor anderen.

En dit beperkt zich niet tot één persoon. Tijdens de dag te Kafarnaüm wordt de activiteit van Jezus geconcentreerd in de avond, nà zonsondergang. Van zodra de sabbatsrust voorbij is brengt men de zieke en bezeten mensen tot bij Jezus. “Heel de stad stroomde voor de deur samen”, zegt Marcus. Hij wordt het verzamelpunt van menselijke miserie en vertaalt daarmee de gevoelens van God, die de ellende van zijn volk heeft gezien. Jezus is de menswording van Gods liefde en deze slaat bressen in wat mensen voor onveranderlijk en onmogelijk aanzien. Deze liefde gaat niet voorbij aan het lijden van de mens.

Men zoekt Jezus op om genezen te worden. Het geloof in Jezus bevat inderdaad een genezende kracht, ook voor ons in deze tijd, want niets kan het leven beter genezen dan de liefde van God die in Jezus nabij is.

Om in deze roeping sterk te staan gaat Jezus bidden. Wie veel miserie aanhoort, moet ook veel bidden. Gods liefde wil het uithouden bij de nood van de mensen. In zijn bidden dankt en verheerlijkt hij God om wat door zijn handen en woorden gebeurt. Hij bidt dat hij telkens opnieuw voor zijn roeping zou kiezen. Hij bidt dat Gods wil mag geschieden, want “daartoe immers ben ik uitgegaan”. In Jezus zoekt Gods liefde zichzelf niet, maar gaat steeds weer op weg naar de dorpen in de omtrek, om ook daar de blijde boodschap te brengen. Zo worden wij opgeroepen om met hem mee te gaan om te zeggen én te tonen dat het leven hier op aarde door God bemind wordt.

Wanneer Jezus dan de volgende morgen ergens aan het bidden is en de leerlingen hem trachten te vinden om hem te zeggen “Iedereen zoekt U”, dan wordt ons de vraag naar de motivering van dat zoeken gesteld. Dat is in het begin van het evangelie geen toevallige vraag. Bij Marcus heeft het zoeken naar Jezus meestal geen gunstige betekenis, zoals ook het vragen om een teken uit de hemel door Jezus afgewezen wordt. De roeping van de leerling ligt niet in het zoeken naar Jezus, maar begint waar het zoeken ophoudt om alles te verlaten en hem te volgen, om zich te laten vinden door Jezus. Daar begint het evangelie en de uitwerking van Jezus’ leven in de leerling. Daar begint een relatie waarin Jezus ons liefdevol de weg wijst.

 

3. Marcus 1,40-45 In heel Galilea wordt het verder gezet. 

Een melaatse komt op Jezus toe en vraagt hem om hulp. De man blijft niet van verre staan, zoals melaatsen dat behoren te doen, maar hij knielt neer aan de voeten van Jezus en belijdt zijn geloof in de kracht die van hem uitgaat. Als Jezus deze melaatse ziet en de manier waarop hij hem durft te benaderen, raakt Hij diep ontroerd. Vervolgens steekt Hij zijn hand uit en zonder angst voor besmetting raakt Hij de melaatse aan. Ongehoord, zo moeten de omstanders hebben gedacht, maar voor Marcus is Jezus resoluut in zijn optreden en krachtdadig in zijn spreken: ‘Ik wil het, word rein.’ En onmiddellijk verdwijnt de melaatsheid. 

Het verhaal over de genezing van de melaatse is een illustratie van de opmerking van Mar-cus: “Hij trok door heel Galilea, predikte in hun synagogen en dreef de boze geesten uit'. Aan die activiteit wordt duidelijk welke weg Jezus met ons wil opgaan. Het is de weg van de bewogenheid van Gods liefde voor de mens. We zien Jezus voorkeur voor mensen die door de maatschappij op afstand worden gehouden. En in deze bewogenheid wordt onze gewone gang van zaken doorbroken, omdat het geen medelijden is van een toeschouwer of een be-wogenheid die geblokkeerd wordt door eigenliefde, menselijk opzicht, gewoonte of andere uitvluchten en vooroordelen waarmee de ellende van de mens wordt in stand gehouden. Gods bewogenheid voor de mens laat zich in Jezus niet blokkeren, maar doorbreekt al wat nodig is om deze mens te doen herleven.

Door zijn genezing toch vroegtijdig rond te bazuinen brengt de man Jezus in moeilijkheden, waardoor deze zich niet meer openlijk in de stad kan bewegen. Door een melaatse man rein te verklaren komt Jezus onbedoeld in conflict met de heersende priesterklasse. In de synago-ge te Kafarnaüm genas Jezus een bezeten mens, ook al is het sabbat. Hij raakt de melaatse aan, ook al wordt hij dan door de wet religieus onrein verklaard. Er zijn geen argumenten of (religieuze) motieven die sterker kunnen zijn dan die van Gods liefde voor de mens. Dat mogen ook wijzelf ervaren als wij met onze melaatse plekken voor Hem verschijnen, ons door hem laten aanraken en bidden: “Heer, als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen'. Vaak zijn we ontgoocheld over onszelf, over de dubbelzinnigheid waarin wij leven, over de lange duur van onze eigenliefde. Ook in deze ontgoocheling zijn we nog altijd mooi genoeg om door God te worden bemind. Dat is de kracht van het geloof in Jezus: dat hij ons bemint terwijl wij zondaars zijn en dat door de kracht en de warmte van zijn liefde, wij bewogen worden tot wederliefde, tot verzoening en gemeenschap, tot barmhartigheid en dienstbaarheid, tot leven dat niet meer ontgoochelt, omdat het een leven van liefde wordt. Dan zullen wij zelf ook in staat zijn bewogen te worden door het melaatse leven van de mensen om het in de liefde van de Heer Jezus thuis te brengen. 

Als volgelingen staan we hierbij en zien we hoe Gods bewogenheid voor het lijden van de mensen in de ontmoeting tussen Jezus en de melaatse daadwerkelijke liefde wordt. Dat stemt ons blij en opent ons de ogen voor al de liefde die in christelijke gemeenschappen voor lijdende mensen wordt opgebracht, ook vandaag. Christenen verlaten en verstoten hun lijdende mensen niet. Door de komst van Jezus wordt veel liefde mogelijk. Bij het zien daarvan worden wij meegetrokken om ook in Gods bewogenheid te gaan staan en mensen te beminnen die, zoals de melaatse, niet zo beminnenswaardig zijn in onze wereld. We blijven geen toeschouwer als we met Jezus meegaan.

Het getuigenis van de evangelist is het getuigenis van de kerk die het leven van Jezus kent en zijn leven, lijden, dood en verrijzenis wil gedenken en verkondigen. Het is niet het verhaal van één genezene die – spijts het verbod van Jezus – toch het gebeuren navertelt. De genezen melaatse mag niet spreken, omdat hij Jezus nog niet kent, omdat hij Jezus nog niet heeft zien lijden en sterven. Maar wij die het leven van Jezus, zijn lijden, dood en verrijzenis dagelijks meemaken moeten niet zwijgen. Wij moeten als genezen melaatsen zijn leven vieren en gedenken. In ons getuigenis dienen wij er ruchtbaarheid aan te geven: Hem openlijk in de stad van de mensen brengen. Voor allen die bemind door het leven willen gaan is Jezus de Redder van dat leven.

 

 

 

PDF-bestanden

  • beknopte tekst bij het Marcusevangelie
  • uitgebreide tekst bij het Marcusevangelie

 

Ons tijdschrift voor Bijbel en Liturgie

Viermaal per jaar verschijnt Vrienden van Bijbelhuis Zevenkerken. Dit tijdschrift gaat dieper in op de relatie tussen Bijbel en liturgie. Daarbuiten komen ook andere bijdragen over de Bijbel aan bod. Leden van de redactie...  lees meer »

Lectionarium

Op zoek naar een zondagslezing of commentaar? Wekelijks kunt u op onze blog terecht voor tekst, audio en commentaar. Hier vindt u het archief, De "lees meer" knop brengt u naar de lezing van de komende week.  lees meer »

Waken met de psalmen - Benoît Standaert OSB

Een psalmodie of nachtwake met psalmen is een ascetische praktijk die vandaag terug aanspreekt. Psalmodiëren is immers opstijgen naar herstel, naar bevrijding, naar redding, naar messiaanse vervulling, naar vrede. Pater Benoît Standaert en Hilde Laureys hebben voor ons de psalmen ingesproken. Ze werken met het hele psalterium over één week gespreid...  lees meer »